Moderne biotechnologie
Biotechnologie is een verzamelnaam voor technieken waarbij organismen (zoals planten, dieren, schimmels, bacteriën of virussen) of delen van organismen worden gebruikt voor levensmiddelen, diervoeders, medicijnen of (nieuwe) producten.
Biotechnologie bestaat al eeuwen. Klassieke voorbeelden van biotechnologie zijn kaas (gemaakt met bacteriën en schimmels), brood en bier (gemaakt met gist). Biotechnologie wordt vaak in één adem genoemd met genetische modificatie, genetische manipulatie of gentechnologie. Dit zijn vormen van moderne biotechnologie.
Genetische modificatie
Met genetische modificatie kunnen onderzoekers het genetisch materiaal van
organismen veranderen op een manier die niet in de natuur voorkomt. Zo kan een
plant genetisch materiaal van een andere plant krijgen, maar ook een gen van een
bacterie. Het resultaat is een
genetisch gemodificeerd
organisme; afgekort ggo.
Mogelijkheden van ggo’s
Door genetisch gemodificeerde organismen (ggo) kan de industrie duurzamer gaan produceren. Met ggo’s kan voedsel langer houdbaar blijven en meer vitaminen bevatten. En dankzij ggo’s kunnen ziektes die onbehandelbaar leken toch worden genezen. Ggo’s hebben voordelen voor de industrie, de landbouw en de gezondheidszorg. Ook voor het milieu en de economie biedt biotechnologie kansen. Het Rijk wil die kansen niet onbenut laten, maar alleen als de veiligheid voor mens en milieu niet in gevaar komt.
Aanvragen vergunning ggo
Wie wil werken met ggo’s in Nederland moet een aanvraag voor een vergunning
indienen bij het ministerie van Infrastructuur en Milieu (IenM). IenM beoordeelt
of de werkzaamheden veilig zijn en of er extra veiligheidsmaatregelen nodig
zijn. Alleen als het veilig is verleent IenM de vergunning.
De Commissie Genetische
Modificatie (COGEM), adviseert IenM. Voor toepassingen in de gezondheidszorg
en bij dieren zijn extra vergunningen nodig.
Medisch onderzoek met stamcellen
Een hersencel zal altijd een hersencel blijven. Maar een bevruchte eicel kan
nog uitgroeien tot een organisme met veel verschillende weefsels. Een cel die
nog uit kan groeien tot allerlei verschillende cellen is een stamcel.
Stamcellen worden gebruikt bij
medisch onderzoek en behandeling. Bevruchte eicellen die als stamcel gebruikt
worden heten ‘embryonale stamcellen’. Ook uit het beenmerg kunnen stamcellen
geïsoleerd worden, deze cellen worden ‘volwassen stamcellen’ genoemd. Het
gebruik van stamcellen is gebonden aan strenge regels.
Identieke nakomelingen via klonen
Bij klonen is de nakomeling genetisch identiek aan de ouder. Bij planten wordt al sinds de oudheid gebruik gemaakt van deze techniek: klonen via stekken of bollen en knollen levert identieke nakomelingen op. Ook kan een stukje weefsel, of één of een paar cellen uitgroeien tot een nieuwe plant. Klonen bij dieren gebeurt meestal met behulp van embryonale stamcellen. De kern van de cel wordt vervangen door andere kern of de gedeelde cellen worden uit elkaar gehaald zodat ‘identieke meerlingen’ ontstaan.
Synthetische biologie
Een nieuwe vorm van biotechnologie is
synthetische
biologie. Bij synthetische biologie proberen onderzoekers kunstmatige cellen
of onderdelen van cellen te maken die efficiënter zijn dan biologische
elementen. Die nieuwe cel(onderdelen) kunnen precies doen wat de onderzoeker
wil. In de toekomst kan dit vele toepassingen hebben voor de industrie en
wetenschappelijk onderzoek.