Inkomstenbelasting. Vragen en antwoorden uitgaven voor levensonderhoud van kinderen, specifieke zorgkosten, weekenduitgaven gehandicapten, scholingsuitgaven

Directoraat-Generaal Belastingdienst/Brieven en beleidsbesluiten

Besluit van 21 januari 2010, nr. DGB2010/372M, Staatscourant 2010, 1307

De staatssecretaris van Financiën heeft het volgende besloten.

Dit besluit is een actualisering van het besluit van 28 oktober 2009, nr. CPP2009/1820M over uitgaven voor levensonderhoud van kinderen, specifieke zorgkosten, weekenduitgaven voor gehandicapten en scholingsuitgaven.

1. Inleiding

Dit besluit is een actualisering van het besluit van 28 oktober 2009, nr. CPP2009/1820M. In dit besluit is uitgegaan van de wetteksten en cijfers voor het jaar 2009. Per 1 januari 2009 zijn de buitengewone uitgaven uit hoofdstuk 6 van de Wet inkomstenbelasting 2001 vervangen door de specifieke zorgkosten. Het onderdeel over buitengewone uitgaven uit het besluit van 28 oktober 2009 is daarom in dit besluit vervangen door een onderdeel over specifieke zorgkosten. Deze wijziging is aangegrepen om het besluit ook op andere punten te herzien. Een aantal onderdelen uit het besluit van 28 oktober 2009 komt niet meer in dit besluit voor omdat hetgeen in die onderdelen was opgenomen inmiddels voldoende duidelijk blijkt uit regelgeving, jurisprudentie of voorlichtingsmateriaal van de Belastingdienst. Verder bevat dit besluit in onderdeel 5.3. een nieuwe goedkeuring over de leeftijdsgrenzen van de standaardstudieperiode. Tot slot zijn redactionele aanpassingen gedaan.

Het besluit van 28 oktober 2009, nr. CPP2009/1820M is ingetrokken met ingang van de dag dat dit besluit in werking treedt (zie onderdeel 6).

1.1 Gebruikte begrippen en afkortingen

Artikel 6.29 van de Wet IB 2001 schematisch

in 2002:

WO/HBO

euro 46,92

MBO

euro 41,05

in 2003:

WO/HBO

euro 49,07

MBO

euro 42,93

in 2004:

WO/HBO

euro 50,72

MBO

euro 44,37

in 2005:

WO/HBO

euro 51,81

MBO

euro 45,32

in 2006:

WO/HBO

euro 52,42

MBO

euro 45,85

in 2007 tot 1 sept.:

WO/HBO

euro 53,32

MBO

euro 46,63

in 2007 met ingang van 1 sept.:

WO/HBO

euro 54

MBO

euro 47

2008:

WO/HBO

euro 55

MBO

euro 48

in 2009:

WO/HBO

euro 56

MBO

euro 49


Normbedragen onderwijsbijdrage per maand (artikel 3.2 van de WSF 2000 en artikel 7.43 van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek):

WO/HBO
1-1-2001 tot 1-9-2001 € 108,68 (f 239,50)
1-9-2001 tot 1-9-2002 € 110,80 (f 244,14)
1-9-2002 tot 1-9-2003 € 116,32
1-9-2003 tot 1-9-2004 € 120,42
1-9-2004 tot 1-9-2005 € 123
1-9-2005 tot 1-9-2006 € 124,67
1-9-2006 tot 1-9-2007 € 126,58
1-9-2007 tot 1-9-2008 € 128,17
1-9-2008 tot 1-9-2009 € 130,42
1-9-2009 tot 1-9-2010 € 133,08

MBO
1-1-2001 tot 1-8-2001 € 68,90 (f 151,83)
1-8-2001 tot 1-8-2002 € 71,02 (f 156,51)
1-8-2002 tot 1-8-2003 € 73,75
1-8-2003 tot 1-8-2004 € 76,33
1-8-2004 tot 1-8-2005 € 78
1-8-2005 tot 1-8-2006 € 79,08
1-8-2006 tot 1-8-2007 € 80,25
1-8-2007 tot 1-8-2008 € 81,25
1-8-2008 tot 1-8-2009 € 82,75
1-8-2009 tot 1-8-2010 € 84,41

Normbedragen per maand samen:
WO/HBO
1-1-2001 tot 1-9-2001 € 154,46 (f 340,38)
1-9-2001 t/m 31-12-2001 € 156,57 (f 345,02)
1-1-2002 tot 1-9-2002 € 157,72
1-9-2002 t/m 31-12-2002 € 163,24
1-1-2003 tot 1-9-2003 € 165,39
1-9-2003 t/m 31-12-2003 € 169,49
1-1-2004 tot 1-9-2004 € 171,14
1-9-2004 t/m 31-12-2004 € 173,72
1-1-2005 tot 1-9-2005 € 174,81
1-9-2005 t/m 31-12-2005 € 176,48
1-1-2006 tot 1-9-2006 € 177,09
1-9-2006 t/m 31-12-2006 € 179,00
1-1-2007 tot 1-9-2007 € 179,90
1-9-2007 t/m 31-12-2007 € 182,17
1-1-2008 tot 1-9-2008 € 183,17
1-9-2008 t/m 31-12-2008 € 185,42
1-1-2009 tot 1-9-2009 € 186,42
1-9-2009 t/m 31-12-2009 € 189,08

MBO
1-1-2001 tot 1-8-2001 € 108,95 (f 240,08)
1-8-2001 t/m 31-12-2001 € 111,07 (f 244,77)
1-1-2002 tot 1-8-2002 € 112,07
1-8-2002 t/m 31-12-2002 € 114,80
1-1-2003 tot 1-8-2003 € 116,68
1-8-2003 t/m 31-12-2003 € 119,26
1-1-2004 tot 1-8-2004 € 120,70
1-8-2004 t/m 31-12-2004 € 122,37
1-1-2005 tot 1-8-2005 € 123,32
1-8-2005 t/m 31-12-2005 € 124,40
1-1-2006 tot 1-8-2006 € 124,93
1-8-2006 t/m 31-12-2006 € 126,10
1-1-2007 tot 1-8-2007 € 126,88
1-8-2007 tot 1-9-2007 € 127,88
1-9-2007 t/m 31-12-2007 € 128,25
1-1-2008 tot 1-8-2008 € 129,25
1-8-2008 t/m 31-12-2008 € 130,75
1-1-2009 tot 1-8-2009 € 131,75
1-8-2009 t/m 31-12-2009 € 133,41

De basisbeurs bedraagt in 2001:

Uitwonend

Thuiswonend

WO/HBO

euro 205,97 (f 453,89)

euro 66,88 (f 147,38)

MBO

euro 189,49 (f 417,58)

euro 50,40 (f 111,07)

De basisbeurs bedraagt in 2002:

Uitwonend

Thuiswonend

WO/HBO

euro 211,09

euro 68,55

MBO

euro 194,20

euro 51,66

De basisbeurs bedraagt in 2003:

Uitwonend

Thuiswonend

WO/HBO

euro 220,78

euro 71,70

MBO

euro 203,11

euro 54,03

De basisbeurs bedraagt in 2004:

Uitwonend

Thuiswonend

WO/HBO

euro 228,20

euro 74,11

MBO

euro 209,93

euro 55,85

De basisbeurs bedraagt in 2005:

Uitwonend

Thuiswonend

WO/HBO

euro 233,08

euro 75,70

MBO

euro 214,42

euro 57,05

De basisbeurs bedraagt in 2006:

Uitwonend

Thuiswonend

WO/HBO

euro 248,48

euro 89,24

MBO

euro 229,60

euro 70,37

De basisbeurs bedraagt in 2007:

Uitwonend

Thuiswonend

WO/HBO

euro 252,73

euro 90,77

MBO

euro 233,53

euro 71,57

De basisbeurs bedraagt in 2008:

Uitwonend

Thuiswonend

WO/HBO

euro 255,64

euro 91,81

MBO

euro 236,22

euro 72,39

De basisbeurs bedraagt in 2009:

Uitwonend

Thuiswonend

WO/HBO

euro 259,43

euro 93,29

MBO

euro 240,02

euro 73,56

5.2. Scholingsuitgaven/WSF

Belastingplichtige ontvangt voor het studiejaar 2008/2009 studiefinanciering op grond van de WSF 2000. Omdat hij met ingang van september 2009 zijn studie in de avonduren voortzet, heeft hij voor het studiejaar 2009/2010 geen recht meer op WSF 2000. De studiekosten over het jaar 2009 claimt hij als scholingsuitgaven. Moet rekening worden gehouden met de prestatiebeurs die hij in het (eerste deel van) het belastingjaar 2009 heeft ontvangen?

De studiekosten over de periode januari tot en met augustus 2009 kunnen conform het bepaalde in artikel 6.29 van de Wet IB 2001 in aftrek worden gebracht. Hierop wordt de ontvangen prestatiebeurs in mindering gebracht. De studiekosten over de periode september tot en met december 2009 zijn volledig aftrekbaar, voor zover zij voldoen aan de voorwaarden. Over die periode heeft belastingplichtige immers geen recht meer op studiefinanciering op grond van de WSF.

5.3. Leeftijdsgrenzen standaardstudieperiode

Belastingplichtige volgt met ingang van september 2009, direct na het afronden van de middelbare schoolopleiding een kortlopende beroepsopleiding. Hij is op 1 juli 2009 17 jaar geworden. De kosten van deze opleiding drukken volledig op belastingplichtige. Kan in deze situatie voor toepassing van de regeling voor dure studies de standaardstudieperiode van artikel 6.30 Wet IB 2001 ingaan op 1 oktober 2009?

De regeling voor dure studies is in de Wet IB 2001 opgenomen als tegemoetkoming voor kortlopende studies met hoge studiekosten. De regeling dient om te voorkomen dat er grote verschillen ontstaan tussen de werkelijke uitgaven en de aftrekmogelijkheden. De regeling kan op grond van artikel 6.30 Wet IB 2001 alleen worden toegepast gedurende de zogenaamde standaardstudieperiode. Dit is de door de belastingplichtige aan te geven periode van maximaal 16 kalenderkwartalen na het bereiken van de leeftijd van 18 jaar maar voor het bereiken van de leeftijd van 30 jaar. Op grond van deze bepaling kan de standaardstudieperiode voor belastingplichtige niet ingaan op 1 oktober 2009 maar pas op 1 juli 2010, de dag dat belastingplichtige 18 jaar wordt.

Goedkeuring

Met toepassing van de hardheidsclausule van artikel 63 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen keur ik het volgende goed. Indien een belastingplichtige bij de aanvang van de studie de leeftijd van 18 jaar nog niet heeft bereikt, kan hij in afwijking van artikel 6.30 van de Wet IB 2001 gebruik maken van de standaardstudieperiode vanaf het moment dat hij de studie aanvangt.

Voorwaarde voor toepassing van deze goedkeuring is dat de studiekosten op belastingplichtige drukken en dat ook aan de overige voorwaarden voor aftrek van scholingsuitgaven is voldaan.

Ambtshalve vermindering
Omdat onduidelijkheid heeft bestaan over de mogelijkheid van toepassing van de standaardstudieperiode voorafgaand aan de 18e verjaardag wordt de mogelijkheid voor ambtshalve vermindering bij toepassing van bovenstaande goedkeuring verruimd. Vermindering van onherroepelijk vaststaande aanslagen kan in deze gevallen in zoverre plaatsvinden in afwijking van paragraaf 5 van het besluit van 17 december 2009, nr. CPP/2461M.

5.4. Scholingsuitgaven door ouders voorgeschoten

Belastingplichtige volgt een opleiding en wil de kosten daarvan zelf betalen. De kosten van de opleiding worden door de ouders betaald terwijl hij het bedrag schuldig blijft. Bij wie zijn de uitgaven aftrekbaar en in welk jaar?

De scholingsuitgaven zijn aftrekbaar bij belastingplichtige in het jaar waarin de ouders de uitgaven doen. Op het moment van betaling door zijn ouders ontstaat immers een vordering op hem. Zie in dit verband het arrest van de Hoge Raad van 2 juni 2006, nr. 40 297, LJN: AX6372.

5.5. Scholingsuitgaven. Kosten deelname aan congressen

Kunnen de kosten van deelname aan nationale en internationale congressen waarvan deelname uit wetenschappelijk oogpunt gewenst is, als scholingsuitgaven bedoeld in artikel 6.27 van de Wet IB 2001 in aftrek gebracht worden?

Scholingsuitgaven zijn uitgaven van de belastingplichtige voor een door hem zelf gevolgde opleiding of studie met het oog op het verwerven van inkomen uit werk en woning. De uitgaven moeten direct verband houden met het leertraject. Waar er geen sprake is van een opleiding of studie, geen “leertraject”, zijn uitgaven niet aftrekbaar. In de geschetste situatie zal er doorgaans geen sprake zijn van congresbezoek in het kader van het volgen van een opleiding of studie. Aftrek is dan ook niet mogelijk. Hetzelfde geldt bij het bezoeken van congressen en dergelijke in het kader van het behouden van een registratie als beroepsbeoefenaar.

Vindt, bij uitzondering, het congresbezoek wel plaats in verband met het volgen van een opleiding of studie, dan zijn de kosten van deelname aan het congres zelf - uiteraard exclusief kosten van partnerprogramma, nevenactiviteiten en dergelijke - wel aftrekbaar. Ook in dat geval zijn de kosten van de met het congres samenhangende reis- en verblijfkosten niet aftrekbaar op grond van artikel 6.28, eerste lid, onderdeel c, van de Wet IB 2001.

5.6. Scholingsuitgaven. Lidmaatschapskosten van beroeps- of wetenschappelijke verenigingen

Kunnen de lidmaatschapskosten van beroeps- of wetenschappelijke verenigingen die noodzakelijk dan wel gewenst zijn voor de beroepsuitoefening als scholingsuitgaven in aftrek worden gebracht indien en voor zover de werkgever deze kosten niet vergoedt?

Lidmaatschapskosten van beroeps- en wetenschappelijke verenigingen kunnen niet worden aangemerkt als scholingsuitgaven. Zij zijn derhalve niet aftrekbaar, zelfs als de desbetreffende uitgaven noodzakelijk of gewenst zouden zijn voor de beroepsbeoefening. Het kan uiteraard anders komen te liggen indien de lidmaatschapskosten nodig zijn voor het volgen van de studie of het schrijven van een proefschrift.

5.7. Promotiekosten

Een belastingplichtige is gepromoveerd. Hij heeft voor de promotieplechtigheid gelegenheidskleding voor hemzelf en voor de paranimfen gehuurd. De kosten hiervan heeft hij betaald. Aansluitend op deze plechtigheid heeft hij een receptie gehouden. Ook deze kosten hebben op hem gedrukt. Zijn de kosten van de huur van de gelegenheidskleding en van de receptie aftrekbaar als scholingsuitgaven?

Ja. De kosten van de huur van gelegenheidskleding voor hemzelf en voor de paranimfen en van de aan de promotieplechtigheid aansluitende receptie zijn kosten die zijn verbonden aan de promotie als academische plechtigheid. Zij vloeien direct voort uit het afsluiten van het leertraject. Het gaat hier niet om uitgaven die verband houden met het levensonderhoud van belastingplichtige, zoals genoemd in artikel 6.28, eerste lid, onderdeel a, van de Wet IB 2001. Die uitgaven zijn uitgezonderd omdat zij veelal een gemengd karakter hebben.

6. Inwerkingtreding en intrekking besluiten

Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst. Het besluit werkt terug tot en met 1 januari 2009 en is van toepassing op de belastingjaren vanaf 2009. In afwijking hiervan werkt de goedkeuring van onderdeel 5.3. terug tot 1 januari 2001 (zie verder onderdeel 5.3).

Het besluit van 28 oktober 2009, nr. CPP2009/1820M is met ingang van inwerkingtreding van dit besluit ingetrokken.

Dit besluit zal in de Staatscourant worden geplaatst.

Den Haag, 21 januari 2010.

De staatssecretaris van Financiën,
mr.drs. J.C. de Jager.


Dit document is een bijlage bij: