Referentieniveaus rekenen
Voor rekenen beschrijft het referentieniveau wat leerlingen in de verschillende fasen van het onderwijs moeten kennen en kunnen. Een kind van 15 jaar moet bijvoorbeeld weten dat 1 ton gelijk is aan 1000 kilo.
En als een kind van de basisschool komt moet deze breuken met 2, 4 of 10 als noemer om kunnen zetten in een percentage.
Bij rekenen wordt er onderscheid gemaakt tussen een fundamenteel niveau en een streefniveau. De fundamentele niveaus richten zich op basale kennis en inzichten en op een toepassingsgerichte benadering van rekenen. De streefniveaus bereiden leerlingen al voor op de meer abstracte wiskunde. In het referentiekader zijn deze niveaus aangegeven met letters. Niveau 1f staat bijvoorbeeld voor het fundamentele niveau 1, niveau 2s staat voor het streefniveau.
Bij rekenen is er, in tegenstelling tot taal, geen invulling gegeven aan het 4e niveau omdat dit het terrein van de wiskunde is.
Voor rekenen zijn er 4 domeinen beschreven:
- getallen;
- verhoudingen;
- meten en meetkunde;
- verbanden.
Elk van deze domeinen is opgebouwd uit de onderdelen:
- notatie, taal en betekenis;
- met elkaar in verband brengen van getallen en dagelijks spraakgebruik;
- gebruiken van de kennis om problemen op te lossen.
Van elk onderdeel wordt beschreven:
- wat een leerling aan kennis paraat moet hebben. Een kind dat doorstroomt naar het voortgezet onderwijs moet bijvoorbeeld maten voor lengte, oppervlakte, inhoud, gewicht en temperatuur kennen;
- welke kennis functioneel gebruikt moet worden. Een kind moet bijvoorbeeld weten hoe je lengte meet;
- wat een leerling moet weten over de context van de kennis (het waarom). Het kind moet bijvoorbeeld weten dat een vierkante meter niet altijd een vierkant is.
Een beschrijving van alle referentieniveaus staat in de brochure
'Referentiekader taal en rekenen' die te vinden is op de
website Taal en rekenen. Hier staat ook
uitgebreide informatie over de referentieniveaus.