Atsma: toezicht risicovolle bedrijven door gespecialiseerde diensten
Vergunningverlening aan en toezicht op risicovolle bedrijven moeten duidelijk worden gescheiden en de handhaving moet beter. Om de vereiste professionaliteit te waarborgen komen er circa vijf gespecialiseerde uitvoeringsdiensten voor risicovolle bedrijven (BRZO). Dat schrijft staatssecretaris Atsma (Infrastructuur en Milieu) vandaag in een brief aan de Tweede Kamer. Deze keuze is in lijn met het voorstel van de provincies, gemeenten en VNO-NCW.
Uiterlijk 1 januari 2013 moeten in heel Nederland regionale uitvoeringsdiensten (RUD's) in werking zijn, werkend onder verantwoordelijkheid van gemeenten en provincies. Een beperkt aantal RUD's moet zich toeleggen op de handhaving en toezicht van risicovolle bedrijven. Dat is de les die onder andere na de brand bij ChemiePack is geleerd. Atsma spreekt de voorkeur uit voor de gespecialiseerde uitvoeringsdiensten daar waar de risicovolle bedrijven sterk zijn geconcentreerd. De staatssecretaris heeft de provincies (IPO) gevraagd om voor 1 februari 2012 met een voorstel voor een regio-indeling te komen en welke RUD's zich specialiseren in de taken rond risicovolle bedrijven. Ook heeft Atsma aan het IPO gevraagd om met beoogde gespecialiseerde uitvoeringsdiensten een plan van aanpak te maken, waarin helder wordt aangegeven hoe de scheiding tussen vergunningverlening enerzijds en toezicht en handhaving anderzijds in de praktijk wordt gerealiseerd.
Om de noodzakelijke professionalisering en verbetering van de
veiligheidscultuur bij bedrijven, provincies en gemeenten te stimuleren, heeft
de staatssecretaris een aantal aanvullende maatregelen in gang gezet. Zo zullen
de kwaliteitscriteria en toepassing daarvan wettelijk worden vastgelegd. Er komt
een landelijke handhavingsstrategie voor risicovolle bedrijven, die door
gemeenten en provincies uniform moet worden toegepast. Informatie over toezicht
en handhaving bij risicovolle bedrijven moet voor alle betrokkenen beter
beschikbaar zijn.
Atsma zal nagaan of de huidige en toekomstige bevoegdheden van het rijk
toereikend zijn of dat meer mogelijkheden voor interventie door het rijk nodig
zijn.