Van Slingelandt Lezing

Tekst van de Van Slingelandt-lezing door minister Bussemaker (OCW) in de Eerste Kamer, in Den Haag op 12 oktober 2017.

 

Beste mensen,

Dank u voor uw uitnodiging om dit jaar de Van Slingelandtlezing te verzorgen.

Voor mij is dit een bijzonder moment. Het is natuurlijk een hele eer om voor deze lezing te worden gevraagd maar dit zou ook wel eens de laatste keer zou kunnen zijn dat ik hier in de Eerste Kamer mijn stem laat horen. Van deze zijde nog wel - de plek waar normaal gesproken de voorzitter haar werk doet. Ik deed mijn werk meestal van achter die tafel, aan de overkant. [je wijst]

Ik heb daar regelmatig gestaan, met wetsvoorstellen. Over onderwijs, over cultuur, over wetenschap. Maar nog nooit over emancipatie. Dit is de 1e keer dat ik in de Eerste Kamer over emancipatie spreek.

En dat is maar goed ook.

Dat wil overigens niet zeggen dat het afgelopen kabinet geen wetten heeft gemaakt om de emancipatie te bevorderen. Integendeel.

Zo is in deze Kamer de afgelopen periode het lesbisch ouderschap juridisch gelijkgesteld met het ouderschap van heteroparen. Waardoor meemoeders hun kind niet meer hoeven te adopteren.

Er is een einde gekomen aan de mogelijkheid voor trouwambtenaren om zelf de huwelijksvoltrekking van een homostel te weigeren.

En het ouderschapsverlof is uitgebreid. Waardoor vaders vijf dagen betaald kraamverlof krijgen, in plaats van twee.

Stuk voor stuk belangrijke wetswijzigingen, die mijn collega’s (van Veiligheid en Justitie, van Binnenlandse Zaken, van Sociale Zaken) hebben doorgevoerd. Met grote impact voor de betrokkenen. En de lijst is nog lang niet compleet.

Maar wat ermee is veranderd zijn ook stuk voor stuk relieken uit een ver verleden. Die eigenlijk al veel eerder opgeruimd hadden moeten zijn. Of wijzigingen waarmee we onze achterstand op vergelijkbare landen een beetje inlopen.

Daarom vind ik het niet zo erg dat ik hier nog nooit over emancipatie heb hoeven spreken. Want  als je hier staat, is het eigenlijk al te laat. Dan is de wet die je wijzigt achterhaald. Dan pas je de wet aan aan een wijziging die zich daarbuiten - in de samenleving - allang heeft voltrokken.

En toch is het 1 van de belangrijkste taken van de overheid: de wet- en regelgeving in overeenstemming brengen met de opvattingen in de samenleving. De veranderende opvattingen vastleggen.

Daarmee kom ik bij de vraag die centraal staat tijdens deze lezing. Die luidt, zoals u in de uitnodiging heeft kunnen lezen: Hoe verhouden emancipatie- en diversiteitsbeleid zich ten opzichte van individuele vrijheden en hoe moet of kan een overheid een positief stimulerende rol daarin hebben?

Wetten horen daarbij. Maar de overheid doet  meer dan wetgeving alleen. Meer dan regeltjes opleggen. Vertaald naar het emancipatiedomein: de overheid doet meer dan het verzekeren van gelijke rechten. Meer dan het conserveren van wat er al is.

Ik zie het ook als taak van de overheid om vooruitgang te stimuleren. Progressie. Om structurele veranderingen in de samenleving te bewerkstelligen.

Niet alleen door negatieve vrijheden vast te leggen – door dingen te verbieden.

Maar juist door positieve vrijheid te bieden. Door dingen mogelijk te maken.

De instrumenten die we daarvoor hebben zijn legio. Ze zijn misschien niet altijd even sexy, en ze klinken vaak een beetje soft. Maar onderschat de kracht en de duurzaamheid ervan niet.

Denk aan samenwerking stimuleren, aan partijen met elkaar in contact brengen. Denk aan sectorakkoorden of subsidies. Denk aan management by speech.

Ik moet u op dit punt een bekentenis doen. Ik heb me in een interview wel eens woorden in de mond laten leggen, die ik nooit zo had bedoeld - maar die me op dat moment wel goed uitkwamen.

U herinnert het zich misschien nog wel. Het interview ging over de risico’s die vrouwen lopen als zij afhankelijk zijn van het inkomen van hun man, de kostwinner. Een hele mond vol, die Trouw terugbracht tot 'vrouwen die teren op de zak van hun man'…

Dat waren niet mijn woorden. En toch liet ik ze staan. Omdat ik een steen in de vijver wilde gooien, en een brede discussie over dit onderwerp wilde uitlokken, die ook buiten de kolommen van Trouw zou doordringen.

Omdat ik wilde dat mensen erover zouden gaan nadenken. Er een standpunt over zouden innemen of misschien zelfs hun opvattingen erover zouden bijstellen.

Maar – is hier de vraag – hoever gaat de overheid daarin?

Dat is een actuele vraag, in dit tijdsgewricht waarin het er soms op lijkt dat wat je roept belangrijker is dan wat je regelt.

Een tijd ook waarin het derde kabinet Rutte zijn neus aan het venster drukt – door sommigen al rechts met den Bijbel gedoopt. Blijft de overheid op de stoep, of staan we toe dat-ie achter de voordeur komt? En als we de overheid binnenlaten, wat komt-ie daar dan doen? Maar ook: wordt de komende periode er een van behoud, van conservatisme? Van: een vaststaande Nederlandse identiteit waar iedereen zich aan moet conformeren, zoals CDA-leider Buma wil?

Of krijgen de vooruitstrevende krachten de overhand en wordt het een progressief kabinet waar ruimte is voor diversiteit en waar diversiteit wordt gevierd?

Ik hoef u niet uit te leggen waar mijn voorkeur naar uitgaat…

Dus, ja, de overheid heeft een rol. Maar de vraag is nu hoe die zich verhoudt tot individuele vrijheden.

Die vraag is minder makkelijk te beantwoorden. Ik neem u mee in mijn overwegingen.

Rory O’Neill is een Ierse homoactivist en ’s lands bekendste drag queen. Zeg maar de Ierse Dolly Bellefleur. Op een filmpje op YouTube schetst hij, in de rol van zijn alter ego Panti Bliss, de kern van het probleem. Het is echt de moeite waard het filmpje eens te bekijken. Panti’s Noble call at The Abbey Theatre heet het. 

Ik citeer:

'Heb je ooit meegemaakt dat je bij een zebrapad stond toen er een auto langsreed met een groepje jongens erin, die uit  het raam leunden, 'Homo!' riepen en een pak melk naar je gooiden? Nu doet dat niet echt pijn. Je loopt een nat pak op – en ze hebben gelijk: ik ben homo.'

'Het doet geen pijn maar het voelt onderdrukkend.

Het doet pas naderhand pijn. Pas later vraag ik me af, maak ik me zorgen over, nee, raak ik geobsedeerd door de vraag wat het was. Wat ze aan me zagen waardoor ze het wisten. Waardoor verraadde ik mezelf. What was it that gave me away?’

'En ik haat mezelf omdat ik het me afvraag, want dat voelt onderdrukkend. Want de volgende keer dat ik bij een zebrapad sta, controleer ik mezelf om te zien wat me verraadt dat ik homo ben. Ik zorg ervoor dat ik niets doe wat me verraadt als homo. En dat voelt onderdrukkend.'

Einde citaat.

En denk nu niet: Dat is Ierland, het conservatief katholieke Ierland. Zoiets komt bij ons niet voor.

Stel je dan eens voor dat Rory O’Neill een donkere huidskleur had en kroeshaar.

En dat hij zijn verhaal niet was begonnen met de langsrijdende jongens in de auto en het melkpak maar als volgt:

'Heb je ooit meegemaakt dat je begin december over straat liep toen er een vader met zijn dochter langskwam, die jou, in al haar onschuld, Zwarte Piet noemde?'

Stel je voor dat Rory O’Neill als man was geboren en zijn sekse had laten veranderen, en zijn verhaal zo was begonnen:

'Heb je ooit meegemaakt dat je een dames-wc binnenkwam en te verstaan werd gegeven dat de heren-wc hiernaast is?'

Of stel je voor dat Rory O’Neill de vrouwelijke CEO van een multinational was en zijn verhaal zo was begonnen:

'Heb je ooit meegemaakt dat je in een interview wordt gevraagd hoe je je baan combineert met de opvoeding van je kinderen?'

Dit gaat niet over wetgeving. Dit gaat over iets anders. Dit gaat over hoe het voelt als jouw identiteit gereduceerd wordt tot de schertsfiguur van een Zwarte Piet. Het ongemak dat zo'n onschuldige opmerking met zich meebrengt. Dit gaat over dat je als transgender geconfronteerd wordt met je bijzonderheid, telkens weer als je naar een openbare wc gaat. En telkens het gevoel hebt dat je inbreuk maakt op de privacy van anderen, als je kiest voor de heren- óf de dames-wc. Dit gaat over telkens maar weer een dilemma aangepraat krijgen dat je zelf niet zo ervaart.

Kleine ongemakken, zult u zeggen. Inderdaad. Voor ons misschien. Maar niet voor degene die altijd maar wordt teruggebracht tot dat ene aspect van zichzelf. Of dat nu huidskleur, sekse, geaardheid, of wat dan ook is. Op zo'n moment is een succesvolle ondernemer, die in zijn vrije tijd verdienstelijk piano speelt en een fantastische vader voor zijn kinderen is, alleen nog maar Zwarte Piet.

Dan is de transgender, die gepromoveerd kunsthistoricus is en elk jaar weer het straatfeest organiseert, alleen nog maar een tot vrouw verbouwde man.

En dan is de CEO, die verantwoordelijk is voor duizenden werknemers, alleen nog maar een moeder van haar kinderen.

Ongemakken die we gemakkelijk kunnen voorkomen, tegen geringe maatschappelijke kosten. Want wat kost het nou om van een van de wc’s in je gebouw een genderneutraal toilet te maken? En hoeveel moeite kost het nou om de Sint bij zijn intocht te laten begeleiden door schoorsteenpieten en stroopwafelpieten in plaats van hun zwarte collega’s?

Hoeveel moeite kost het om je in te leven in een ander?

Als je – zoals ik - van de overheid meer verwacht dan een conserverende rol. Als je vindt dat de overheid vooruitgang moet stimuleren en structurele veranderingen in de samenleving moet bewerkstelligen. Dan is hier een rol voor de overheid weggelegd.

Door het op te nemen voor de mensen die gekwetst worden omdat ze zijn wie ze zijn.

En hun recht te beschermen om zichzelf te zijn, zonder dat zij zich daarover hoeven te verantwoorden.

Dan heeft de overheid een voortrekkersrol bij het doorbreken van stereotiepe beeldvorming en zodoende bij het bevorderen van de acceptatie van deze minderheden.

En dat betekent dan soms inperking van de individuele vrijheid van sommigen, zodat anderen meer ruimte krijgen.

Dat kan dus betekenen dat je Zwarte Piet moet inleveren voor een minder controversiële knecht van de goedheiligman. Dat je op sommige wc’s de kans loopt een transgender tegen te komen. Of dat je die ene vraag gewoon even niet stelt.

Omdat je je hebt ingeleefd in de positie van de ander.

Ik geef u een recent voorbeeld waar ik zelf een rol in speelde.

Hart van Homo’s is een orthodox-christelijke stichting die voorlichting geeft over homoseksualiteit in die kring. Dat deden ze met subsidie van OCW, vanuit de gedachte dat mensen uit de eigen kring geloofwaardiger zijn en daardoor meer impact hebben op hun gemeenschap, dan buitenstaanders. De stichting kwam vorig jaar in opspraak omdat ze homo’s in eigen kring oproept om af te zien van seks. Ze mogen 'het' wel zijn maar niet doen.

Onder aanvoering van de VVD eiste een meerderheid van de Tweede Kamer dat de subsidie onmiddellijk werd ingetrokken. Op het eerste gezicht een begrijpelijke reactie.

Ik was het – en ben het ook nog steeds - hartgrondig met Hart van Homo’s oneens. Maar de subsidie had een doel: namelijk het bevorderen van de acceptatie van homoseksualiteit in reformatorische kring.

Met dat doel voor ogen had ik de subsidie toegekend. Nadat ik me goed in de kwestie had verdiept, had gesproken met de mensen van Hart van Homo’s en de afweging had gemaakt: wijs ik de subsidie principieel af? Of liet ik het belang van een kleine minderheid zwaarder wegen?

Alles afgewogen hebbende vond ik het doel belangrijker dan de hobbelige weg ernaartoe. Ik verdedigde dus mijn besluit om Hart van Homo’s subsidie te geven. Omdat dat in het belang was van jonge lhbt’ers op de Bible Belt. Omdat er zonder Hart van Homo’s helemaal niets werd gedaan aan de acceptatie van hun 'zijn'. 

Ook al wist ik dat ik het zou afleggen tegen de meerderheid –want zo werkt het nu eenmaal in de politiek.

'Emancipatie is geen stok om mee te slaan’, schreef ik vorig jaar in een brief aan de Tweede Kamer, die onder andere over Hart van Homo’s ging. Emancipatie is geen beleidsinstrument om andersdenkenden terecht te wijzen. Geen excuus om je morele gelijk te halen.

‘Het is een middel om universele mensenrechten te omarmen en meer mensen in de gelegenheid te stellen hiervan de vruchten te plukken. Emancipatie dient niet om scheidslijnen aan te brengen, maar juist om die weg te nemen.'

Emancipatie is dus geen hoepeltje waar iedereen doorheen moet springen om erbij te mogen horen. Emancipatie is niet anderen vertellen hoe ze zich moeten gedragen, met als argumentatie: 'Want zo doen wij dat hier. Dit is nu eenmaal de Nederlandse identiteit.' Het is niet moslims de keuze voorhouden: wees enthousiast over de Gay Pride en anders rot je maar op, zoals je bij de VVD wel eens hoort.

Het is ook geen instrument waarmee we een vals wij-gevoel kunnen scheppen, zoals nu bij sommigen (het CDA) bon ton lijkt te zijn. Door net te doen alsof ‘de Gewone Nederlander’ bedreigd wordt doordat Poolse werknemers ‘onze’ baantjes afpakken.

Of te doen alsof de Nederlandse identiteit in gevaar komt door een stroopwafelpiet of door niet langer onderscheid te maken tussen jongens- en meisjeskleding.

Ik zei het al: emancipatie is geen stok om mee te slaan. Het dient niet om scheidslijnen aan te brengen, maar juist om die weg te nemen.

U denkt nu misschien: als we met zijn allen maar inschikken en lang genoeg door-emanciperen komt het allemaal wel goed. Dan moet ik u teleurstellen. Want dat is niet het geval. U verwacht het misschien niet, maar ook aan emancipatie zijn risico’s verbonden.

Emancipatie kan namelijk ook doorschieten en leiden tot ongewenste maatschappelijke uitkomsten. De Amerikaanse politicoloog Mark Lilla heeft hier interessant onderzoek naar gedaan. Hij zegt:

'De focus op identiteit heeft ervoor gezorgd dat de wetenschappelijke wereld haar horizon verbreedde, ook oog kreeg voor groepen als vrouwen en afro-Amerikanen. Maar het heeft ook een wat eenzijdige fascinatie bevorderd voor verschillen tussen groepen, waardoor een vertekend beeld van de geschiedenis ontstond.'

Dit blijft niet beperkt tot de wetenschappelijke wereld, aldus Lilla. Met de studenten loopt de eenzijdige focus op identiteit mee de poorten van de universiteit uit, en de samenleving in.

'Dit heeft ervoor gezorgd dat jongeren nu toleranter zijn jegens anderen maar het heeft tegelijkertijd het democratische ‘wij’ ondermijnd, waarop solidariteit kan worden gebouwd.'

'It is unmaking rather than making citizens'.

Lilla beschrijft hier de analoge variant van je verschansen in je timeline, waar je jouw interesses, opvattingen en emoties alleen nog maar bevestigd ziet door anderen. Waar je met gelijkgestemden een gezamenlijke identiteit aan ontleent.

Een identiteit die grootse vormen kan aannemen, zonder te worden verstoord door tegengestelde geluiden, omdat die niet doordringen in de echokamer van het eigen gelijk.

Daarmee geeft Lilla in mijn optiek de grens aan van hoe ver de overheid moet gaan met emancipatiebeleid. Als het ertoe leidt dat iedereen zich opsluit in zijn eigen identiteit, dan is het zijn doel voorbij geschoten. Dan werpt het scheidslijnen op in plaats van dat het ze afbreekt.  Dan wordt het kiezen vóór de een, kiezen tégen de ander.

Terwijl de overheid er juist is om te voorkómen dat samenleven een zero sum-game wordt, een Hobbesiaanse strijd van allen tegen allen.

De overheid is er om de sociale betrekkingen te regelen. Om afspraken te maken tussen burgers en ervoor te zorgen dat zij zich daaraan houden, zodat ze op basis van gelijkheid en in veiligheid kunnen samenleven.

Want uiteindelijk weegt voor de overheid het algemeen belang – de samenleving - altijd het zwaarst.

En het is mijn diepste overtuiging dat het algemeen belang gebaat is bij diversiteit. Bij verschillende perspectieven en opvattingen. Of dat nu in de politieke arena is, in de boardroom, op het sportveld of gewoon op straat. Diversiteit geeft niet alleen (letterlijk) kleur aan het leven, het zorgt ook voor betere oplossingen voor (maatschappelijke) problemen. Diversiteit – kortom - maakt de samenleving beter.

Diversiteit vraagt inlevingsvermogen. Je verplaatsen in een ander en die ander de ruimte willen bieden. Let wel: die ander hoeft niet alleen een minderheid van onderdrukten of miskenden te zijn. Dat kan ook De gewone Man zijn zijn.

Zolang niet iedereen daartoe in staat is of daartoe bereid is, is er een overheid nodig om dat regelen. Om een voorbeeld te stellen, om stereotiepen te doorbreken, om de samenleving te veranderen.

Geachte aanwezigen,

Het kan niet toevallig zijn dat u deze plek hebt gekozen voor de Van Slingelandtlezing: de Eerste Kamer, ook wel bekend als Chambre de Réflexion. Een eerbiedwaardig instituut dat samen met de regering en de Tweede Kamer wel wordt beschouwd als het 'hoogste orgaan' van de overheid. Het instituut waar een voorgestelde wijziging nog een laatste maal goed wordt doordacht en besproken voordat ze in de wet wordt vastgelegd. De staatsrechtelijke poortwachter van veranderingen dus eigenlijk.

Dat Thorbecke de Senaat ‘zonder grond en doel’ noemde, is hem vergeven. Want die uitglijder maakte hij ruimschoots goed met de volgende overpeinzing in zijn rede over Van Slingelandt uit 1872.

Vrij vertaald luidt die:

'Idealisten met goede ideeën om de wereld te verbeteren, worden door de domme massa al gauw als onruststokers neergesabeld.' 

'Alsof behoud in het afwijzen van verandering, en niet in de verandering zelf bestaat.'

Van Slingelandt zou het dus met mijn conclusie eens zijn geweest dat een overheid zich niet moet beperken tot het vastleggen en conserveren van wat in de samenleving al geldt. Maar een positieve, stimulerende rol kan hebben bij het omarmen en teweegbrengen van veranderen.

Ik dank u wel.