Nationaal wetenschapsbeleid
Nederlands onderzoek behoort tot de wereldtop, blijkt uit diverse
onderzoeken. Wetenschappelijke publicaties van
universiteiten worden internationaal vaak geciteerd. Maar op onderdelen kan het
beter.
Agenda onderzoeks- en wetenschapsbeleid
De basis voor het Nederlandse wetenschapsbeleid vormt de eind 2007 verschenen
publicatie
'Het
Hoogste Goed'. Daarin is ook de agenda opgenomen voor het onderzoeksbeleid
en wetenschapsbeleid. Een uitgebreid overzicht van hoe de wetenschappelijke
wereld in Nederland is opgezet, biedt het
'Het
Nederlands Wetenschapssysteem'. Een aantal inspirerende voorbeelden van
wetenschappelijk onderzoek is te vinden in de brochure
‘
Goed
om te weten. Parels van wetenschappelijk onderzoek’.
Een beknopt overzicht van de prioriteiten van de overheid:
Vernieuwingsimpuls
Het programma
‘Vernieuwingsimpuls’,
dat in 2000 is opgezet, heeft als doel om vernieuwend onderzoek - bijvoorbeeld
genomics of nanotechnologie - een
extra impuls te geven. Dat gebeurt door talentvolle, creatieve onderzoekers geld
te geven om onderzoek naar eigen keuze uit te laten voeren. Het kabinet kiest
hierbij niet voor plannen van bovenaf. Het zijn de onderzoekers zelf die het
beste weten waar zich de kansen voordoen.
De zogeheten Veni-subsidie is een van de drie
subsidievormen van Vernieuwingsimpuls,
bedoeld voor pas gepromoveerde, uitmuntende onderzoekers die aan het begin van
hun carrière staan. De subsidie biedt hun de mogelijkheid om deels ook in het
buitenland onderzoek uit te voeren. De andere twee subsidies zijn de
Vidi-subsidie (voor ervaren postdocs) en de Vici-subsidie (bestemd voor zeer
ervaren onderzoekers).
Vanaf 2011 stelt de overheid jaarlijks € 155 miljoen beschikbaar (in 2009 en 2010: € 169 miljoen) voor Vernieuwingsimpuls. Hierdoor krijgen wetenschappers meer ruimte om naar eigen inzicht hun onderzoek te bepalen, eigen onderzoeksgroepen te vormen en zelf te beslissen bij welke universiteit of welk instituut ze dit onderzoek willen uitvoeren.
Vernieuwingsimpuls is in 2000 opgezet door de overheid samen met de
Nederlandse Organisatie voor Wetenschappelijk Onderzoek
(NWO), de
Koninklijke Nederlandse Akademie van Wetenschappen
(KNAW) en de
Nederlandse universiteiten.
Keuzevrijheid promovendi
Sinds 1990 is het aantal jaarlijkse promoties verdubbeld. Driekwart daarvan hebben plaats in de bètawetenschappen, op terreinen van bijvoorbeeld wiskunde en natuurkunde. Het aandeel vrouwelijke gepromoveerden stijgt ook: van 18% in 1990 tot 40% in 2007.
Om ervoor te zorgen dat het voor wetenschappers aantrekkelijk blijft om te promoveren, maken universiteiten hun onderzoekersopleidingen flexibeler. Dit naar voorbeeld van de Amerikaanse ‘Graduate Schools’ waar promovendi hun eigen promotieonderzoek en promotor kiezen. De overheid stelt vanaf 2008 hiervoor € 1 miljoen beschikbaar, oplopend tot structureel € 15 miljoen vanaf 2011.
Meer vrouwen en allochtonen in de wetenschap
Nederland heeft een betrekkelijk klein aandeel vrouwelijke onderzoekers in vergelijking met andere landen. Het aantal vrouwelijke hoogleraren verdubbelde de afgelopen jaren weliswaar tot ruim 11% maar het streefcijfer van 15% wordt nog niet gehaald in 2010.
Aspasia
Om de achterstand in te halen, trekt de overheid vanaf 2010 jaarlijks € 4
miljoen extra uit. Dit geld gaat naar het reeds bestaande
Aspasia-programma dat in 1999 is opgezet
om het aantal vrouwelijke universitair hoofddocenten (uhd’s) en hoogleraren te
vergroten.
Mozaïek
In de wetenschap zijn onderzoekers van allochtone afkomst
ondervertegenwoordigd. Omdat daardoor potentieel talent verloren kan gaan, heeft
de overheid samen met de Nederlandse Organisatie voor Wetenschappelijk Onderzoek
(NWO) in 2004
‘Mozaïek’ opgezet. Dit
subsidieprogramma biedt allochtoon talent geld voor een promotietraject,
waardoor ze makkelijker in de wetenschap kunnen instromen. Vanaf 2010 steken de
overheid en NWO elk jaarlijks € 2 miljoen extra in het Mozaïek-programma.
Steun grootschalige onderzoeksinstellingen
Grootschalige onderzoekscentra zijn van belang voor toponderzoek, en voor het
aantrekken van (buitenlandse) onderzoekers en studenten. Het kan gaan om één
groot apparaat in een gebouw of een aantal samenhangende apparaten in een zeer
gespecialiseerd gebouw (bijvoorbeeld een ‘cleanroom’ voor de productie van
computerchips). Soms gaat het om onderzoek dat is georganiseerd rondom een
internationale ‘hub’, een bundeling van apparaten en expertise die leidt tot een
nieuw samenwerkingsverband. Voorbeelden van zulke netwerken zijn de
Global Biodiversity
Information Facility en de initiatieven rond
Dariah.
Op Europees niveau heeft het
European
Strategy Forum on Research Infrastructures (ESFRI) een
‘Roadmap’
opgesteld met Europese prioriteiten voor het ontwikkelen van grootschalige
onderzoeksfaciliteiten. In aansluiting op dit plan heeft het kabinet eigen
onderzoek laten doen. Het resultaat daarvan is de publicatie
‘Nederlandse
Roadmap Grootschalige Onderzoeksfaciliteiten’ van oktober 2008. Op basis
hiervan heeft het kabinet besloten tot de oprichting van 5 grote landelijke
onderzoekscentra. Hiervoor heeft de overheid in 2009 € 10 miljoen toegevoegd aan
het budget van
NWO, dit bedrag wordt nog opgehoogd tot € 20
miljoen in 2011.
Subsidieaanvragen, die vallen onder de
Roadmap Grootschalige
Onderzoeksfaciliteiten, worden verzorgd door NWO.
Detachering kenniswerkers
Veel bedrijven zijn eind 2008 en in 2009 hard geraakt door de economische crisis en moeten inkrimpen. Daarbij wordt personeel niet ontzien dat speur- en ontwikkelingswerk (‘research and development’, R&D) doet, de zogeheten kenniswerkers. Op de korte termijn vormen zij een kostenpost. Op de langere termijn moeten bedrijven het echter juist hebben van innovaties, verbeterde en nieuwe producten.
Daarom helpt de overheid innovatieve bedrijven die kampen met een omzetdaling. Bijvoorbeeld door onderzoekers tijdelijk te detacheren bij een kennisinstelling zoals een universiteit of TNO. In totaal trekt de overheid € 280 miljoen subsidie uit voor projecten, onder meer in de hightech sector. Daarmee kunnen deze onderzoekers aan het werk blijven en wordt kennis voor het Nederlandse bedrijfsleven behouden.