Eisen aan pleziervaartuigen
Pleziervaartuigen tussen de 2,5 en 24 meter die na 1997 zijn gebouwd of geïmporteerd, moeten zijn voorzien van een keurmerk. Dit geldt niet voor kano’s, waterfietsen en surfplanken.
Wetgeving
Pleziervaartuigen moeten sinds 1998 voldoen aan veiligheidseisen. Het gaat daarbij om alle schepen die bedoeld zijn voor sport of vrije tijd, zowel voor de binnenvaart als de zeevaart. Het maakt daarbij niet uit hoe de schepen worden aangedreven.
De eisen zijn vastgelegd in de
Europese richtlijn
pleziervaartuigen. Ze zijn van toepassing op alle pleziervaartuigen van 2, 5
tot en met 24 meter lang. De volgende pleziervaartuigen vallen niet onder deze
wet:
- Wedstrijdboten die door de fabrikant zo worden aangeduid.
- Kano’s en zeilplanken.
- Gondels.
- Waterscooters en waterfietsen.
- Originelen en replica’s van historische vaartuigen.
- Experimentele vaartuigen die door de fabrikant zo worden aangeduid en waarmee bijvoorbeeld nieuwe technieken worden uitgeprobeerd.
- Voor persoonlijk gebruik gebouwde vaartuigen waarvan in ieder geval de romp door de eindgebruiker zelf is vervaardigd.
- Bemande vaartuigen bestemd voor commercieel vervoer van passagiers.
- Duikboten.
- Luchtkussenvaartuigen en draagvleugelboten.
Pleziervaartuigen die langer zijn dan 24 meter vallen niet onder deze wet. Pleziervaartuigen die op binnenwater varen en die langer zijn dan 20 meter moeten gekeurd worden op basis van de Binnenvaartwet. Schepen groter dan 20 meter en kleiner dan 24 meter vallen zowel onder de Binnenvaartwet als onder de Richtlijn Pleziervaartuigen.