Begroting Europese Unie
Alle lidstaten betalen een bijdrage aan de Europese Unie (EU) voor de uitvoering van het Europees beleid. Het meeste geld gaat naar de agrarische sector, de internationale infrastructuur en de structuurfondsen (om de economische en sociale verschillen in Europa te verkleinen).
Vaststellen budget via eigenmiddelenplafond
Alle
EU-lidstaten
betalen een bijdrage aan de EU (de eigen middelen). In totaal mag de EU niet
meer dan 1,24% van het Bruto Nationaal Inkomen (BNI) aan eigen middelen
ontvangen. Dit is het zogenoemde eigenmiddelenplafond, dat is vastgelegd in het
eigenmiddelenbesluit. Het is in principe
mogelijk om het eigenmiddelenbesluit aan te passen, maar dit is een zware
procedure die de nationale parlementen moeten goedkeuren.
Vaststellen meerjarenbegroting Europese Unie (EU)
Binnen het eigenmiddelenplafond stellen de EU-lidstaten gezamenlijk een meerjarenbegroting vast, ook wel Meerjarig Financieel Kader (MFK) of financiële perspectieven genoemd. Hierin staat welke beleidsterreinen (zoals landbouw, structuurfondsen en buitenlands beleid) de komende 7 jaar prioriteit krijgen en hoeveel de EU daar globaal aan besteedt. Ook wordt in grote lijnen vastgelegd hoeveel elke lidstaat aan de EU moet betalen en wat de nettopositie (ontvangsten uit de EU min bijdragen aan de EU) is.
De Raad van de Europese Unie en het Europees Parlement stellen de meerjarenbegroting vast. De nationale parlementen hoeven die niet goed te keuren. De huidige meerjarenbegroting loopt van 2007 tot en met 2013. Het budget voor die periode bedraagt € 864,3 miljard. Dit is 1,13% van het BNI. Het budget is in 2004-prijzen, waarover jaarlijks inflatiecorrectie plaatsvindt.
Meerjarenbegroting 2014-2020
De Europese Commissie heeft op 29 juni 2011 een voorstel gedaan voor de meerjarenbegroting voor de periode 2014-2020. Het kabinet heeft op 2 september 2011 een reactie gegeven op de nieuwe meerjarenbegroting. Voor het einde van 2012 moet de begroting zijn afgerond. In 2013 kunnen dan de nodige voorbereiding worden getroffen, voordat de begroting op 1 januari 2014 van kracht wordt.
Jaarlijkse begroting
De Europese Commissie,
Ecofin
(Raad van de Europese Unie op het gebied van economische en financiële zaken) en
het Europees parlement stellen de jaarlijkse begroting vast. Deze jaarbegroting
moet binnen de meerjarenbegroting passen. De Europese Unie mag geen
begrotingstekort hebben. Als aan het einde van het jaar nog geld over is, moet
de Europese Unie dit teruggeven aan de lidstaten.
Nettopositie Nederland
Nederland is de grootste nettobetaler, gemeten als percentage van het Bruto Nationaal Inkomen. Dit betekent dat Nederland per hoofd van de bevolking meer betaalt aan de EU dan landen met een vergelijkbaar welvaartsniveau. Om dit te veranderen, wil de overheid bij de komende onderhandelingen over de meerjarenbegroting een flinke korting op de EU-afdracht bedingen.
Inkomsten Europese Unie (EU)
De EU ontvangt haar inkomsten uit afdrachten van de lidstaten uit 4 bronnen. Dit worden ook wel de 'eigen middelen' van de EU genoemd:
-
Landbouwheffingen
De prijzen van veel Europese landbouwproducten liggen een stuk boven de prijzen van landbouwproducten op de wereldmarkt. Om te voorkomen dat de 'dure' Europese landbouwproducten niet meer gekocht worden, wordt aan de EU-grenzen een heffing gelegd op de geïmporteerde 'goedkope' landbouwproducten van buiten de EU. Hierdoor moet het prijsverschil verdwijnen. De geïnde heffing wordt aan de EU afgedragen. -
Invoerrechten
Alle invoerrechten die door de EU-landen worden geheven op producten die afkomstig zijn van landen buiten de EU, moeten worden afgedragen aan de EU. Denk bijvoorbeeld aan invoerrechten op auto's uit Japan en de Verenigde Staten.
Voor zowel de landbouwheffing als de invoerrechten mag Nederland een deel houden als onkostenvergoeding voor het innen daarvan. -
Btw-afdrachten
De derde inkomstenbron van de EU is een vast percentage van de grondslag van de belasting op de toegevoegde waarde (BTW). -
BNI-afdrachten
De belangrijkste inkomstenbron van de EU is de BNI-afdracht (Bruto Nationaal Inkomen). De BNI-afdracht van elke lidstaat hangt af van:- de hoeveelheid geld die de EU in totaal nodig heeft. Omdat de begroting van de Europese Unie geen tekort mag hebben, wordt het verschil tussen totale uitgaven en het totaal van de bovengenoemde inkomsten aangevuld met deze inkomensbron;
- het aandeel van het BNI van een lidstaat in het totale EU-BNI. Het Nederlandse aandeel in het totale EU-BNI is iets minder dan 5%. Dit betekent dat Nederland iets minder dan 5% van het berekende saldo betaalt.
Uitgaven Europese Unie (EU)
De EU besteedt het meeste geld aan:
- Landbouw en plattelandsbeleid
Ruim 40% van de totale begroting van de EU gaat naar de agrarische sector en plattelandsontwikkeling. 25% gaat naar het gemeenschappelijk landbouwbeleid (inkomenssteun voor boeren). 15% gaat naar plattelandsontwikkeling. Afgesproken is de uitgaven voor de agrarische sector tot en met 2013 te beperken. De Europese Commissie verwacht dat deze uitgaven in 2013 ongeveer 33% van de EU-uitgaven bedragen.
- Structuur- en cohesiefondsen
De EU geeft 35% van de begroting uit via de zogenoemde structuur- en cohesiefondsen aan het:
- verkleinen van de onderlinge economische verschillen tussen regio's;
- verbeteren van de economische structuur in de EU.
Met structuurfondsen worden uiteenlopende projecten gefinancierd die kunnen bijdragen aan de versterking van de economische structuur. Zoals de aanleg van infrastructuur, plattelandsontwikkeling en bevordering van de werkgelegenheid. Het geld gaat naar arme regio's in de EU. Ook rijkere landen ontvangen subsidies, bijvoorbeeld voor de herstructurering van oude industriegebieden en scholing.
- Uitgaven aan intern beleid Europese Unie (EU)
Ongeveer 10% van de EU-begroting wordt besteed aan intern beleid. Belangrijke onderdelen van het intern beleid zijn:
- de Trans-Europese Netwerken (TEN's);
Dit is infrastructuur die over de landelijke grenzen heengaat. Uit het budget voor de TEN's zijn bijvoorbeeld de Betuwelijn en de HSL (hoge snelheidslijn) mede gefinancierd. - onderzoek en technologische ontwikkeling;
Dit zijn voornamelijk onderzoeksprogramma’s op het gebied van onderzoek en ontwikkeling (Research and Development (R&D)). - Justitieel en veiligheidsbeleid.
Hieronder vallen de bestrijding van grensoverschrijdende criminaliteit, terrorisme en zaken zoals consumenten- en voedselveiligheid.
- de Trans-Europese Netwerken (TEN's);
-
Uitgaven aan extern beleid Europese Unie (EU)
Extern beleid vormt ongeveer 7% van de Europese begroting. Belangrijke onderdelen van het externe beleid zijn hulpprogramma's voor onder andere Afrika en Latijns-Amerika, zoals de bouw van scholen. Daarnaast gaat het ook om voedselhulp, noodhulp en humanitaire hulp voor rampgebieden (zoals de hulp aan Haïti na de aardbeving) en bevordering van mensenrechten, democratie en vredesoperaties (zoals in Irak).
-
Overige uitgaven Europese Unie (EU)
Hieronder vallen onder andere de administratieve uitgaven, zoals de salarissen van de Europese ambtenaren, de vertaalkosten en kosten voor gebouwen (in Brussel, Luxemburg en Straatsburg). De uitgaven beslaan zo’n 7% van de EU-begroting.
Financieel beheer en controle Europese middelen
Het ministerie van Financiën heeft een verantwoordelijkheid voor het beheer en de controle van Europese middelen. Een voorbeeld is de nationale verklaring over het functioneren van de controlesystemen en de rechtmatigheid van de besteding van Europese gelden in Nederland. Uitgebreide informatie hierover staat bij het onderwerp Auditbeleid.