3. Economie

In een open wereldeconomie is versterking van het concurrentievermogen van de Nederlandse economie essentieel. De ontwikkeling en groei van de economie vormt de basis van onze werkgelegenheid, welvaart en voorzieningen.

Nederland beschikt over een goede uitgangspositie door bedrijven en sectoren die wereldwijd opereren en exporteren, een gunstige ligging en vestigingsklimaat en een goed opgeleide beroepsbevolking. De ambitie is deze positie voor de toekomst te verzekeren, uit te breiden en te versterken. De overheid geeft richting aan deze ambitie door een faciliterend en stimulerend beleid op het gebied van infrastructuur, onderwijs, arbeidsmarkt, belastingen en regeldruk.

De Europese Unie en de World Trade Organisation (WTO) zijn belangrijke kaders waarbinnen een gelijk speelveld voor ondernemers en consumenten wordt gerealiseerd. Om de concurrentiekracht van het bedrijfsleven te versterken voert de overheid ook een gericht beleid ter bevordering van innovatie en ondernemerschap, onder meer door stimulering van samenwerking tussen bedrijfsleven, kennisinstellingen en overheid. Innovatie is voor alle sectoren van het bedrijfsleven van vitaal belang bij de productontwikkeling en export.

Combinatie en bundeling van het algemene en specifieke economisch beleid, het beleid ten aanzien van de agrofoodsector en het beleid inzake innovatie in één ministerie biedt de basis voor een meer integrale en effectieve beleidsinzet ter versterking van de concurrentiekracht van de Nederlandse economie binnen de EU en in de wereld. De landbouw is een belangrijke sector die zwaar moet meewegen in het economisch beleid.

Het ministerie van Economische Zaken wordt daarom uitgebreid met deze taken en gaat functioneren als een ministerie van Economie, Landbouw en Innovatie. Dit heeft tot taak een concurrerend, algemeen ondernemingsklimaat te bevorderen en zal - in aanvulling daarop - een stimulerend beleid ontwikkelen voor de huidige en toekomstige economische topgebieden van Nederland, zoals water, voedsel, tuinbouw, high tech, life sciences, chemie, energie, logistiek en creatieve industrie. Dit beleid richt zich integraal op alle relevante vestigings- en ondernemingscondities voor de topgebieden, waaronder regeldruk, aanbestedingsbeleid, duurzaamheid, fiscaliteit, hoofdkantoren, onderzoek en innovatie, exportbevordering en financiering. Het groene onderwijs blijft aan de sector gekoppeld en draagt wezenlijk bij aan de kwaliteit en toekomst van de agrofoodsector. In 2011 zal het kabinet dit nieuwe bedrijfslevenbeleid vastleggen in een nota.

De middelen die beschikbaar zijn voor de versterking van de positie van bedrijven en ondernemers worden herijkt en op een meer eenvoudige wijze toegankelijk gemaakt.

  • Bestaande middelen voor export, innovatie en internationaal ondernemen worden gebundeld in een 'Homogene groep Economische Topgebieden'.
  • Subsidies worden alleen verstrekt indien de effectiviteit ervan is bewezen. Dit leidt onder meer tot inkrimping van het AgentschapNL.
  • Er komt meer focus en massa in de subsidies, onder meer voor topgebieden, door herijking, bundeling en vereenvoudiging.
  • Er komt een nieuwe, geïntegreerde ondernemersfaciliteit op basis van de bestaande fiscale faciliteiten. Deze faciliteit zal gericht zijn op het bevorderen van winstgevend ondernemerschap en de belemmerende marginale druk uit de zelfstandigenaftrek wegnemen.
  • Het vestigingsklimaat zal verbeteren door een budgetneutrale grondslagverbreding in de vennootschapsbelasting in combinatie met generieke en specifieke tariefverlaging.
  • De verlaging van subsidies wordt gecompenseerd door lastenverlaging via de vennootschapsbelasting en Wet bevordering speur- en ontwikkelingswerk (WBSO).

Versterking van de innovatiekracht van het bedrijfsleven is cruciaal voor de economische ontwikkeling in de toekomst. Nieuwe producten, technologieën en werkwijzen zorgen voor vergroting van de export en werkgelegenheid. Een goede samenwerking tussen bedrijfsleven, kennisinstellingen en overheid is hierbij van groot belang. De samenhang tussen kennis, wetenschap, toegepast onderzoek en innovatiebeleid wordt versterkt.

  • Het innovatiebeleid, de coördinatie hiervan en het loket voor innovatiemiddelen worden geconcentreerd bij het ministerie van Economische Zaken, met inbegrip van de middelen waarover Onderwijs en andere ministeries thans beschikken.
  • Innovatiesubsidies worden via een revolverend fonds verstrekt, zodat succesvolle innovaties zich terugbetalen.
  • De WBSO wordt ruimer uitgevoerd, evenals de Innovatie Prestatie Contracten en de Kenniswerkersregeling.
  • Er komt meer aandacht voor kennisvalorisatie ten behoeve van het bedrijfsleven, vooral het midden- en kleinbedrijf (MKB).

Het is voor de economische ontwikkeling en innovatie belangrijk dat bedrijven geclusterd kunnen opereren, zoals Greenports, waaronder de Greenports Venlo, Westland en de Bollenstreek Brainport Zuid-Oost Nederland, de Food Valley in Wageningen, de Maintenance Valley in Midden- en West Brabant, de Energy Valley in Groningen, de nanotechnologie in Twente en Delft, de Zuidas in Amsterdam, Schiphol en de haven van Rotterdam. Deze clusters worden maximaal gefaciliteerd. Ook de regionaal geclusterde bedrijven krijgen de ruimte.

  • Het regionaal economisch beleid van de rijksoverheid wordt geschrapt en gedecentraliseerd.
  • Regionale ontwikkelingsmaatschappijen worden betrokken bij de verdere vormgeving van regionale economieën.

De Nederlandse agrofoodsector bekleedt een internationale koppositie en is onderdeel van de oplossing voor de (inter)nationale uitdagingen rond voedselzekerheid, armoedebestrijding, energie, water, klimaat, vrede en stabiliteit. De land- en tuinbouw verdienen versterking, nationaal, Europees en mondiaal. Gerichte investering in innovatie en verduurzaming in de agrofood-, tuinbouw- en visserijsector is nodig om de koppositie te behouden. Hierbij blijft een goede wisselwerking tussen kennis, praktijk en beleid een sleutelfactor voor succes in innovatie. Alle agrofoodsectoren (incl. tuinbouw en visserij) verdienen ontwikkelingsperspectief, richting innovatie en verduurzaming. Het beleid versterkt de economische kracht van ondernemers.
Het Europees Landbouw- en Visserijbeleid (GLB/GVB) is belangrijk voor voedselzekerheid en voedselveiligheid, voor natuur- en landschap en de economie. Een gelijk speelveld op EU- en WTO-niveau is voor Nederlandse ondernemers essentieel. Om te kunnen blijven investeren blijft het Europees budget van belang. Het kabinet gaat bij de voorbereiding van de financiële perspectieven in de EU voor de periode vanaf 2013 ten aanzien van het gemeenschappelijk landbouwbeleid uit van een gelijk speelveld en de belangen van de Nederlandse agrofoodsector. Nederlandse ondernemers worden gestimuleerd om de marktoriëntatie, concurrentiekracht, innovatievermogen en duurzaamheid van de agrarische sector en het platteland te versterken.

Voor het leveren van diensten aan de gemeenschap (landschap en natuur) en voor bovenwettelijke maatschappelijke prestaties (o.a. diergezondheid, dierenwelzijn, milieu- en waterbeheer) worden agrarische ondernemers beloond.

Ondernemers en bedrijven, met name het MKB, worden meer ondersteund bij hun contacten met de overheid.

  • Ondernemers zullen voor al hun overheidszaken terecht kunnen bij één loket, een 'Ondernemersplein'.
  • Het MKB verdient meer kansen bij aanbestedingen door de overheid. Cluster- en raamcontracten worden teruggedrongen; de omzeteis gaat omlaag. Als een bedrijf met succes een aanbestedingsprocedure heeft doorstaan, moet de erkenning voor meerdere jaren zijn geregeld.
  • Zelfstandigen zonder personeel (ZZP-ers) krijgen eveneens meer kansen bij aanbestedingen door de overheid.
  • Er komt een actieplan tot verlaging van administratieve lasten voor ZZP-ers.

De druk van administratieve lasten en regels voor bedrijven en burgers gaat omlaag.

  • Administratieve lasten en regeldruk voor bedrijven dienen in 2012 ten opzichte van 2010 met 10% te zijn afgenomen. Het gaat hierbij onder meer om uniformering van het loonbegrip, aanpak van de loonsomheffing, verkorting van de winstaangifte en vereenvoudiging van de regelgeving inzake BV's.
  • Het aantal statistische uitvragen door het Centraal Bureau voor de Statistiek gaat drastisch omlaag.
  • Na 2012 vindt een jaarlijkse reductie van 5% van de administratieve lasten plaats.
  • Actal wordt, budgetneutraal omgevormd en met behoud van de taken voor bedrijven en burgers, een organisatie die extern toetst op basis van concrete klachten van het bedrijfsleven waarbij 'naming and shaming' niet zijn uitgesloten.
  • Per 1 januari 2011 komt er een zogeheten "inspectievakantie" voor het bedrijfsleven. Bij deugdelijke zelfregulering (certificering) kan met minder inspectieonderzoeken per bedrijf worden volstaan.
  • Als te laat op een vergunningsaanvraag wordt beslist, wordt de vergunning zoveel mogelijk automatisch verleend, met uitzondering van het vreemdelingenbeleid.  
  • Evenals de verwijderingsbijdrage voor kleine huishoudelijke apparaten verdwijnt ook de verwijderingsbijdrage voor witgoed, zoals airconditioners, wasmachines en koelkasten in 2011.

Maatschappelijk verantwoord ondernemen is belangrijk. Ondernemingen tonen aandacht voor mensen, milieu en maatschappij. Het gaat hierbij onder meer om de belangen van alle betrokkenen, met inbegrip van de aandeelhouders, om continuïteit en duurzaamheid, zowel ten aanzien van de omgeving, de klant en het product.
De huidige situatie op het gebied van de koopzondagen blijft gehandhaafd.

Energie

Nederland moet voor de voorziening van energie minder afhankelijk worden van andere landen, hoge prijzen en vervuilende brandstoffen. De energiezekerheid moet worden vergroot en er komt meer aandacht voor het verdienpotentieel op energiegebied. De Europese doelen voor een duurzame energievoorziening zijn leidend. Dit betekent 20% CO2-reductie en 14% duurzame energie in 2020.

  • Om de CO2-reductie te realiseren en minder afhankelijk te worden bij de energievoorziening, is meer kernenergie nodig. Aanvragen van vergunningen voor de bouw van een of meer nieuwe kerncentrales die voldoen aan de vereisten, worden ingewilligd. Opslag van CO2 kan ondergronds plaatsvinden met inachtneming van strenge veiligheidsnormen en lokaal draagvlak. Deze opslag komt pas aan de orde na verlening van de vergunning voor een nieuwe kerncentrale.
  • Het kabinet beoogt een 'Green Deal' met de samenleving, mede door voortzetting en versterking van de nationale aanpak van energiebesparing. De verlening van vergunningen voor lokale, kleinschalige productie van energie en warmte wordt eenvoudiger.
  • De energietransitie berust op innovatie door goede samenwerking tussen bedrijfsleven en kennisinstellingen, ondernemingszin bij de ontwikkeling en export van nieuwe producten op dit gebied en enkele maatregelen die hieraan bijdragen. Het kabinet bevordert onderzoek naar en toepassing van nieuwe energiebronnen.
  • De opwekking van duurzame energie moet zo snel mogelijk concurrerend worden maar verdient in de overgangsfase stimulering. Hiertoe wordt de Stimuleringsregeling Duurzame Energie (SDE) geleidelijk omgevormd in een SDE+ regeling. De financiering van de SDE+ vindt plaats door een opslag op de energierekening. De opbrengst van de SDE+ wordt direct ingezet voor duurzame energieprojecten. De SDE+ wordt, zoals vastgelegd in het financieel kader, geen regeling met een open einde.

Naast deze algemene maatregelen ter ondersteuning van de energietransitie, zijn ook meer gerichte, specifieke maatregelen nodig om de economie toekomstbestendiger en sterker te maken.

De energietransitie wordt ook in internationaal verband bevorderd.

  • In internationaal verband zet het kabinet in op versterking van het Initiatief Duurzame Handel, met inzet van middelen voor Ontwikkelingssamenwerking, en uitbreiding hiervan naar CO2-intensieve sectoren.
  • In de Europese Unie richt het kabinet zich onder meer op een CO2-efficiëntienorm voor elektriciteitscentrales, scherpe milieu-eisen aan producten, emissie-eisen aan alle transportmiddelen en een Europees energienet, ook op de Noordzee.
  • Het kabinet zet in op doorlichting van de wereldwijde broeikasgasemissiehandel ten aanzien van de betrouwbaarheid van emissierechten, zoals die uit het Clean Development Mechanism.
  • De energie-infrastructuur blijft in publieke handen.

Natuur

Een goed natuurbeheer en het op peil houden van de biodiversiteit zijn belangrijk, ook voor recreatief gebruik. De provincies krijgen meer zeggenschap over het natuurbeheer. De ecologische hoofdstructuur (EHS) wordt in 2018 herijkt gerealiseerd, onder meer door grensverlegging, strategische inzet van ruilgronden en ontstapeling van gebiedscategorieën, met maximale inzet op beheer en minimaal op verwerving. Dat kan dus betekenen dat er minder wordt aangekocht. Vooruitlopend op de herijking worden onder andere de robuuste verbindingen geschrapt. Beheer vindt bij voorkeur langjarig plaats door agrariërs, andere particulieren en terreinbeherende organisaties die samenwerken om meer effectiviteit te bereiken. De programmatische aanpak stikstof (PAS) blijft nodig voor een goed samengaan van economie en ecologie. Bij de uitvoering van de opgaven voor de EHS en Natura2000 worden ruimte en toekomstperspectieven voor ondernemers zoveel mogelijk meegewogen. De rek en ruimte binnen de toepasselijke Europese richtlijnen worden optimaal benut. Uitgangspunten voor de EU-richtlijnen zijn dat economie en ecologie in evenwicht zijn en dat maatregelen haalbaar en betaalbaar moeten zijn. Nationale koppen op de Europese regelgeving worden opgespoord en verwijderd.

Dierenwelzijn

Het dierenwelzijn wordt bevorderd. Het kabinet zet in op hogere eisen aan dierenwelzijn in de EU ten behoeve van een gelijk speelveld.

  • In elk geval zet het kabinet in op EU-regelgeving tot vermindering van transporten over lange afstand van slachtvee en het mogelijk maken van het vaccineren in plaats van het doden van dieren ter beperking van dierziekten.
  • Het kabinet zet in op alternatieven voor dierproeven.
  • Misstanden bij dierenfokkers worden aangepakt.
  • Illegale handel in exotische diersoorten wordt effectiever bestreden.
  • Dierenmishandeling wordt harder aangepakt, onder meer door 500 animal cops (dierenpolitie).
  • Er komt een apart alarmnummer voor dieren in nood en dierenmishandeling waaraan ook de dierenambulance zal worden gekoppeld (bijvoorbeeld 1-1-4 'red een dier').