Aanvullende subsidie voor meerjarig gesubsidieerde, producerende instellingen en festivals

In het tweede steunpakket voor de culturele sector is € 100 miljoen beschikbaar voor instellingen in de culturele basisinfrastructuur 2021-2024 (BIS). Ook 25 Rijksmusea en instellingen en festivals die meerjarige subsidie ontvangen 1 van de 6 Rijkscultuurfondsen in de periode 2021-2024, en instellingen die uit andere onderdelen van de begroting van het ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap worden gefinancierd, ontvangen aanvullende subsidie. 

Beschikbaar bedrag aanvullende subsidie

Uit het tweede steunpakket is € 100 miljoen beschikbaar voor aanvullende subsidie voor meerjarig gesubsidieerde, producerende instellingen en festivals. Daarnaast is er € 6,25 miljoen beschikbaar voor filmproducenten. In het eerste steunpakket was voor deze instellingen, festivals en producenten € 153 miljoen beschikbaar, dit is inmiddels uitgekeerd. 

Ontvangers aanvullende subsidie

De aanvullende subsidie gaat naar:

  • 91 instellingen en festivals in de BIS 2021-2024.
  • 25 Rijksmusea via de Erfgoedwet.
  • 300 instellingen en festivals die meerjarige subsidie ontvangen van de 6 rijkscultuurfondsen in de periode 2021-2024. Ga voor specifieke vragen over aanvullende financiering via 1 van de 6 rijkscultuurfondsen:
  • NEMO, het Onderwijsmuseum, het Nederlands Instituut voor Beeld en Geluid, het Radio Filharmonisch Orkest, Groot Omroepkoor, Jachthuis Sint Hubertus, Next Nature Network en Eurosonic Noorderslag. Ook zij vallen onder de verantwoordelijkheid van het ministerie van OCW en hebben te maken met vergelijkbare problematiek als de instellingen in de BIS 2020-2024.

Verstrekking subsidie

De aanvullende subsidie wordt als volgt verstrekt:

  • De aanvullende subsidie geeft gedeeltelijke ondersteuning van de gederfde eigen inkomsten van de instelling, in aanvulling op de reguliere subsidie.
  • De aanvullende subsidie wordt berekend op basis van circa 22% van de eigen inkomsten per jaar, waarbij als grondslag het gemiddelde wordt genomen van de behaalde eigen inkomsten in de jaren 2017 en 2018.
  • De aanvullende subsidie heeft een maximum van 2 keer het structurele subsidiebedrag dat de instelling heeft ontvangen in 2018.
  • Instellingen die in 2018 minimaal 15% aan eigen inkomsten hadden komen in aanmerking.
  • Instellingen die geen of nauwelijks publieksactiviteiten uitvoeren zijn uitgesloten.
  • Ook festivals en biënnales ontvangen op basis van deze rekenregel een aanvullende subsidie

Tweede steunpakket in 2021 beschikbaar

De aanvullende subsidie kan in het eerste kwartaal van 2021 aan de instellingen beschikbaar worden gesteld.

Meer instellingen vallen onder tweede steunpakket

Het totale aantal instellingen dat hiermee een aanvullende subsidie krijgt is een aanzienlijk groter aantal instellingen dan in het vorige steunpakket. Dit komt omdat in 2021 een nieuwe BIS-periode en een nieuwe periode voor de meerjarige regelingen van de fondsen ingaat. Daarin zitten aanzienlijk grotere aantallen instellingen. Deze aanvullende subsidie komt bovenop de reguliere subsidie, waarbij instellingen in deze moeilijke tijd maximale coulance met betrekking tot de subsidievoorwaarden wordt geboden.

Voorwaarden besteding subsidie

Er zijn geen specifieke voorwaarden of verplichtingen, anders dan opgenomen in de beschikking. De minister heeft wel de verwachting uitgesproken dat BIS-instellingen met deze subsidie de gederfde inkomsten kunnen opvangen, maar ook kunnen werken aan nieuwe voorstellingen en tentoonstellingen. Net als bij het eerste steunpakket hecht de minister er grote waarde aan dat instellingen deze steun gebruiken om personeel in dienst te houden en om opdrachten te blijven verstrekken aan zelfstandigen. Hiermee wordt de sector op peil gehouden en kan de sector de programmering sneller weer opstarten, zodra dit weer kan.

Aanvullende subsidie telt mee als omzet bij NOW-subsidie

Bij het berekenen van omzetdaling worden andere subsidies meegeteld als omzet indien deze betrekking hebben op referentieperiode voor de omzetdaling. Subsidies die worden verstrekt in het kader van aanvullende noodmaatregelen voor specifieke sectoren, tellen dus in de regel mee als omzet voor de NOW. De hoogte van de NOW wordt o.a. bepaald aan de hand van het omzetverlies van de aanvrager. Daarbij wordt gekeken naar de hoogte van de omzet over de meetperiode zoals die is opgegeven bij de aanvraag, afgezet tegen de omzet in de referentieperiode. Bij het berekenen van subsidies als omzet is niet de ontvangstmaand bepalend, maar de periode waar de aanvullende subsidie op ziet.

Toerekening aanvullende subsidie

De aanvullende subsidie is, vergelijkbaar met de vierjaarlijkse instellingssubsidie, verleend als een lumpsum-of budgetsubsidie. De subsidie wordt per kalenderjaar door de subsidieontvanger verantwoord als baten in de jaarrekening en in het jaarverslag. De subsidieontvanger kan, naar gelang van toepassing op de eigen praktijk, de (aanvullende) subsidie in de administratie naar rato verdelen over het jaar of boeken op de momenten die betrekking hebben op de uitgaven. De wijze van toerekenen aan de maanden dient toegelicht te worden en consequent te worden doorgevoerd.

Eerste steunpakket: besteding hoeft niet in 2020

In de regeling en de beschikking is opgenomen dat de middelen die in 2020 nog niet zijn besteed, door BIS-instellingen mogen worden gereserveerd om op een later moment te worden besteed. De verantwoording van deze middelen wordt in de jaarrekening over 2020 opgenomen, ook als een deel wordt gereserveerd voor 2021.

Overbruggingssubsidie

Juist nu is het van belang om talent voor de sector te behouden en ervoor te zorgen dat de plekken waar dit talent zich kan ontwikkelen niet verdwijnen. Daarom wordt € 11,25 miljoen geïnvesteerd om dergelijke instellingen in de podiumkunsten, beeldende kunsten, amateurkunsten, creatieve industrie en producenten in de filmsector te ondersteunen.

Het gaat om instellingen die een aanvraag hadden ingediend voor de BIS 2021- 2024 of voor meerjarige ondersteuning bij het Mondriaan Fonds, het Fonds voor Cultuurparticipatie en het Stimuleringsfonds Creatieve Industrie, en die een positieve beoordeling kregen maar waarvoor geen budget beschikbaar was. In totaal komen naar verwachting 35 instellingen voor deze overbrugging in aanmerking, voor een totaalbedrag van, naar schatting, € 5 miljoen.

Uitgangspunten toekenning overbruggingssubsidie

  • Deze instellingen zijn positief beoordeeld door de Raad voor Cultuur of de adviescommissies van het Mondriaan Fonds, het Fonds voor Cultuurparticipatie en het Stimuleringsfonds Creatieve Industrie.
  • Na weging van alle aanvragen, is geadviseerd aan deze instellingen geen subsidie toe te kennen.
  • De hoogte van de overbruggingssubsidie bedraagt éénmalig de helft van het geadviseerde jaarbedrag. Daar waar geen bedragen zijn geadviseerd, wordt de helft van het aangevraagde bedrag verleend.
  • Instellingen laten zien op welke wijze zij andere inkomsten gaan genereren in deze periode.
  • Instellingen die via een ander fonds of via OCW alsnog in aanmerking komen voor (gedeeltelijke) toekenning van de aangevraagde subsidie voor de periode 2021-2024, komen niet in aanmerking voor de overbruggingssubsidie.

Daarnaast ontvangt het Filmfonds € 6,25 miljoen voor de continuering van de pilot high end series van het Film Production Incentive.

In eerste kwartaal beschikbaar

De overbruggingssubsidie kan naar verwachting in het eerste kwartaal van 2021 aan de instellingen beschikbaar worden gesteld.

Bekijk ook

Alle regelingen voor de culturele en creatieve sector