Inkomstenbelasting. Vragen en antwoorden uitgaven voorlevensonderhoud van kinderen, buitengewone uitgaven, weekenduitgaven gehandicapten, scholingsuitgaven en Zorgverzekeringswet
Belastingdienst/Centrum voor proces- en productontwikkeling, Sector brieven & beleidsbesluiten
Besluit van 28 oktober 2009, nr. CPP2009/1820M, Staatscourant 2009, 16639
De staatssecretaris van Financiën heeft het volgende besloten.
Dit besluit vervangt het besluit van 14 februari 2008, nr. CPP2007/3175M over uitgaven voor levensonderhoud van kinderen, buitengewone uitgaven, weekenduitgaven voor gehandicapten en scholingsuitgaven. Het besluit wordt uitgebracht in verband met een verduidelijking van onderdeel 2.b.2 van het besluit. Dat onderdeel gaat over begrafeniskosten en het civielrechtelijke deel in de begrafeniskosten. Dit besluit is van belang voor de aangiften inkomstenbelasting over de kalenderjaren tot en met 2008. Binnenkort wordt dit besluit vervangen door een nieuw besluit waarin de wetswijzigingen per 1 januari 2009 zijn verwerkt.
Inleiding
Dit besluit vervangt het besluit van 14 februari 2008, nr. CPP2007/3175M over uitgaven voor levensonderhoud van kinderen, buitengewone uitgaven, weekenduitgaven voor gehandicapten en scholingsuitgaven. Het besluit wordt uitgebracht in verband met een verduidelijking van onderdeel 2.b.2 van het besluit. Dat onderdeel heeft betrekking op de situatie dat een belastingplichtige op grond van een dringende morele verplichting een hoger bedrag in de begrafeniskosten voor zijn rekening neemt dan zijn civielrechtelijk deel. Onderdeel 2.b.2. bevat ook een goedkeuring over de aanwezigheid van een dringende morele verplichting waardoor integrale aftrek van begrafeniskosten mogelijk is. In de praktijk blijkt het niet duidelijk te zijn wat de fiscale aftrekmogelijkheden zijn na invoering van het sinds 1 januari 2003 geldende erfrecht. Dit besluit werkt dat nader uit. De overige onderdelen van het besluit van 14 februari 2008 zijn niet gewijzigd.
De wetswijzigingen per 1 januari 2009 zijn nog niet verwerkt in dit besluit. Dit besluit is van belang voor de aangiften inkomstenbelasting over de kalenderjaren tot en met 2008. Vóór 1 januari 2010 wordt dit besluit opnieuw geactualiseerd, waarbij de wetswijzigingen per 1 januari 2009 worden verwerkt.
In dit besluit is uitgegaan van de wetteksten en cijfers voor het jaar 2007. Met ingang van 1 januari 2008 is het niet meer mogelijk de standaardpremie ziektekosten als buitengewone uitgaven in aanmerking te nemen. Gevolg daarvan is ook dat met ingang van die datum de zorgtoeslag niet meer van belang is voor de buitengewone uitgaven. Onderdeel 5 van dit besluit heeft daarom met ingang van het belastingjaar 2008 zijn belang verloren.
0.1 Lijst van gebruikte afkortingen
Wet IB 2001 – Wet inkomstenbelasting 2001
UBIB 2001 – Uitvoeringsbesluit inkomstenbelasting 2001
URIB 2001 – Uitvoeringsregeling inkomstenbelasting 2001
1. Uitgaven voor levensonderhoud van kinderen tot 30 jaar (afdeling 6.4 van de Wet IB 2001)
Normbedragen onderwijsbijdrage per maand (artikel 3.2, eerste lid, aanhef en onderdeel c, WSF 2000)
WO/HBO | 1-1-2001 tot 1-9-2001 € 108,68 (f 239,50) |
1-9-2001 tot 1-9-2002 € 110,80 (f 244,14) | |
1-9-2002 tot 1-9-2003 € 116,32 | |
1-9-2003 tot 1-9-2004 € 120,42 | |
1-9-2004 tot 1-9-2005 € 123 | |
1-9-2005 tot 1-9-2006 € 124,67 | |
1-9-2006 tot 1-9-2007 € 126,58 | |
1-9-2007 tot 1-9-2008 € 128,17 | |
MBO | 1-1-2001 tot 1-8-2001 € 68,90 (f 151,83) |
1-8-2001 tot 1-8-2002 € 71,02 (f 156,51) | |
1-8-2002 tot 1-8-2003 € 73,75 | |
1-8-2003 tot 1-8-2004 € 76,33 | |
1-8-2004 tot 1-8-2005 € 78 | |
1-8-2005 tot 1-8-2006 € 79,08 | |
1-8-2006 tot 1-8-2007 € 80,25 | |
1-8-2007 tot 1-8-2008 € 81,25 |
Normbedragen per maand samen:
WO/HBO | 1-1-2001 tot 1-9-2001 | euro 154,46 (f 340,38) |
1-9-2001 t/m 31-12-2001 | euro 156,57 (f 345,02) | |
1-1-2002 tot 1-9-2002 | euro 157,72 | |
1-9-2002 t/m 31-12-2002 | euro 163,24 | |
1-1-2003 tot 1-9-2003 | euro 165,39 | |
1-9-2003 t/m 31-12-2003 | euro 169,49 | |
1-1-2004 tot 1-9-2004 | euro 171,14 | |
1-9-2004 t/m 31-12-2004 | euro 173,72 | |
1-1-2005 tot 1-9-2005 | euro 174,81 | |
1-9-2005 t/m 31-12-2005 | euro 176,48 | |
1-1-2006 tot 1-9-2006 | euro 177,09 | |
1-9-2006 t/m 31-12-2006 | euro 179,00 | |
1-1-2007 tot 1-9-2007 | euro 179,90 | |
1-9-2007 t/m 31-12-2007 | euro 182,17 | |
MBO | 1-1-2001 tot 1-8-2001 | euro 108,95 (f 240,08) |
1-8-2001 t/m 31-12-2001 | euro 111,07 (f 244,77) | |
1-1-2002 tot 1-8-2002 | euro 112,07 | |
1-8-2002 t/m 31-12-2002 | euro 114,80 | |
1-1-2003 tot 1-8-2003 | euro 116,68 | |
1-8-2003 t/m 31-12-2003 | euro 119,26 | |
1-1-2004 tot 1-8-2004 | euro 120,70 | |
1-8-2004 t/m31-12-2004 | euro 122,37 | |
1-1-2005 tot 1-8-2005 | euro 123,32 | |
1-8-2005 t/m 31-12-2005 | euro 124,40 | |
1-1-2006 tot 1-8-2006 | euro 124,93 | |
1-8-2006 t/m 31-12-2006 | euro 126,10 | |
1-1-2007 tot 1-8-2007 | euro 126,88 | |
1-8-2007 tot 1-9-2007 | euro 127,88 | |
1-9-2007 t/m 31-12-2007 | euro 128,25 |
De basisbeurs bedraagt in 2001:
Uitwonend | Thuiswonend | |
|---|---|---|
WO/HBO | euro 205,97 (f 453,89) | euro 66,88 (f 147,38) |
MBO | euro 189,49 (f 417,58) | euro 50,40 (f 111,07) |
De basisbeurs bedraagt in 2002:
Uitwonend | Thuiswonend | |
|---|---|---|
WO/HBO | euro 211,09 | euro 68,55 |
MBO | euro 194,20 | euro 51,66 |
De basisbeurs bedraagt in 2003:
Uitwonend | Thuiswonend | |
|---|---|---|
WO/HBO | euro 220,78 | euro 71,70 |
MBO | euro 203,11 | euro 54,03 |
De basisbeurs bedraagt in 2004:
Uitwonend | Thuiswonend | |
|---|---|---|
WO/HBO | euro 228,20 | euro 74,11 |
MBO | euro 209,93 | euro 55,85 |
De basisbeurs bedraagt in 2005:
Uitwonend | Thuiswonend | |
|---|---|---|
WO/HBO | euro 233,08 | euro 75,70 |
MBO | euro 214,42 | euro 57,05 |
De basisbeurs bedraagt in 2006:
Uitwonend | Thuiswonend | |
|---|---|---|
WO/HBO | euro 248,48 | euro 89,24 |
MBO | euro 229,60 | euro 70,37 |
De basisbeurs bedraagt in 2007:
Uitwonend | Thuiswonend | |
|---|---|---|
WO/HBO | euro 252,73 | euro 90,77 |
MBO | euro 233,53 | euro 71,57 |
a. Een thuiswonende WO/HBO-student heeft tot 1 augustus 2007 recht op WSF 2000. Zijn basisbeurs bedraagt € 90,77 per maand. Hij betaalt zijn studiekosten gelijkmatig verdeeld over het kalenderjaar. Deze werkelijke studiekosten over de periode van 1 januari tot 1 augustus 2007 bedragen € 1.300. Deze zijn in 2007 betaald. Hij krijgt in 2010 de definitieve beschikking dat de prestatiebeurs geheel wordt omgezet in een gift. Kan hij wat aftrekken en zo ja, hoeveel en wanneer?
De werkelijke studiekosten (euro 1.300) bedragen minder dan het tweevoud van de bedragen van de WSF 2000 (2 x (7 x € 179,90 = € 1.259,30) = € 2.518,60). De scholingsuitgaven zijn dan € 1.259,30 (artikel 6.29, eerste lid, van de Wet IB 2001). Op grond van het tweede lid van dit artikel komen de scholingsuitgaven tot het bedrag van de prestatiebeurs (7 x € 90,77 = € 635,39) niet voor aftrek in aanmerking. In 2007 kan de student de normbedragen minus de ontvangen prestatiebeurs (euro 1.259,30 minus € 635,39) is € 623,91 aftrekken. Op dit bedrag moet nog wel artikel 6.30 van de Wet IB 2001 worden toegepast. In 2010 kan de student niets meer aftrekken omdat de prestatiebeurs is omgezet in een gift.
b. Als a. Alleen staat nu in de definitieve beschikking (2010) dat de prestatiebeurs niet wordt omgezet in een gift.
In 2007 kan de student € 623,91 aftrekken (zie bij a). In 2010 kan de student alsnog de ontvangen prestatiebeurs ad € 635,39 aftrekken. Op dit bedrag moet nog wel artikel 6.30 van de Wet IB 2001 worden toegepast. In totaal heeft deze student dan een aftrek genoten van de normbedragen.
c. Als a. Alleen bedragen nu de werkelijke studiekosten € 10.000.
De werkelijke studiekosten bedragen meer dan het tweevoud van de bedragen in de WSF 2000. Op grond van de tweede volzin van het eerste lid van artikel 6.29 van de Wet IB 2001 komen de studiekosten tot een bedrag van € 1.259,30 (7 x € 179,90) niet als scholingsuitgaven in aanmerking. Op grond van het tweede lid van dit artikel komen de scholingsuitgaven bovendien tot het bedrag van de prestatiebeurs (7 x € 90,77 = € 635,39) niet voor aftrek in aanmerking. In 2007 kan de student de werkelijke studiekosten minus 1 x de normbedragen minus de ontvangen prestatiebeurs (euro 10.000 minus € 1.259,30 minus € 635,39) is € 8.105,31 aftrekken. Op dit bedrag moet nog wel artikel 6.30 van de Wet IB 2001 worden toegepast. In 2010 kan de student niets meer aftrekken omdat de prestatiebeurs is omgezet in een gift.
d. Als a. Alleen bedragen nu de werkelijke studiekosten € 10.000 en staat er in de definitieve beschikking (2010) dat de prestatiebeurs niet wordt omgezet in een gift.
In 2007 kan de student € 8.105,31 aftrekken (zie bij c). In 2010 kan de student alsnog de ontvangen prestatiebeurs ad € 635,39 aftrekken. Op dit bedrag moet nog wel artikel 6.30 van de Wet IB 2001 worden toegepast. In totaal heeft deze student dan een aftrek genoten van de werkelijke studiekosten minus 1x de normbedragen.
e. Een uitwonende WO/HBO-student heeft tot 1 augustus 2007 recht op WSF 2000 in de vorm van een prestatiebeurs. Zijn basisbeurs bedraagt € 252,73 per maand. Hij betaalt zijn studiekosten gelijkmatig verdeeld over het kalenderjaar. Deze werkelijke studiekosten over de periode van 1 januari tot 1 augustus 2007 bedragen € 1.300. Deze zijn in 2007 betaald. Hij krijgt in 2010 de definitieve beschikking dat de prestatiebeurs geheel wordt omgezet in een gift. Kan hij wat aftrekken en zo ja, hoeveel en wanneer?
De werkelijke studiekosten (euro 1.300) bedragen minder dan het tweevoud van de bedragen van de WSF 2000 {2 x (7 x € 179,90 = € 1.259,30) = € 2.518,60}. De scholingsuitgaven zijn dan € 1.259,30 (artikel 6.29, eerste lid, van de Wet IB 2001). Op grond van het tweede lid van dit artikel komen de scholingsuitgaven tot het bedrag van de prestatiebeurs (7 x € 252,73 = € 1.769,11) niet voor aftrek in aanmerking. Er kan in 2007 niets worden afgetrokken omdat de ontvangen prestatiebeurs hoger is dan de normbedragen. In 2010 is er ook geen aftrek mogelijk omdat de prestatiebeurs is omgezet in een gift.
f. Als e. Alleen staat nu in de definitieve beschikking (2010) dat de prestatiebeurs niet wordt omgezet in een gift.
In 2007 kan niets worden afgetrokken omdat de ontvangen prestatiebeurs hoger is dan de normbedragen (zie bij e). Omdat de prestatiebeurs definitief niet is omgezet in een gift kan de student in 2010 alsnog de normbedragen (euro 1.259,30) aftrekken. Op dit bedrag moet nog wel artikel 6.30 van de Wet IB 2001 worden toegepast. In totaal heeft deze student dan een aftrek genoten van de normbedragen.
g. Als e. Alleen bedragen nu de werkelijke studiekosten € 10.000.
De werkelijke studiekosten bedragen meer dan het tweevoud van de bedragen in de WSF 2000. Op grond van de tweede volzin van het eerste lid van artikel 6.29 van de Wet IB 2001 komen de studiekosten tot het bedrag van de normbedragen € 1.259,30 (7 x € 179,90) niet als scholingsuitgaven in aanmerking. Op grond van het tweede lid van dit artikel komen de scholingsuitgaven tot het bedrag van de ontvangen prestatiebeurs € 1.769,11 (7 x € 252,73) niet voor aftrek in aanmerking. In 2007 kan de student de werkelijke studiekosten minus 1 x de normbedragen minus de ontvangen prestatiebeurs (euro 10.000 minus € 1.259,30 minus € 1.769,11) is € 6.971,59 aftrekken. Op dit bedrag moet nog wel artikel 6.30 van de Wet IB 2001 worden toegepast. In 2010 kan de student niets meer aftrekken omdat de prestatiebeurs is omgezet in een gift.
h. Als e. Alleen bedragen nu de werkelijke studiekosten € 10.000 en staat er in de definitieve beschikking (2010) dat de prestatiebeurs niet wordt omgezet in een gift.
in 2007 kan de student € 6.971,59 aftrekken (zie bij g). Omdat de prestatiebeurs definitief niet is omgezet in een gift kan de student in 2010 alsnog de ontvangen prestatiebeurs (euro 1.769,11) aftrekken. Op dit bedrag moet nog wel artikel 6.30 van de Wet IB 2001 worden toegepast. In totaal heeft deze student dan een aftrek genoten van de werkelijke studiekosten minus 1x de normbedragen.
4.2 Scholingsuitgaven/WSF
Belastingplichtige ontvangt voor het studiejaar 2006/2007 studiefinanciering op grond van de WSF 2000. Omdat hij zijn studie in de avonduren voortzet, heeft hij voor het studiejaar 2007/2008 geen recht meer op WSF 2000. De studiekosten over dat jaar claimt hij als scholingsuitgaven. Moet rekening worden gehouden met de beurs die hij in het (eerste deel van) het belastingjaar 2007 heeft ontvangen?
De studiekosten over de periode januari tot en met augustus 2007 kunnen conform het bepaalde in artikel 6.29 van de Wet IB 2001 in aftrek worden gebracht. De studiekosten over de periode september tot en met december 2007 zijn volledig aftrekbaar, voorzover zij voldoen aan de voorwaarden. De prestatiebeurs heeft immers alleen betrekking op de periode januari tot en met augustus 2007.
4.3 Scholingsuitgaven. Nullening
Indien een student een zogenaamde nullening heeft (dit wil zeggen hij leent na het verstrijken van de voor zijn studie reguliere studieperiode € 0 maar krijgt wel een OV-jaarkaart) zijn dan zijn werkelijke studiekosten of de bedragen van artikel 3.2, eerste lid, aanhef en onderdelen b en c, van de WSF 2000 aftrekbaar? En in welk jaar?
De bedragen van artikel 3.2, eerste lid, aanhef en onderdelen b en c, van de WSF 2000 zijn aftrekbaar. Ook het recht op een lening maakt immers deel uit van het “recht op studiefinanciering”. Het jaar van aftrek is het jaar waarin de uitgaven zijn gedaan. Zie Hoge Raad 9 juli 2004, 38 795 (LJN: AP9646).
4.4 Scholingsuitgaven. Lening eerste studiejaar wordt alsnog gift
Een student heeft in zijn eerste studiejaar studiekosten die lager zijn dan tweemaal de normbedragen. Hij heeft in dat jaar onvoldoende studiepunten behaald. De prestatiebeurs over dat studiejaar wordt dan van rechtswege een lening. Omdat de student binnen de diplomatermijn (10 jaar) met goed gevolg het afsluitend examen heeft afgelegd, vraagt hij (op grond van artikel 5.9 WSF 2000) de IBG de prestatiebeurs over het eerste studiejaar alsnog om te zetten in een gift. De IBG willigt dit verzoek in. Kan de student scholingsuitgaven aftrekken en zo ja, in welk jaar?
De student heeft in het jaar dat hij de uitgaven doet recht op een aftrek van de normbedragen minus de ontvangen prestatiebeurs. Omdat de prestatiebeurs (per maand) van een uitwonende student hoger is dan het normbedrag (per maand) heeft deze student geen aftrekmogelijkheid in het jaar dat hij de uitgaven doet. De thuiswonende student heeft deze aftrekmogelijkheid wel. Dat de lening van rechtswege een lening blijft, leidt er niet toe dat in het jaar van de desbetreffende beschikking van de IBG (in het kalenderjaar volgend op het eerste studiejaar) een aftrekmogelijkheid bestaat. Deze beschikking kan namelijk niet worden aangemerkt als een definitieve beschikking. Ook in het jaar van de definitieve beschikking van de IBG na het behalen van het diploma is geen aftrek mogelijk omdat de lening alsnog is omgezet in een gift. In de meeste gevallen zal de student niet om een dergelijke omzetting met betrekking tot het eerste studiejaar behoeven te verzoeken. De zogenoemde bekostigde opleidingen, de meeste universiteiten en hogescholen, informeren de IBG over het behalen van het diploma. Is er sprake van een instelling die particulier onderwijs verzorgt, dan moet de student de IBG zelf informeren over het behaalde diploma. De IBG zet vervolgens alsnog de lening om in een gift en deelt dit mee aan de student.
4.5 Keuze standaardstudieperiode
Kan de belastingplichtige ten aanzien van een dure opleiding zelf kiezen wat zijn standaardstudieperiode van artikel 6.30, derde lid, van de Wet IB 2001 is?
Ja, deze periode van 16 kalenderkwartalen kan hij zelf kiezen. Uiteraard dient hij bij zijn keuze binnen de kaders van artikel 6.30 van de Wet IB 2001 te blijven.
4.6 Scholingsuitgaven door ouders voorgeschoten
Belastingplichtige volgt een opleiding en wil de kosten daarvan zelf betalen. De kosten van de opleiding worden door de ouders betaald terwijl hij het bedrag schuldig blijft. Bij wie zijn de uitgaven aftrekbaar en in welk jaar?
De scholingsuitgaven zijn aftrekbaar bij belastingplichtige in het jaar waarin de ouders de uitgaven doen. Op het moment van betaling door zijn ouders ontstaat immers een vordering op hem. Zie in dit verband het arrest van de Hoge Raad van 2 juni 2006, nr. 40 297, LJN: AX6372.
4.7 Scholingsuitgaven. Kosten deelname aan congressen
Kunnen de kosten van deelname aan nationale en internationale congressen waarvan deelname uit wetenschappelijk oogpunt gewenst is, als scholingsuitgaven bedoeld in artikel 6.27 van de Wet IB 2001 in aftrek gebracht worden?
Scholingsuitgaven zijn uitgaven van de belastingplichtige voor een door hem zelf gevolgde opleiding of studie met het oog op het verwerven van inkomen uit werk en woning. De uitgaven moeten direct verband houden met het leertraject. Waar er geen sprake is van een opleiding of studie, geen “leertraject”, zijn uitgaven niet aftrekbaar. In de geschetste situatie zal er doorgaans geen sprake zijn van congresbezoek in het kader van het volgen van een opleiding of studie. Aftrek is dan ook niet mogelijk. Vindt, bij uitzondering, het congresbezoek wel plaats in verband met het volgen van een opleiding of studie, dan zijn de kosten van deelname aan het congres zelf - uiteraard exclusief kosten van partnerprogramma, nevenactiviteiten en dergelijke - wel aftrekbaar. Ook in dat geval zijn de kosten van de met het congres samenhangende reis- en verblijfkosten niet aftrekbaar op grond van artikel 6.28, eerste lid, aanhef en onderdeel c, Wet IB 2001.
4.8 Scholingsuitgaven. Lidmaatschapskosten van beroeps- of wetenschappelijke verenigingen
Kunnen de lidmaatschapskosten van beroeps- of wetenschappelijke verenigingen die noodzakelijk dan wel gewenst zijn voor de beroepsuitoefening als scholingsuitgaven in aftrek worden gebracht indien en voorzover de werkgever deze kosten niet vergoed?
Lidmaatschapskosten van beroeps- en wetenschappelijke verenigingen kunnen niet worden aangemerkt als scholingsuitgaven. Zij zijn derhalve niet aftrekbaar, zelfs als de desbetreffende uitgaven noodzakelijk of gewenst zouden zijn voor de beroepsbeoefening. Het kan uiteraard anders komen te liggen indien de lidmaatschapskosten nodig zijn voor het volgen van de studie of het schrijven van een proefschrift.
4.9 Personal computer (pc)
Belastingplichtige volgt een studie met het oog op het verwerven van inkomen uit werk en woning. Hij heeft geen recht op studiefinanciering op grond van de WSF 2000. Voor zijn studie is een pc onontbeerlijk. Zijn deze kosten aan te merken als scholingsuitgaven en hoe worden deze kosten berekend?
De Hoge Raad heeft in het arrest van 31 maart 1993, nr. 29 038 (BNB 1993/170), aangegeven dat de als studiekosten aan te merken afschrijvingskosten van een pc voor het volle bedrag kunnen worden gerekend tot de uitgaven in de zin van het toenmalige artikel 46, lid 1, onderdeel c, van de Wet IB 1964, voorzover zij in de gegeven omstandigheden redelijkerwijs plegen te worden gemaakt en niet louter op persoonlijke voorkeur berusten. In navolging van dit arrest kan op grond van de artikel 6.27 en volgende van de Wet IB 2001 het afschrijvingsbedrag van de pc, inclusief toebehoren en randapparatuur, dat betrekking heeft op het desbetreffende jaar als scholingsuitgaven worden aangemerkt. Dit afschrijvingsbedrag kan als volgt worden berekend:
- de afschrijvingstermijn wordt gesteld op 3 jaar (lineair);
- voor de berekening van de afschrijving dient rekening te worden gehouden met een restwaarde van 10%.
Bij aanschaf van een tweedehands pc kan deze berekeningswijze ook worden toegepast. Is de pc bij aanschaf tenminste een jaar oud, dan kan evenwel van een afschrijvingstermijn van twee jaar worden uitgegaan. Met betrekking tot de toetsing aan het redelijkheidscriterium geldt dat bij pc's met een aanschafprijs onder de € 3.176 het aannemelijk kan worden geacht dat hieraan reeds invulling is gegeven. Daarboven moet het redelijkheidscriterium individueel worden getoetst. Uiteraard kan aftrek, met inachtneming van de in artikel 6.30 van de Wet IB 2001 genoemde bedragen, alleen worden verleend indien en voorzover de pc voor opleidings- en/of studiedoeleinden (in de zin van artikel 6.27 van de Wet IB 2001) wordt gebruikt en tevens wordt voldaan aan de voorwaarden die de Hoge Raad in bovenvermeld arrest heeft geformuleerd.
4.10 Promotiekosten
Een belastingplichtige is gepromoveerd. Hij heeft hierdoor zijn financieel-economische positie verbeterd. Hij heeft voor de promotieplechtigheid gelegenheidskleding voor hemzelf en voor de paranimfen gehuurd. De kosten hiervan heeft hij betaald. Aansluitend op deze plechtigheid heeft hij een receptie gehouden. Ook deze kosten hebben op hem gedrukt. Zijn de kosten van de huur van de gelegenheidskleding en van de receptie aftrekbaar als scholingsuitgaven?
Ja. De kosten van de huur van gelegenheidskleding voor hemzelf en voor de paranimfen en van de aan de promotieplechtigheid aansluitende receptie zijn kosten die zijn verbonden aan de promotie als academische plechtigheid. Zij vloeien direct voort uit het afsluiten van het leertraject. Het gaat hier niet om uitgaven die verband houden met het levensonderhoud van belastingplichtige, zoals genoemd in artikel 6.28, eerste lid, aanhef en onderdeel a, van de Wet IB 2001. Die uitgaven zijn uitgezonderd omdat zij veelal een gemengd karakter hebben.
4.11 Toetsing dure studie bij vooruitbetaalde kosten
Een belastingplichtige begint in september 2007 een HBO opleiding waarvoor hij recht heeft op studiefinanciering op grond van de WSF 2000. In principe mag hij voor de scholingsuitgaven het bedrag van de normbedragen voor boeken en leermiddelen en voor de onderwijsbijdrage aftrekken verminderd met de onbelaste prestatiebeurs. Als de scholingsuitgaven hoger zijn dan tweemaal de normbedragen is sprake van een “dure studie”. In dat geval mag belastingplichtige het bedrag aftrekken van de werkelijke scholingsuitgaven minus éénmaal de normbedragen (artikel 6.29, tweede lid, tweede volzin, Wet IB 2001).De belastingplichtige betaalt bij aanvang van de opleiding de kosten van collegegeld en boeken van het gehele komende studiejaar 2007/2008 vooruit. Het vooruitbetaalde bedrag is hoger dan tweemaal de normbedragen van september tot en met december 2007. Kan de belastingplichtige op grond van deze berekening in aanmerking komen voor de regeling voor dure studies?
Nee, belastingplichtige kan op grond van deze berekening niet in aanmerking komen voor de regeling voor dure studies. Om te beoordelen of de regeling voor dure studies van toepassing is, moet belastingplichtige rekening houden met tweemaal de normbedragen over de gehele studieperiode waarop de totale (vooruitbetaalde) scholingsuitgaven betrekking hebben. De regeling van artikel 6.29, tweede lid, tweede volzin, van de Wet IB 2001 is in het leven geroepen om een fiscale tegemoetkoming te verstrekken aan studenten die een dure studie volgen. Het maakt niet uit of de kosten gespreid over het studiejaar danwel ineens bij wijze van vooruitbetaling zijn voldaan. Dit sluit aan bij het antwoord op vraag 1.8 (over een vooraf betaalde bijdrage in het levensonderhoud). Verder sluit dit aan bij de bepaling van de normbedragen voor de WSF 2000. De normbedragen van de WSF 2000 zijn gerelateerd aan de kosten van de studieperiode en zijn opgebouwd uit zowel maandelijkse kosten als uit kosten die op de hele studieperiode betrekking hebben, zoals collegegeld.
5. Zorgverzekering en buitengewone uitgaven
5.1 Feitelijk ontvangen zorgtoeslag
Belastingplichtige betaalt in 2007 premie voor zijn zorgverzekering. In 2007 ontvangt hij een voorschot voor de zorgtoeslag 2007 van € 300. Daarnaast ontvangt hij in 2007 een bedrag van € 403 voor de zorgtoeslag over 2006. Voor de berekening van de buitengewone uitgaven 2007 moet belastingplichtige de standaardpremie 2007 (euro 1.059) verminderen met de zorgtoeslag. Hoeft hij dan alleen rekening te houden met de € 300 zorgtoeslag over 2007?
Nee, het gaat om de feitelijk in 2007 ontvangen zorgtoeslag en niet alleen om de zorgtoeslag over 2007. Belastingplichtige heeft in 2007 een bedrag van € 703 aan zorgtoeslag ontvangen. Dit bedrag komt in mindering op de standaardpremie 2007.
5.2 Zorgtoeslag werd betaald aan ander
De zorgtoeslag 2007 van belastingplichtige wordt op zijn verzoek uitbetaald op het rekeningnummer van zijn zorgverzekeraar. Moet belastingplichtige bij de berekening van zijn buitengewone uitgaven over 2007 met het in 2007 aan de zorgverzekeraar uitbetaalde bedrag rekening houden?
Ja, belastingplichtige moet bij de berekening van zijn buitengewone uitgaven over 2007 rekening houden met het in 2007 aan de zorgverzekeraar uitbetaalde bedrag van de zorgtoeslag. Ontvangen en terugbetaalde zorgtoeslag moet in aanmerking worden genomen door degene ten gunste van wie de zorgtoeslag is uitbetaald.
5.3 Ontvangen zorgtoeslag hoger dan in aanmerking te nemen standaardpremie
Belastingplichtige en zijn echtgenote hebben abusievelijk beiden zorgtoeslag aangevraagd en zij hebben in 2007 samen € 2.446 ontvangen. Tweemaal de standaardpremie voor 2007 is € 2.118. De in 2007 ontvangen zorgtoeslag is € 328 hoger dan het bedrag dat de partners in aanmerking mogen nemen voor de standaardpremie. Moet dit bedrag in mindering worden gebracht op de overige buitengewone uitgaven?
Nee, het verschil tussen de beide bedragen vermindert de overige buitengewone uitgaven niet. Op grond van artikel 6.18, eerste lid, aanhef en onderdeel b, van de Wet IB 2001 wordt alleen het bedrag van de standaardpremie verminderd met de zorgtoeslag. Het past dan niet om een hogere zorgtoeslag in mindering te brengen op andere buitengewone uitgaven. Dit past evenmin in de toepassing van het criterium dat buitengewone uitgaven moeten drukken (artikel 6.1, eerste lid, aanhef en onderdeel a, van de Wet IB 2001). De zorgtoeslag is een tegemoetkoming in de uitgaven voor de premie voor een zorgverzekering. De zorgtoeslag is niet bedoeld als tegemoetkoming voor andere buitengewone uitgaven. Om die reden hoeft het resterende deel van de zorgtoeslag van € 328 niet in mindering te komen op de overige uitgaven.
Het resterende deel van de zorgtoeslag is evenmin aan te merken als negatieve buitengewone uitgave in de zin van artikel 3.139 van de Wet IB 2001.
5.4 Terugbetaalde zorgtoeslag
Belastingplichtige moet in 2007 een bedrag van € 300 terugbetalen voor de zorgtoeslag 2006. Hij betaalt dit bedrag ook daadwerkelijk terug in 2007. In 2007 ontvangt belastingplichtige geen zorgtoeslag meer. Mag belastingplichtige het terugbetaalde bedrag in aanmerking nemen als buitengewone uitgaven?
Ja, belastingplichtige mag het terugbetaalde bedrag van € 300 in aanmerking nemen bij het berekenen van de buitengewone uitgaven in 2007.
5.5 Toeslagpartners niet fiscaal partner
Belastingplichtige woont heel 2007 ongehuwd samen. Belastingplichtige en zijn huisgenoot betalen beide hun eigen premie zorgverzekering. Voor de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen zijn belastingplichtige en zijn huisgenoot elkaars toeslagpartner. Belastingplichtige vraagt de zorgtoeslag aan. Zijn huisgenoot heeft hierdoor geen recht meer op zorgtoeslag. Belastingplichtige ontvangt in 2007 een (voorschot op de) zorgtoeslag van € 150. Hoe moeten de samenwoners deze toeslag in hun aangifte inkomstenbelasting verwerken?
Er zijn twee situaties mogelijk.
a. Belastingplichtige en zijn huisgenoot, kiezen voor fiscaal partnerschap. De buitengewone uitgaven, waaronder standaardpremie en zorgtoeslag, worden dan samengeteld en de partners mogen het resultaat vrij toerekenen.
b. Belastingplichtige en degene met wie hij samenwoont, kiezen niet voor fiscaal partnerschap. Belastingplichtige moet op zijn standaardpremie het bedrag van de totale door hem ontvangen zorgtoeslag (euro 150) in mindering brengen. De ontvangen zorgtoeslag wordt dus niet verdeeld over de toeslagpartners. De huisgenoot hoeft met betrekking tot die zorgtoeslag niets in mindering te brengen op zijn standaardpremie.
5.6 Zorgverzekeringswet en aftrek buitengewone uitgaven
Belastingplichtige is gehuwd en alleenverdiener. Hij heeft in 2007 alleen inkomsten uit dienstbetrekking van € 60.000. Belastingplichtige en zijn echtgenote hebben geen recht op zorgtoeslag. Belastingplichtige heeft een studerende dochter die jonger is dan 27 jaar. Deze dochter heeft een prestatiebeurs, geen inkomen en krijgt in 2007 zorgtoeslag (euro 432). Belastingplichtige betaalt de premie voor de zorgverzekering (basis en aanvullende) voor hemzelf, zijn echtgenote en deze dochter. Wat mag hij voor de zorgverzekering als buitengewone uitgaven in aanmerking nemen?
Hij mag de volgende posten als buitengewone uitgaven in aanmerking nemen:
- de standaardpremie (euro 1.059) voor hemzelf en zijn echtgenote;
- de standaardpremie voor zijn dochter (euro 1.059) minus de door die dochter ontvangen zorgtoeslag (euro 432);
- de premies (maximaal 12 maanden) voor de aanvullende verzekering voor hemzelf, zijn echtgenote en zijn dochter;
- de inkomensafhankelijke bijdrage van € 1.990 (6,5% van € 60.000; maximaal € 1.990) die op zijn loon is ingehouden.
5.7 Ingehouden inkomensafhankelijke bijdrage kind
Kan een ouder de inkomensafhankelijke bijdrage, die op het loon van zijn 24-jarige kind wordt ingehouden, in aanmerking nemen als buitengewone uitgave?
Nee, de ouder kan de inkomensafhankelijke bijdrage die op het loon van zijn kind wordt ingehouden niet in aanmerking nemen als buitengewone uitgaven. De uitgaven voor de inkomensafhankelijke bijdrage van het kind drukken niet op de ouder.
5.8 Aftrek drukkende inkomensafhankelijke bijdrage
Belastingplichtige, 60 jaar, is heel 2007 in dienstbetrekking werkzaam. Hij verdient in 2007 € 28.000. Verder heeft hij in dat jaar een nabestaandenpensioen van € 8.000. Zijn bijdrage-inkomen voor de zorgverzekeringswet is € 28.000 (loon) + € 8.000 (Anw). Het totale bijdrage-inkomen is hoger dan € 30.623. De inkomensafhankelijke bijdrage die in 2007 is ingehouden, bedraagt respectievelijk € 1.820 en € 352. Totaal € 2.172. Welk bedrag mag hij in 2007 ter zake van de inkomensafhankelijke bijdrage als buitengewone uitgaven in aanmerking nemen?
Om te bepalen welk bedrag belastingplichtige in aanmerking mag nemen, moet eerst worden gekeken wat belastingplichtige in 2007 daadwerkelijk heeft betaald. Belastingplichtige heeft in 2007 een bedrag van € 2.172 betaald. Om het maximumbedrag te berekenen, wordt eerst bepaald over welk bijdrage-inkomen 6,5% inkomensafhankelijke bijdrage moet worden betaald. Dat is over € 28.000. De inkomensafhankelijke bijdrage is dan € 1.820. Over maximaal € 30.623 min € 28.000 is 4,4% inkomensafhankelijke bijdrage verschuldigd. Dat is over € 2.623. Die inkomensafhankelijke bijdrage is dan € 115. De totale inkomensafhankelijke bijdrage is dan € 1.935. Dit is het bedrag dat belastingplichtige als buitengewone uitgaven in aanmerking mag nemen. Er is namelijk nimmer meer verschuldigd. Het verschil tussen € 2.172 en € 1.935 drukt daarom niet. Voor de teveel ingehouden inkomensafhankelijke bijdrage bestaat een teruggaafregeling. Indien belastingplichtige (of zijn werkgever) deze teruggaaf in een later jaar ontvangt, beïnvloedt dit de buitengewone uitgaven over dat jaar niet. Ook hoeft belastingplichtige geen bedrag in aanmerking te nemen als negatieve buitengewone uitgaven in de zin van artikel 3.139 van de Wet IB 2001.
5.9 Zorgverzekeringswet en aftrek buitengewone uitgaven verdragsgerechtigden
Belastingplichtige en zijn echtgenote wonen in Frankrijk. Belastingplichtige heeft een pensioen uit Nederland. Belastingplichtige heeft geen pensioen uit Frankrijk. Belastingplichtige en zijn echtgenote zijn niet verzekerd voor de AWBZ en dus niet verzekeringsplichtig voor de Zorgverzekeringswet. Op grond van de internationale regelingen hebben belastingplichtige en zijn echtgenote in Frankrijk recht op medische zorg ten laste van Nederland. Tegenover dit recht op medische zorg staat dat zij een bijdrage verschuldigd zijn. Zij hebben eventueel recht op zorgtoeslag (afhankelijk van het inkomen). Belastingplichtige en zijn echtgenote hebben zich gemeld bij het CVZ en betalen aan het CVZ een bijdrage op grond van artikel 69 van de Zorgverzekeringswet. Voor belastingplichtige zelf bestaat de bijdrage Zorgverzekeringswet uit drie componenten:
- de vaste bijdrage (voor 2007: € 88,25 per maand);
- de inkomensafhankelijke bijdrage Zorgverzekeringswet;
- de inkomensafhankelijke bijdrage AWBZ.
Voor zijn echtgenote moet de vaste bijdrage worden betaald. De uiteindelijke hoogte van de totale bijdrage is afhankelijk van de zogenoemde woonlandfactor (voor Frankrijk is die factor in 2007: 0,6935; Staatscourant, 6 december 2006, nr. 238). Na afloop van het jaar stuurt het CVZ belastingplichtige een eindafrekening. De eindafrekening kan ertoe leiden dat belastingplichtige nog een bedrag moet betalen of een bedrag terugkrijgt.
Belastingplichtige en zijn echtgenote kiezen voor behandeling als binnenlands belastingplichtige in de in van artikel 2.5 van de Wet IB 2001. Wat zijn de consequenties van de betaalde bijdragen en de ontvangen zorgtoeslag voor de aftrek buitengewone uitgaven?
De door de belastingplichtige betaalde bijdragen zijn aftrekbaar als buitengewone uitgaven. Het gaat dan om alle drie de componenten: de vaste bijdrage, de inkomensafhankelijke bijdrage Zorgverzekeringswet en de inkomensafhankelijke bijdrage AWBZ. Daarbij is nog wel van belang wat in het betreffende jaar daadwerkelijk is betaald en in hoeverre deze betaling "drukt" op belastingplichtige. Als namelijk recht op teruggaaf bestaat omdat de ingehouden bijdrage te hoog is, drukt de bijdrage in zoverre niet en bestaat ook geen recht op aftrek.
Bij de berekening van de buitengewone uitgaven moet in principe rekening worden gehouden met de zorgtoeslag waarop de belastingplichtige over het betreffende jaar recht heeft. Om praktische redenen kan echter worden volstaan met de zorgtoeslag die de belastingplichtige in het betreffende jaar heeft ontvangen. De zorgtoeslag komt in mindering op het bedrag van de vaste bijdrage.
6. Ingetrokken regeling(en)
Het besluit van 14 februari 2008, nr. CPP2007/3175M is ingetrokken met ingang van de inwerkingtreding van dit besluit.
7. Inwerkingtreding (en vervaldatum)
Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst.
Dit besluit zal in de Staatscourant worden geplaatst.
Den Haag, 28 oktober 2009.
De staatssecretaris van Financiën,
mr.drs. J.C. de Jager.