Meer vrijheid voor mbo in de regio

Het mbo in de regio krijgt meer ruimte om af te wijken van de regels. Scholen en werkgevers weten vaak goed wat er nodig is om leerlingen in hun regio een goede opleiding te geven. Zij verdienen daarom meer vrijheid om hun onderwijs in te richten, vindt minister Bussemaker.

De bewindsvrouw schrijft dit in haar kabinetsreactie op twee adviezen (van de Onderwijsraad en de SER) over de toekomst van het beroepsonderwijs. Voorwaarde die ze stelt aan de ruimte die ze biedt is dat belanghebbenden binnen de school en de regio ermee instemmen, en dat de kwaliteit van het onderwijs op orde is. Regels moeten dienend zijn aan het onderwijs, aldus de minister. Daarom kiest zij er voor om ruimte in wet- en regelgeving te bieden aan scholen om af te wijken van landelijke standaarden.

De afgelopen periode heeft Bussemaker de teugels al laten vieren bij scholen die hebben bewezen dat ze de extra vrijheid aankunnen. Zo kan worden afgeweken van de norm die bepaalt dat een leerling 1000 uur les per jaar moet krijgen. Ook heeft zij het mogelijk gemaakt meer te variëren in de inhoud van de opleiding met de introductie van keuzedelen. Nu wil ze daarbij nog een stap verder gaan, door bijvoorbeeld te kijken of er kan worden afgeweken van de eisen rondom onderwijsduur.

Soepeler regels

Nu nog is in de wet vastgelegd hoe lang een opleiding moet duren, maar het kan wenselijk zijn als scholen hier in kunnen variëren. Zo kan het voor havo-scholieren goed zijn als zij een mbo-opleiding sneller kunnen doorlopen. Deze mogelijkheid maakt het voor havisten ook aantrekkelijk om te kiezen voor een mbo-opleiding. Ook voor werkenden kan het inkorten van de opleiding het aantrekkelijker maken om weer een opleiding te volgen. Bussemaker vraagt de SER om te onderzoeken of er meer ruimte noodzakelijk is.

Soepeler regels zijn ook nodig om meer leerlingen te laten leren in de praktijk. Onderzoek toont aan dat leren aan de hand van werkelijke problemen uit de praktijk studenten motiveert. Ook biedt 'leren en werken' betere kansen op de arbeidsmarkt. Het is daarom zorgelijke dat het aantal studenten dat kiest voor het werkend leren (de bbl) sinds een jaar of tien daalt. Om het voor werkgevers aantrekkelijker te maken om een leerwerkplek aan te bieden maakt het kabinet bij de verhoging van het wettelijk minimumjeugdloon een uitzondering voor bbl'ers.

Mix van praktijk en theorie

Bussemaker wil daarnaast een alternatief te bieden voor de keuze tussen bbl (vier dagen werken, een dag naar school) en bol (een tot drie dagen werken, twee tot vier dagen naar school). Het moet makkelijker worden om als school voor een leerling een mix van praktijk en theorie op maat samen te stellen. Binnen lopende  experimenten met combinatie van bol en bbl zijn hiertoe al mogelijkheden, maar de minister wil bezien of er meer werk gemaakt kan worden van hybride onderwijsvormen.

In de zorg wordt hier al mee geëxperimenteerd, bijvoorbeeld met  wijkdocenten die op locatie lesgeven. Hierdoor kunnen studenten in de zorg werken en leren beter combineren. Ook andere sectoren moeten volgens Bussemaker hiervoor de ruimte krijgen.