Achtergrond
Het frequentiebeleid van de Rijksoverheid is gericht op een efficiƫnt gebruik van de ruimte in de ether. Het beleid stelt regels op voor het gebruik van frequenties.
Het gaat daarbij met name om (mobiele) telefonie, radio- en televisie-uitzendingen, communicatie in lucht- en scheepvaart, hulpdiensten, defensie, radar, satelliet, radioamateurs, radioastronomie, straalverbindingen. Een groot deel van het frequentiegebruik is geregeld via vergunningen. Maar het gebruik van frequenties die niet aan vergunningen zijn gebonden neemt toe, met name laagvermogen toepassingen voor korte-afstand communicatie, zoals voor draadloze (huis)netwerken en huistelefoons, RFID-toepassingen, ultrawideband, babyfoons, medische implantaten, afstandsbedieningen, alarmering enz.
Minder regulerend
Sinds 2005 is het een speerpunt voor het beleid om meer toepassingen vergunningvrij te maken. Daarnaast moet het aanvragen van een vergunning gemakkelijker worden. Dit is vastgelegd in de nota Frequentiebeleid 2005.
Het Rijk gaat allerlei procedures vereenvoudigen. Aan een vergunning worden vervolgens zo min mogelijk voorschriften verbonden. Dit alles moet ertoe leiden dat de overheid zich minder regulerend opstelt. In het economische verkeer moet dit meer vrijheid opleveren in het aanbieden van diensten en in de keuze voor de gebruikte technologie. Frequentiegebruik met een publiek karakter, zoals de publieke omroep, hulpdiensten en defensie, blijft gewaarborgd.
Frequentieverdeling en toezicht
Voor de verdeling van de schaarse frequenties geeft de overheid de voorkeur aan veiling als verdelingsinstrument, al blijft de mogelijkheid van een vergelijkende toets bestaan.
Toezicht op correct gebruik wordt gebaseerd op klachten en op risicoanalyses. Voor het toezicht maakt EZ meer dan voorheen gebruik van monitoring; het verzamelen van gegevens over de mate of vorm van frequentiegebruik.
Voor contact/vragen over of n.a.v. deze pagina, bel 070 - 379 8195 (Tjeerd Deinum) of mail naar t.deinum[a]minez.nl.
Documenten en publicaties