Beroepsgericht mbo-onderwijs
Studenten die na het mbo aan de slag gaan, moeten over allerlei kennis, vaardigheden en competenties beschikken. Ze moeten bijvoorbeeld kunnen samenwerken, met computers en internet overweg kunnen, in staat zijn om verkoopgesprekken te voeren of weten hoe ze met patiënten omgaan.
De Wet beroepsgericht onderwijs is op 1 januari 2012 in werking getreden. Dat
betekent dat alle regionale opleidingscentra (roc's), agrarische
opleidingscentra (aoc's) en vakscholen vanaf 1 augustus 2012 onderwijs geven op
basis van
beroepsgerichte
kwalificaties. Studenten leren niet alleen de theorie die bij hun opleiding
hoort, maar leren ook hoe ze in bepaalde situaties moeten handelen.
Doel beroepsgericht mbo-onderwijs
In het beroepsgerichte onderwijs zijn de diploma-eisen van het mbo beschreven in kwalificatiedossiers. Op basis van deze kwalificaties maken scholen hun opleidingsprogramma's.
Doel van de beroepsgerichte kwalificatiestructuur is om de aansluiting tussen het mbo en de arbeidsmarkt te verbeteren en de doorstroom naar het hoger beroepsonderwijs (hbo) te vergroten. Zo moet het voor mbo-studenten aantrekkelijker worden om onderwijs te (blijven) volgen.
Invoering beroepsgericht onderwijs mbo
Tot 1 augustus 2012 is het voor instellingen nog mogelijk om opleidingen aan te bieden op basis van de huidige kwalificaties (zogenaamde eindtermendocumenten).
Studenten die op 1 augustus 2012 starten met een mbo-opleiding doen dit dus op basis van beroepsgerichte kwalificaties. Studenten die vóór het studiejaar 2012/2013 zijn gestart kunnen hun opleiding gewoon afmaken op basis van eerder vastgestelde eindtermendocumenten of experimentele kwalificatiedossiers.
De Inspectie van het Onderwijs (Onderwijsinspectie) houdt toezicht op de kwaliteit van het onderwijs en de examens.
Competentiegericht onderwijs
Beroepsgericht onderwijs werd voorheen ook wel competentiegericht onderwijs (cgo) genoemd.