Kwaliteit onderwijs verbeteren
Steeds meer kinderen gaan naar school, daardoor neemt de behoefte aan goede vervolgopleidingen toe. Ook blijkt het nodig om aandacht te besteden aan voorschools onderwijs.
Voorschools onderwijs
De vroege levensjaren zijn cruciaal voor de ontwikkeling van kinderen. Jonge kinderen die deelnemen aan voorschools onderwijs komen tot betere schoolprestaties dan kinderen die deze kans niet hebben gehad. In 2006 nam gemiddeld 36% van de kinderen in ontwikkelingslanden deel aan voorschools onderwijs. In ontwikkelde landen is dit 78%. De verschillen tussen regio’s en landen zijn groot. Sub-Sahara Afrika en de Arabische staten hebben de grootste achterstand. Daar is de deelname aan voorschools onderwijs in veel landen minder dan 10%.
Beter kleuteronderwijs in Pakistan
In Pakistan volgt ongeveer een derde van de kinderen van 3 en 4 jaar een vorm van voorschools onderwijs. Kwalitatief ontbreekt echter het nodige aan het lesprogramma. Vooral meisjes missen later vaak de aansluiting bij vervolgonderwijs. De Pakistaanse overheid is doordrongen van het belang van onderwijs op jonge leeftijd. Nederland steunt de uitvoering van een nationaal programma voor voorschoolse zorg en onderwijs in 17 districten met ruim € 12 miljoen. Onder meer voor:
- beter kleuteronderwijs en zorgvoorzieningen (crèches, opvang);
- ondersteuning van bestuurders bij de organisaties van het onderwijs;
- ouders en gemeenschappen te betrekken bij het onderwijs.
De
Aga Khan Foundation voert de programma’s
uit, samen met andere organisaties.
Meer en betere vervolgopleidingen
Door het groeiend aantal jongeren met een goede vooropleiding hebben hogescholen en universiteiten in ontwikkelingslanden te maken met een groeiende vraag naar studieplaatsen, collegezalen, apparatuur en bibliotheken. Ook is er een tekort aan goed geschoolde stafmedewerkers.
Zo kampen klinieken in Tanzania met een tekort van circa 70% aan personeel, variërend van verpleegkundigen, vroedvrouwen, artsen, apothekers tot managers. Op het platteland zijn de tekorten het grootst. Het aantrekken van nieuwe studenten voor medische en paramedische opleidingen verloopt traag. Dat komt vooral omdat de opleidingsinstituten niet effectief en efficiënt werken en zelf met personeelstekorten kampen.
NICHE: opleiden en bijscholen
Nederland steunt de opleiding en bijscholing van personeel, zodat meer mensen
kunnen worden geholpen en de kwaliteit van de zorg verbetert. Dit gebeurt
behalve in Tanzania in nog 22 ontwikkelingslanden. Onder meer via het zogeheten
Netherlands Initiative for Capacity development in Higher
Education (NICHE) dat wordt uitgevoerd door Nuffic. Voor dit initiatief
heeft de Rijksoverheid een budget van € 150 miljoen beschikbaar voor de periode
2009-2012. Het kabinet wil vanwege de bezuinigingen op NICHE korten.
NFP: beurzen voor professionals
Het programma
Netherlands Fellowhip Programme (NFP) biedt
beurzen voor scholing aan professioneel middenkader uit 61 ontwikkelingslanden.
Beurzen worden verleend voor onder meer cursussen, master-programma’s en
PhD-studies op het gebied van landbouw, recht en natuurwetenschappen. Het
kabinet heeft aangekondigd vanwege de bezuinigingen op NFP korten, maar hoeveel
is op dit moment nog niet bekend.
Betere aansluiting school en arbeidsmarkt
Terwijl de instroom van kinderen in het basisonderwijs toeneemt en de kwaliteit ervan flink verbetert, blijkt het beroepsonderwijs vaak niet aan te sluiten op de arbeidsmarkt. Zo gaan studenten in veel Afrikaanse landen niet eens op stage, iets wat in Nederland een vanzelfsprekendheid is. Ook worden veel kinderen klaargestoomd voor een baan als ambtenaar, terwijl het voor de economie in arme landen beter is als ze leren hoe ze bijvoorbeeld zelf een bedrijf kunnen opzetten.
Stages in Bolivia
De Rijksoverheid steunt daarom initiatieven die helpen bij de opbouw van goed
beroepsonderwijs. Bijvoorbeeld in Bolivia waar Nederland
Fautapo steunt. Deze stichting helpt 70 technische
scholen, onder meer door stages te regelen in het bedrijfsleven. Ook is er een
onderwijsprogramma speciaal gericht op jongeren uit arme families. Het programma
leidt per jaar gemiddeld 3.500 jongeren op, de helft meisjes. 4 op iedere 5
jongeren vinden na afloop van de opleiding direct werk. Meestal is dat binnen
het bedrijf waar ze stage hebben gelopen.
Samen met de Boliviaanse overheid heeft Fautapo ook een certificeringsysteem ontwikkeld. Voorheen konden leerlingen niet bewijzen wat ze hadden geleerd. Nu krijgen ze een certificaat na afronding van hun opleiding, maar ook voor kennis en vaardigheden die zij in de praktijk hebben verworven. Daarmee vergroten de leerlingen hun kans op een baan.