Actueel

Deze hoofdrubriek bevat 2 rubrieken:

Van der Steur: nieuw wetboek krijgt vorm

De plannen voor het nieuwe Wetboek van Strafvordering zijn klaar. Dit blijkt uit een brief van minister Van der Steur (Veiligheid en Justitie) aan de Tweede Kamer. Met deze brief wordt een eerste, formele stap gezet naar een wetboek dat aansluit bij de moderne, digitale samenleving en toegankelijker is voor rechtspraktijk en burger. Een wetboek dat gemakkelijker in het gebruik is, de kwaliteit van de strafrechtspleging verhoogt en de prestaties van de strafrechtsketen verbetert.

De herziene wetgeving moet politie en justitie in staat stellen effectief en verantwoord criminaliteit te bestrijden. Tegelijkertijd moet ook deze wetgeving voldoen aan eisen van rechtsstatelijke en bestuurlijke kwaliteit. Het wetboek is techniekonafhankelijk, zodat het niet telkens aangepast hoeft te worden aan voortschrijdende technologie. Verder biedt het ruimte om in te spelen op nationale en internationale (Europese) ontwikkelingen. Zowel rechtspraktijk als wetenschap pleiten al langer voor een herziening.

Kwaliteit strafrechtspleging

Het nieuwe wetboek moet vooral een adequate justitiële reactie op strafbaar gedrag bevorderen. Dat vergt duidelijke procedures die goed op elkaar zijn afgestemd en politie, openbaar ministerie en rechtspraak in staat stellen goed met elkaar samen te werken.

Een modern, effectief strafproces zorgt voor meer kwaliteit in de strafrechtspleging en steunt de uitvoering van het beleidsprogramma Versterking prestaties in de strafrechtketen (VPS) dat in 2011 van start is gegaan. Door strafzaken sneller en slimmer af te handelen, ongewenste uitstroom te voorkomen en de informatievoorziening te verbeteren, moet de strafrechtketen als geheel beter gaan presteren.

Daarom komt er meer nadruk op het voorbereidend onderzoek dat grotendeels het verdere verloop en de kwaliteit van de procedure als geheel zal bepalen. Dat kan door in die fase al zoveel mogelijk te doen, zoals uitvoeren van deskundigenonderzoek, het opmaken van een reclasseringsrapport of het afnemen van een getuigenverhoor.

Een grondig voorbereidend onderzoek verhoogt de kwaliteit van de strafzitting: meer volledige dossiers, minder getuigenverhoren op zitting en een daling van het aantal aanhoudingen voor nader onderzoek. Bovendien krijgen alle betrokkenen eerder duidelijkheid over de afloop van de zaak. Overigens vergt deze werkwijze een actieve opstelling van zowel het openbaar ministerie als de verdediging. Beide partijen zullen, om tijdig onderzoekwensen te kunnen formuleren, eerder over stukken moeten kunnen beschikken en daarvan kennismoeten kunnen nemen. In verband hiermee krijgt de rechter-commissaris meer ruimte om onderzoekwensen te beoordelen. Ook gaat hij strakker toezicht houden op voortgang en afronding van het voorbereidend onderzoek. Strafzaken komen nu vaak op zitting terwijl het dossier nog niet compleet is.

Het nieuwe wetboek bevat straks ook een betere belangenafweging tussen de verschillende procesdeelnemers en biedt hen meer rechtszekerheid en rechtsbescherming. Er komt een aparte regeling voor de rechten en plichten van de getuige met aandacht voor diens eigen belangen als procesdeelnemer. Nu staan die regels verspreid in het wetboek en is de positie van de getuige summier beschreven. De positie van het slachtoffer in de cassatieprocedure wordt versterkt: hij krijgt mogelijkheden om de beslissing op zijn vordering tot schadevergoeding zelf aan de Hoge Raad voor te leggen.

Daarnaast krijgt de verdachte meer mogelijkheden om actief invloed uit te oefenen op het voorbereidend onderzoek en wordt het aantal gevallen waarin hij recht heeft op een kennisgeving van niet (verdere) vervolging uitgebreid. Of de verdachte meer mogelijkheden krijgt om aanwezig te kunnen zijn bij het verhoor van de getuige door de rechter-commissaris wordt nader onderzocht.

Verder wordt de regeling rond de bijzondere opsporingsbevoegdheden (BOB) eenvoudiger. Zo kan de officier van justitie straks de toepassing van verschillende bevoegdheden in één bevel opnemen, in plaats van meerdere bevelen uit te schrijven. Voorbeelden daarvan zijn infiltratie of observatie. Hetzelfde geldt voor het plaatsen van een tap. Volgens de huidige regels moet de officier van justitie het opgenomen gesprek én de bijbehorende verkeersgegevens nog apart vorderen bij de telecomaanbieder. Straks kan dat in één bevel.

Verbeteringen in procedures moeten voorkomen dat kostbare zittingscapaciteit verloren gaat. Bijvoorbeeld omdat het hoger beroep op het laatste moment wordt ingetrokken. Straks geldt een termijn van enkele weken vóór de terechtzitting waarbinnen het hoger beroep kan worden ingetrokken. Alleen bij uitzondering kan de rechter besluiten bij overschrijding van deze termijn de zaak toch te behandelen.

Het zogeheten voortbouwende karakter van het hoger beroep wordt aangescherpt. De appelrechter zal zich straks in zijn uitspraak - meer dan nu - richten op de ingediende bezwaren. Dit betekent dat een strafzaak in hoger beroep niet meer automatisch een geheel nieuwe behandeling krijgt. Hierdoor sluiten werkzaamheden van rechtbank en gerechtshof beter op elkaar aan en worden de doorlooptijden korter.

Betere tenuitvoerlegging van straffen is een noodzakelijke voorwaarde voor versterking van de prestaties van de strafrechtsketen. In de nieuwe opzet stuurt het Openbaar Ministerie alle uit te voeren strafrechtelijke beslissingen naar het Administratie- en Informatie Centrum voor de Executieketen (AICE) dat de administratieve logistiek verzorgt. Het AICE is ondergebracht bij het CJIB en zorgt ervoor dat elke speler in de keten de voor de uitvoering van de straf noodzakelijke informatie op maat, tijdig en juist krijgt aangeleverd.

Ook coördineert het AICE de betekening van dagvaardingen en oproepingen. Dit zal naar verwachting leiden tot minder fouten. Daarnaast zal de betekening vaker via elektronische overdracht gebeuren, waardoor zaken minder vaak worden aangehouden omdat verdachten niet zijn verschenen, maar wel voldoende ingelicht over het tijdstip van behandeling van hun zaak.

Digitale samenleving

Modernisering is ook nodig omdat de samenleving ingrijpend is veranderd door nieuwe technische mogelijkheden en de opkomst van andere soorten criminaliteit (cybercrime). Het huidige wetboek gaat uit van een strafdossier met papieren documenten. Het houdt onvoldoende rekening met digitale communicatie en informatie-uitwisseling. Dit leidt nogal eens tot vertragingen, waardoor het lang duurt voordat de rechter uitspraak kan doen. Deelnemers aan het strafproces werken straks met digitale stukken die het opsporingsproces versnellen en verbeteren. Dit zal resulteren in kortere doorlooptijden en een effectieve tenuitvoerlegging van straffen. Niet alleen het strafdossier, ook de ondertekening van stukken en de overdracht van betekeningen zijn straks elektronisch geregeld.

Digitale communicatie heeft ook effect op de regels voor opsporing van strafbare feiten. Zo komen er striktere regels voor onderzoek aan inbeslaggenomen elektronische gegevensdagers, zoals laptops, mobiele telefoons en tablets. Het is nu al mogelijk zeer grote hoeveelheden (persoonlijke) gegevens op te slaan en dat zal in de toekomst alleen maar toenemen. Dit rechtvaardigt meer waarborgen voor de burger. Onderzoek aan een mobiele telefoon is niet meer te vergelijken met onderzoek aan een eenvoudige zakagenda. Ook kunnen bijvoorbeeld nieuwe IT-systemen en aanpassing van werkprocessen bij de politie de administratieve lasten verminderen.

Achterstallig onderhoud

Het huidige Wetboek van Strafvordering - waarin het strafproces van opsporing tot en met de executie van de straf is geregeld - lijdt aan ‘achterstallig onderhoud’. Het bevat niet alleen verouderde of complexe procedures, maar door de vele wijzigingen sluiten de nieuwe en oude regelingen niet meer goed op elkaar aan. Bovendien laten Europese richtlijnen zich lastig inpassen. Dit maakt het noodzakelijk bestaande regels duidelijker op te schrijven, of zelfs te schrappen.

Zo verdwijnt de ingewikkelde nummering van wetsartikelen, met bijvoorbeeld nummers als 126zq of 552iid. Ook wordt de structuur van de regeling bijzondere opsporingsbevoegdheden eenvoudiger, waarbij het aantal wetsartikelen vermindert van 74 naar 20. Bovendien maakt een strakkere redactie van de wettekst de regeling toegankelijker. Dit kan door herhalingen te schrappen en dezelfde opsporingsbevoegdheid slechts eenmaal uit te schrijven. Het aantal verschillende rechterlijke procedures bij de tenuitvoerlegging van straffen wordt teruggebracht van circa 45 naar 9. Bovendien krijgt het nieuwe wetboek een andere indeling die overzichtelijker is en uit 8 boeken bestaat.

Planning

De wetsvoorstellen worden in vier verschillende tranches in procedure gebracht. Volgens de planning komt de laatste wet hiervan in december 2018 in het Staatsblad. De modernisering brengt omvangrijke praktische consequenties met zich mee voor alle organisaties in en om de strafrechtketen. Een zorgvuldige implementatie zal zich dan ook waarschijnlijk over meerdere jaren uitstrekken.

De plannen (de Contourennota) zijn tot stand gekomen in intensief overleg met politie, openbaar ministerie, rechtspraak, advocatuur en met vertegenwoordigers uit de wetenschap. Over de voortgang van de plannen wordt tijdens het tweede Congres over de modernisering op 15 oktober met de belanghebbenden verder gesproken.

De Rijksoverheid. Voor Nederland