Doorstroom leraren primair onderwijs naar voortgezet onderwijs
Behoefteonderzoek onder scholen, schoolbesturen en leraren primair onderwijs
De arbeidsmarkt in het primair en voortgezet onderwijs is nu kwantitatief in evenwicht. De verwachting is dat de arbeidsmarkt voor het primair onderwijs (po) ook de komende jaren vrijwel in evenwicht blijft. Voor het voortgezet onderwijs (vo) wordt in de onderwijsarbeidsmarktramingen wel een aanzienlijk tekort voorzien. Als de economie tot 2010 sterk aantrekt, kan het tekort aan leerkrachten daar zelfs oplopen tot circa 5 procent van het totaal aantal banen in 2010.
Amendement-De Vries
Dankzij het amendement-De Vries is eenmalig euro 5 miljoen beschikbaar om gedurende het schooljaar 2007-2008 200 leraren primair onderwijs via de weg van zijinstroom in het beroep door te laten stromen naar scholen in het voortgezet onderwijs. De doorstroom van leraren draagt positief bij aan het voorkomen van de tekorten in het voortgezet onderwijs. Tevens ontstaat er binnen het po meer ruimte voor de instroom van netafgestudeerde leraren.
Aanbod voor schoolbesturen voortgezet onderwijs
Per persoon die is opgeleid als docent po en als zij-instromer in het beroep les wil geven in het vo, wordt euro 25.000 (voor loonverlet, scholing en begeleiding) beschikbaar gesteld. De leraar wordt na een geschiktheidsonderzoek als zij-instromer in het beroep aangesteld op basis van een scholings- en begeleidingsovereenkomst tussen leraar, school en opleiding. De leraar krijgt twee jaar de tijd om zijn/haar volledige bevoegdheid voor de nieuwe functie te behalen. De middelen mogen worden uitgegeven in het schooljaar 2007- 2008.
Voorafgaand aan de aanvragen en de toekenning van de gelden aan de scholen voor
voortgezet onderwijs wilde het ministerie van OCW zicht krijgen op drie zaken:
- de interesse van leraren po om door te stromen naar het voortgezet onderwijs;
- de behoefte van vo-scholen en -schoolbesturen om leraren po via de weg van zijinstroom op te nemen binnen de school en;
- de bereidheid van po-scholen en -schoolbesturen om medewerking te verlenen aan
de doorstroom van leraren naar het voortgezet onderwijs.
Om dit zicht te bieden, is maart – april een onderzoek uitgevoerd onder de drie betrokken groepen:
- leraren in het primair onderwijs;
- scholen en besturen in het voortgezet onderwijs;
- scholen en besturen in het primair onderwijs.
In totaal hebben bijna 1.900 leraren in het primair onderwijs via een internetvragenlijst aan het onderzoek meegewerkt. Ruim 850 scholen en 200 besturen in het primair onderwijs zijn telefonisch bevraagd, evenals bijna 150 scholen en ruim 100 besturen in het voortgezet onderwijs. De keuze van de scholen en besturen beperkte zich tot de regio’s die niet eerder in een onderzoek rond de motie-Dittrich waren benaderd.
De leraren
Van de leraren in het primair onderwijs weet 29 procent dat het in principe mogelijk is in het voortgezet onderwijs te gaan werken als zij-instromer in het beroep waarbij de betreffende vo-school subsidie krijgt. Van de directeuren in het primair onderwijs kennen bijna drie op de vijf deze mogelijkheid. De belangrijkste informatiebron daarvoor zijn de media. Schoolleiding, schoolbestuur en voorlichtingsbijeenkomsten zijn beduidend minder belangrijk.
De helft van de leraren heeft wel eens de gedachte gehad in het voortgezet onderwijs te gaan werken, en van de directeuren is dat ruim 40 procent. Aantrekkelijk lijkt het hen onder andere dat ze een beter salaris krijgen, dat de leerstof interessanter is, dat het leuk is een of twee vakken te geven. Bovendien spreekt de leeftijd van de kinderen hen aan. Ze willen echter niet zonder meer overstappen. De meesten willen dat hun rechtspositie niet aangetast wordt. Dat blijkt uit het feit dat ze wel meteen een vaste aanstelling willen en het aantal dienstjaren willen behouden in verband met de ontslagvolgorde. Mocht het ze niet bevallen dan moeten ze de mogelijkheid hebben om terug te keren op hun oude werkplek.
Na uitleg over de regeling in het kader van het amendement-De Vries, is bij leraren en directeuren de bereidheid gepeild het komend schooljaar de overstap naar het voortgezet onderwijs te maken. Van de leraren geeft 4 procent aan zeker een overstap te willen maken en 18 procent misschien. Bij de directeuren is dat respectievelijk 1 en 6 procent. Tussen provincies zijn er wel wat verschillen in de bereidheid over te stappen. In Groningen en Limburg is die bereidheid relatief groot, en in Friesland, en Gelderland juist relatief klein.
De belangrijkste reden om de overstap niet te maken is dat de huidige baan prima bevalt, het in het primair onderwijs leuk is om te werken, met name ook met een eigen groep. Bijna 30 procent is van mening dat een tijdelijke aanstelling te veel onzekerheid geeft en voert dat aan als een belangrijke reden om niet over te stappen. Degenen die (misschien) wel de overstap willen maken vinden het vooral een mooie kans om zich verder te ontwikkelen en daarnaast vinden ze het leuk om een vak te geven, om met oudere leerlingen te werken en met verschillende groepen. Als bijkomend voordeel wordt het hogere salaris gezien.
Het vooruitzicht vermoedelijk een tijdelijke aanstelling te krijgen en geen terugkeergarantie te hebben zijn factoren die de bereidheid om over te stappen duidelijk verminderen. Voor ruim 40 procent van degenen die (misschien) over willen stappen, zijn dat redenen om het uiteindelijk niet te doen.
Degenen die in het voortgezet onderwijs willen werken hebben in meerderheid een voorkeur voor de onderbouw van havo en vwo (bijna 60%) gevolgd door het vmbo-t (49%). Voor de rest van het vmbo en het praktijkonderwijs spreekt een derde een voorkeur uit. Nederlands is duidelijk het meest favoriete vak (56%), op afstand gevolgd door geschiedenis (30%), aardrijkskunde (22%), Engels (22%) en biologie (19%). Voor vakken als natuur- en scheikunde en voor Duits en Frans is de belangstelling gering. Het idee achter het amendement-De Vries om vo-scholen in lpa-gebieden met voorrang de mogelijkheid te bieden van de maatregel gebruik te maken, levert bij de meeste leraren die willen overstappen geen probleem op. Voor bijna 60 procent van hen speelt de leerlingenpopulatie geen rol, bijna 10 procent vindt een school met relatief veel achterstandsleerlingen juist aantrekkelijk.
Bijna 60 procent van degenen die (misschien) willen overstappen wil in het voortgezet onderwijs een gelijke betrekkingsomvang als in het primair onderwijs. Bijna een op de vijf wil een uitbreiding. De meesten hebben overigens een aanstelling van tenminste 0,8 fte. De omvang van de eigen tijdsinvestering voor studie is voor de helft geen probleem. De meesten zijn bereid een kwartier tot een half uur langer onderweg te zijn van thuis naar school vice versa.
Scholen en besturen primair onderwijs
De meeste directeuren en besturen in het primair onderwijs vinden het een goede zaak dat leraren vanuit het po kunnen doorstromen naar het voortgezet onderwijs. Als het gaat om doorstroom vanuit de eigen school/scholen is men duidelijk minder positief. Gevraagd naar of er leraren binnen hun eigen scholen zijn die de overstap het komend schooljaar zouden willen maken, denkt 7 procent van de directeuren en 9 procent van de besturen dat er inderdaad mogelijke kandidaten zijn. Besturen die zowel po- als vo-scholen hebben zijn in dit opzicht positiever (25%).
Het aantal leraren dat er voor in aanmerking komt bedraagt uitgaande van de opgaaf van de directeuren in de onderzochte regio’s bijna 500 maar volgens de besturen niet meer dan een kwart hiervan. Hierbij dient wel opgemerkt te worden dat de besturen vaak aangeven geen beeld te hebben wie geschikte kandidaten zouden zijn. Het betreft hier overigens alleen de niet-Dittrich-regio’s en ongeveer 40 procent van alle basisscholen in Nederland. Extrapolerend naar alle basisscholen zouden uitgaande van de directeuren landelijk ruim 1.200 leraren in het primair onderwijs bereid zijn over te stappen naar het voortgezet onderwijs. Dat is ruim voldoende om de 200 in het kader van het amendement-De Vries te werven.
Voor de loopbaanmogelijkheden van de individuele leraren hebben de directeuren en besturen wel oog, maar tegelijkertijd uiten ze de angst dat door de doorstroom er nog minder mannen in het po werken dan nu. De meesten zijn niet bang de beste leraren kwijt te raken of problemen te krijgen bij de opvolging van de directeur. Als voordeel zien de meesten nog wel de mogelijkheid om de teams te verjongen en verwachten ze niet met onvervulbare vacatures te komen zitten.
Voor het voortgezet onderwijs zijn in hun ogen de leraren uit het po een aanwinst. De meeste directeuren en besturen zijn van plan al hun leraren op de doorstroommogelijkheden te wijzen. Een grote uitzondering op het geheel vormen de besturen in Flevoland; die zijn in dezen veel terughoudender. Een extra stimulering tot het maken van de overstap blijft vrijwel overal achterwege.
Een terugkeergarantie is zoals hierboven werd aangegeven voor veel leraren een belangrijke voorwaarde om de overstap te maken. De directeuren en besturen voelen hier in overgrote meerderheid echter niets voor. De helft van de besturen met po- en vo-scholen is wel bereid zo’n garantie te geven.
Scholen en besturen in het voortgezet onderwijs
De meeste scholen en besturen in de onderzochte gebieden hebben het komend schooljaar vacatures voor leraren. Ruim de helft van hen is bereid in deze vacatures leraren uit het primair onderwijs als zij-instromer te benoemen. In totaal zouden afgaande op wat de directeuren van de vo-scholen zeggen, zo’n 117 fte van deze vacatures zeker met een doorstromer vervuld kunnen worden, en een vrijwel gelijk aantal (122 fte) misschien. Aangezien het onderzoek slechts betrekking heeft op de niet-Dittrichregio’s, en in andere regio’s ook belangstelling is om doorstromers vanuit het po te benoemen, moet het geen probleem zijn om de 200 plaatsen die in het kader van het amendement-De Vries aanwezig zijn, bij de scholen weggezet te krijgen. Buiten de onderzochte regio’s zijn namelijk ongeveer even veel scholen.
De doorstromers zijn volgens de directeuren en besturen het best in te zetten voor Nederlands, geschiedenis en aardrijkskunde, hetgeen in lijn is met wat de leraren zelf hebben aangegeven. De doorstromers zijn volgens de directeuren in principe in elk schoolsoort inzetbaar, met een lichte voorkeur voor het vmbo en het praktijkonderwijs. Ongeveer een achtste van de aanstellingsomvang mag besteed worden aan scholing en het geven van begeleiding wordt niet als een probleem gezien. Directeuren en besturen die voor doorstromers kiezen staan hier uiteraard positief tegenover. In hun ogen biedt de overstap loopbaanmogelijkheden voor de po-leraren.
De brede pedagogisch-didactische ervaring maakt po-leraren bij uitstek geschikt om in het vo te gaan werken. De premie van euro 25.000 wordt door de meesten als een extra stimulans gezien om het komend schooljaar doorstromers te benoemen.
Men schat in dat de doorstroom een bijdrage levert aan het kleiner maken van lerarentekort. De werving van de doorstromers zal niet in alle gevallen actief gebeuren. Een deel wacht af of belangstellenden zich melden. Als scholen/besturen actief gaan werven gebeurt dat met name via advertenties. Eenderde van de scholen en eenzesde van de besturen is van plan de werving via po-scholen in de regio te doen. Besturen met zowel po-scholen als vo-scholen willen de vacatures zo veel mogelijk via interne sollicitaties opvullen. Scholen en besturen die geen doorstromers willen staan niet zo positief tegenover de po-leraren. Ze zouden onvoldoende vakkennis hebben, te weinig motivatie. Bovendien zouden ze te veel begeleiding vragen. Voor een deel weten ze dit uit ervaring, zo stellen ze.
Conclusie
Het geheel overziend blijken er voldoende belangstellenden te zijn om de overstap naar het voortgezet onderwijs in het kader van amendement-De Vries te maken. Als 4 procent in principe bereid is, gaat het om in totaal ruim 5.000 belangstellenden. Naar schatting haakt de helft af op een tijdelijke aanstelling en het ontbreken van een terugkeergarantie. Er resteert dan een aantal van circa 2.500. Een voldoende aantal om de 200 plaatsen te vullen die binnen de maatregel in het kader van het amendement-De Vries beschikbaar zijn. Belangrijk is echter bij de selectie rekening te houden met voorkeuren voor schoolsoort, het te geven vak en de leerlingen-populatie. Dat zou er toe kunnen leiden dat niet elke leraar die wil overstappen als zij-instromer aan de slag kan op de school bij hem of haar in de buurt, omdat daar geen vacature is op de gewenste schoolsoort, vak of populatieleerlingen.
Po-directeuren en -besturen staan niet negatief staan tegenover de doorstroom-mogelijkheden, en willen daarvoor breed reclame maken. Alleen verwachten de meesten van hen dat er weinig kandidaten zijn. Dat valt echter hard mee als we de verwachte aantallen bekijken. Landelijk zou het gaan om 1.200 leraren die de overstap zouden willen maken. Vermoedelijk zijn de directeuren wat aan de voor-zichtige kant.
De scholen en besturen in het voortgezet onderwijs zien ook voldoende mogelijk-heden voor de overstap van leraren in het primair onderwijs naar het voorgezet onderwijs. Er zijn het komend schooljaar voldoende vacatures en tussen 10 en 20 procent daarvan zou met leraren uit het primair onderwijs vervuld kunnen worden. Landelijk zou het dan gaan om zo’n 225 tot 450 fte. De doorstromers kunnen vooral ingezet worden voor Nederlands, aardrijkskunde en geschiedenis, en eigenlijk wel in elk schoolsoort, met een nadruk op vmbo en praktijkonderwijs. De subsidie van euro 25.000 wordt daarbij als een belangrijke stimulans gezien.
Kortom, het moet haalbaar zijn 200 leraren uit het primair onderwijs als zij-instromer door te laten stromen naar het voortgezet onderwijs en op die manier een bijdrage te leveren aan verkleining van het lerarentekort in het vo. Er is landelijk voldoende aanbod van belangstellenden en voldoende vraag bij de scholen, maar het is niet uitgesloten dat het in de ene regio makkelijker zal zijn om de doorstroom te realiseren dan in de andere. Niet in elke regio is de bereidheid bij de scholen en besturen even groot en bij de leraren varieert de mate van belangstelling ook tussen de provincies.