Documenten

Toespraak van minister Asscher op het ' Check je Werkstress Congres'

Toespraak van minister Asscher op het ' Check je Werkstress Congres' op 16 november 2015 in Den Haag (begin Week van de Werkstress).

Dames en Heren. Stelt u zich eens voor.

Met lood in je schoenen naar je werk. Elke ochtend weer. Niet omdat je het werk op zichzelf niet (meer) leuk vind. Integendeel: je wilt er nog steeds vol voor gaan.

Maar omdat er te veel werk ligt. Of omdat er te weinig mensen zijn om al die klussen te klaren. Of beide tegelijk.

Of omdat de aansturing niet loopt. Omdat er ergernissen tussen collega’s ontstaan. Misschien zelfs wel omdat je gepest wordt. Omdat altijd weer het spook van nieuwe reorganisaties op de loer ligt. Of omdat al deze zaken tegelijk lijken samen te komen. Je werk lijkt in de greep gekomen van de wet van Murphy.

De druk bouwt zich op. Je neemt het werk al lang mee naar huis. Je doet al lang ’s avonds laat nog even de mails die zijn blijven liggen.

Maar je neemt het werk nu ook continu mee in je hoofd. Overal mee naar toe. En dus ook mee naar bed. De volgende dag sta je op. Moe. Weer een dag. Je sociale leven lijdt eronder. Je gezin. Je relatie. Je voelt hoe langzaam de grond onder je voeten wegzakt.

Wiens dagelijkse werkelijkheid er zo uitziet, zit op de highway to burn-out. Stevent af op een depressie. Of erger nog.

Dames en Heren. Werkstress is een internationaal verschijnsel.

En het is geen fenomeen van vandaag of gisteren.

Al in 1969 werd in Japan voor het eerst Karoshi geconstateerd: dood door overwerk. Meestal plotseling overlijden van werkenden aan een hartaanval of beroerte. Tijdens de zeepbeleconomie van de jaren '80 werd het een echt probleem. De hoge werkbelasting, met werkdagen van 10 tot 12 uur, 6 à 7 dagen per week, bleek voor velen niet vol te houden. Logisch. Daarop is de mens lichamelijk en geestelijk niet berekend.

Voorbeelden van (extreme) werkstress komen ook van dichterbij huis. In zijn boek Dat kan niet waar zijn schetst antropoloog, schrijver en journalist Joris Luyendijk ons een inkijkje in de financiële wereld van de Londense City. Inclusief de heersende arbeidscultuur en allerlei codes die daarbij komen kijken.

Voor veel jonge professionals is cruciaal wat ze daar face time noemen. En dan heb ik het niet over het videobellen van Apple. Wil je hogerop komen, wil je die bonus, wil je status veroveren, vergroten of behouden, dan moet je als jonge medewerker uren maken zodat de baas ziet dat je uren maakt. 's Ochtends al vroeg op kantoor zijn, voordat de baas komt. 's Avonds zeker niet weggaan voordat de baas naar huis is!

Werk verwordt zo tot het enig belangrijke in je leven. Voor een relatie is eigenlijk geen tijd. Andere pijlers zoals een sociaal leven en ontspanning zijn weggeslagen. Je werk wordt je wereld. De 'echte wereld' verdwijnt uit zicht.

De Zuid-as is niet de City, maar werknemers in de financiële sector zullen er ongetwijfeld (sommige) patronen herkennen die Luyendijk beschrijft.

Werkstress is dus ook een fenomeen, waarmee we helaas ook in Nederland mee te maken hebben. Volop.

En werkstress beperkt zich absoluut niet tot de bovenkant van de arbeidsmarkt. Niet alleen zakenlieden, bankiers en managers gaan eronder gebukt. Werkstress heeft zich ingevreten in alle geledingen van de arbeidsmarkt.

Zeker ook in sectoren met lage lonen en matige arbeidsomstandigheden. Waar 'wegwerparbeid' terrein wint en een race to the bottom is ingezet.

Dergelijke omstandigheden knagen aan werknemers. Zorgen voor de dag van morgen kleuren de werkelijkheid grijs. Het kopen of zelfs huren van een woning blijkt (heel) lastig. Weerbaarheid en zelfvertrouwen staan onder druk. Stress krijgt de overhand. Ziekte en verzuim liggen op de loer.

Werkstress komt dus breed voor.

En vaak.

De cijfers liegen er niet om. Van het werkgerelateerde ziekteverzuim wordt ruim een derde (36%) veroorzaakt door werkstress. In totaal gaat het om ruim 7,5 miljoen verzuimdagen. Ruim een miljoen ofwel circa een op de zeven Nederlandse werknemers (14%) heeft het gevoel tegen een burn-out aan te lopen: ze hebben al serieuze (burn-out) klachten.

Jongere werknemers vormen een risicogroep. In totaal kampen van alle werknemers in de leeftijdsgroep van 25 t/m 34 jaar er ruim 240.000 ofwel 17% met burn-out klachten.

Dat is een persoonlijk drama voor iedereen die het treft: zo jong nog en dan al lange tijd uit de running. Bovendien blijft iemand die ooit een burn-out heeft gehad, er op langere termijn gevoelig voor. Ook voor de samenleving als geheel is het slecht als je zo omgaat met jong talent op de arbeidsmarkt.

De (mogelijke) oorzaken zijn divers. Veel jongere werknemers zitten in het spitsuur van het leven. Ze hebben het gevoel dat er zo veel van hen wordt verwacht. Thuis, op het werk, in hun sociale netwerken.

Vaak hebben ze zelf ook de lat hoog gelegd, zijn hun loopbaanverwachtingen hooggespannen. Het kan ook zijn dat taakeisen te hoog zijn, dat het werk emotioneel zwaar is en er ongewenste omgangsvormen zoals pesten een rol spelen.

Duidelijk is in ieder geval dat werkstress - en stress in meer algemene zin – vooral ook een veelkoppig monster is. Vaak spelen meerdere zaken een rol, en grijpen ze in elkaar en versterken ze elkaar in een neerwaartse spiraal. De situatie thuis, op het werk, de sociale omgeving, de persoon. Maar uit onderzoek is wel bekend dat vooral werk en sociale omgeving bepalend zijn.

Daar ligt dan ook een belangrijke rol voor sociale partners. Werknemers moeten zelf de druppel herkennen en hun grenzen aangeven. Maar ook werkgevers kunnen veel doen door te letten op te hoge taakeisen of de sfeer en sociale veiligheid op het werk, en preventieve maatregelen nemen. Juist als het werk veel van mensen vraagt. Dat hoort bij goed werkgeverschap.

Werkgevers en werknemers zijn het beste in staat om een goede inschatting te maken van het probleem.

Zij hebben ook het beste voor ogen wat een passende oplossing zou kunnen zijn. Er bestaat immers geen wondermiddel tegen het probleem werkstress. Elke situatie is weer anders en verdient daarom ook individuele aandacht. Vroege signalering is daarbij essentieel. Zo kun je voorkomen dat hoge druk doorslaat. Zo kun je de balans weer tijdig in evenwicht brengen.

Ook de inspectie SZW heeft daarbij een rol. Het inspecteren op werkstress is complex. Een inspecteur kan bij het bezoek aan een bedrijf niet gelijk zien hoe de onderliggende cultuur is. Werkgevers zijn daarnaast niet verantwoordelijk voor het privéleven van medewerkers.

Inspecteurs kunnen er echter wel op toezien of werkgevers daadwerkelijk actie ondernemen daar waar zij wel verantwoordelijk zijn, namelijk dat zij maatregelen nemen om risico’s zoals hoge werkdruk, pesten, agressie en geweld en discriminatie op het werk te verkleinen.

Ook ondernemingsraden zijn belangrijk. Zij kunnen hun werkgever erop aanspreken als er structureel te weinig gebeurt om werkstress te voorkomen. Ik roep hen dan ook op om signalen aan de Inspectie SZW door te geven.

Het afgelopen jaar is er veel aandacht geweest voor werkstress. Dat is een goede zaak. Net zoals het een goede zaak is, dat we die aandacht blijven vasthouden. Dit jaar, tijdens deze Week van de Werkstress, met een focus op jonge werknemers, die zoals ik net schetste een risicogroep vormen.

Maar ook komende jaren blijven we de aandacht vestigen op werkstress.

Dat is hard nodig. Om werkstress te voorkomen moeten we het taboe dat erop rust verbreken. Het slechten van een taboe vergt een cultuurverandering. Dat kost inspanning en tijd.

Maar het uiteindelijke doel is dat dubbel en dwars waard.

Dames en Heren. Stelt u zich eens voor.

Werk dat je energie geeft, meer dan dat het je kost. Waarin je je kunt ontplooien, en je tot je recht komt. Met goede collegiale contacten, in een fysiek en sociaal veilige omgeving. Dat goed te combineren is met zorgtaken.

Kortom, werk waaraan je plezier beleeft.

Hartelijk dank voor uw aandacht.

De Rijksoverheid. Voor Nederland