Invoerbelastingen
Als een bedrijf goederen invoert uit een land dat niet is aangesloten bij de Europese Unie (EU), heft de douane op die goederen belasting. Hoe hoog de belasting is, hangt af van het land van herkomst en het soort product.
Bescherming tegen lage prijzen
Invoerbelasting is een manier om de landbouw, producenten en industrieën van een land te beschermen tegen goedkopere producten vanuit het buitenland. Door verschillen in minimumlonen of grondstofprijzen kunnen bedrijven in sommige landen goedkoper produceren. Deze producten worden tegen lage prijzen geëxporteerd naar Nederland en verkocht. Invoerbelastingen maken buitenlandse product duurder. Zo worden de prijsverschillen kleiner. Bedrijven kunnen zo beter concurreren met goedkope geproduceerde goederen uit het buitenland.
Importheffingen voor landbouwproducten
Een bekend voorbeeld van invoerbelasting zijn de importheffingen op landbouwproducten. Dankzij importheffingen blijft er vraag naar de producten van Europese boeren, ondanks lagere prijzen op de wereldmarkt. De boeren blijven verzekerd van hun inkomen. De maatregelen zorgen er dus voor dat de landbouwproductie in Europa niet stil komt te liggen. Dit is belangrijk om voedseltekorten te voorkomen.
Rechten bij invoer
Invoerbelastingen worden geïnd door de douane en afgedragen aan de EU. Een deel van de geïnde rechten mogen de lidstaten zelf houden als vergoeding. De term 'rechten bij invoer' is een verzamelnaam voor de belastingen die in EU-verband worden opgelegd. Onder rechten bij invoer worden verstaan:
- douanerechten (deze zijn vastgesteld door de EU);
- heffingen van gelijke werking (zoals anti-dumpingheffingen);
- belasting in het kader van het gemeenschappelijk landbouwbeleid.
Over producten die tussen EU-landen worden verhandeld, heft de douane geen douanerechten. Wel moeten de bedrijven omzetbelasting over de producten betalen. Op sommige producten moet accijns betaald worden.
Gemeenschappelijk douanetarief
Alle lidstaten hanteren hetzelfde gemeenschappelijk douanetarief (GDT). Dit tariefsysteem is door de EU bepaald in het gemeenschappelijke handelsbeleid en de Verordening gemeenschappelijk douanetarief (2658/87). Er zijn verschillende tarieven afhankelijk van de aard, herkomst en de economische gevoeligheid van de producten. Met een aantal landen heeft de EU overeenkomsten afgesloten waardoor geen of een verlaagd douanerecht wordt geheven. Er zijn handelsakkoorden afgesloten met onder meer:
- landen die aangesloten zijn bij de
Europese Vrijhandelsassociatie
(EVA) zoals Noorwegen en Zwitserland; - landen en gebiedsdelen overzee (
LGO) zoals
Aruba, Curaçao en Groenland); - Zuid-Afrika en Mexico;
- Turkije (
douane-unie); - landen in Afrika, het Caribisch Gebied en de Stille Zuidzee
(
ACS).
De handelsovereenkomst met de EVA-landen geldt alleen voor industriële
producten. Voor landbouwgoederen geldt het voorrecht niet. Op de website van de
Kamer van
Koophandel staat de volledige lijst met landen waarmee de EU een
handelsakkoord heeft gesloten.
Aangepast tarief voor producten uit ontwikkelingslanden
Voor een aantal goederen die van oorsprong uit ontwikkelingslanden komen
geldt een verlaagd invoertarief of geen invoertarief. Voor welke goederen deze
regeling geldt en hoe de douane vaststelt of de goederen uit ontwikkelingslanden
komen staat in het
Algemeen Preferentieel
Systeem (APS).
Meestal moet de invoerder een bewijs van oorsprong laten zien om aanspraak te kunnen maken op het verlaagde of nultarief. Dit kan bijvoorbeeld een certificaat of een factuurverklaring zijn.
Belastinggrondslag en tarieven
Het douanerecht, de meest voorkomende belastingvorm bij invoer, wordt berekend volgens:
- de indeling van de goederen in het
gemeenschappelijk
douanetarief van de EU; - de oorsprong of herkomst van de goederen;
- in de meeste gevallen: de waarde van de goederen.
Grondstoffen en eindproducten
Op grondstoffen worden normaal gesproken lagere rechten bij invoer geheven dan op eindproducten. Ruw katoen kan zonder douanerechten worden ingevoerd, terwijl op weefsels van katoen een douanerecht van 8% wordt geheven. Bij invoer van tafellinnen van katoen moet zelfs 12% douanerecht worden betaald
Anti-dumping
Op het moment dat goederen op de markt worden gebracht onder de kostprijs van het land van herkomst, is er sprake van dumping. Met dumping wil de exporteur een nieuw afzetgebied veroveren of overtollige voorraden kwijtraken.
Dumping door buitenlandse bedrijven op de Europese markt is op zich niet verboden. Maar als dit leidt tot schade in een branche, kan de EU maatregelen nemen. Bijvoorbeeld door een anti-dumpingheffing op te leggen, of een minimumprijs te bepalen voor invoer binnen de Europese Unie. Op basis van klachten van Europese bedrijven bij de EU kan er een onderzoek naar dumping door producenten uit derde landen worden gestart.
Omzetbelasting, accijns en milieubelastingen
Behalve de rechten bij invoer wordt in Nederland ook omzetbelasting (btw) geheven op goederen die vanuit het buitenland worden geïmporteerd. Het btw-tarief is hetzelfde als het tarief bij binnenlandse leveringen. De btw die het bedrijf bij invoer betaalt, kan volgens de normale regels worden afgetrokken als voorbelasting.
Op een aantal producten wordt accijns geheven. Dat gebeurt in de volgende situaties:
- bij invoer uit derde landen;
- bij aankoop uit andere lidstaten van de EU;
- bij productie hier te lande.
Accijns wordt geheven op bier, wijn, andere alcoholhoudende producten, tabaksproducten en minerale oliën. Tenslotte wordt er een verbruiksbelasting geheven voor alcoholvrije dranken en pruim- of snuiftabak. De heffingsgrondslag voor deze verbruiksbelasting is gelijk aan de heffing van accijns.
Het kabinet wil de verbruiksbelasting op alcoholvrije dranken en de verbruiksbelasting op pruim- en snuiftabak per 1 januari 2013 afschaffen.