Stranding walvissen

Er zijn 2 groepen walvisachtigen: baleinwalvissen (bijvoorbeeld de bultrug en de vinvis) en tandwalvissen (bijvoorbeeld de potvis).

De Leidraad stranding leven grote walvisachtigen gaat over alle baleinwalvissen en over tandwalvissen groter dan 3 meter. Er zijn de laatste jaren steeds meer grote walvissen te zien in de Noordzee. Walvissen gaan in het voorjaar richting de poolgebieden en in het najaar trekken ze vaak terug naar het zuiden. Meestal gaan ze via de westkust van het Verenigd Koninkrijk, soms zwemmen ze via de Noordzee. Voor baleinwalvissen is dat geen probleem, maar voor een potvis is de Noordzee veel te ondiep.

Overlevingskans gestrande walvissen

Wanneer een walvis strandt is de kans dat het dier het overleeft heel klein. Gezonde walvissen stranden sowieso weinig. Zodra het dier op het strand ligt loopt het door het eigen gewicht al snel ernstige spierschade op. Een team van deskundigen stelt vast of er binnen 12 uur een reddingspoging kan worden gedaan om het dier terug naar zee te krijgen. Het langzaam aflopende Nederlandse strand maakt dit bijna onmogelijk.

Risico's openbare orde

Een gestrande walvis kan een risico zijn voor de openbare orde en de volksgezondheid. Het redden of het uit het lijden verlossen van een dier is een behoorlijk karwei. Vanwege het gewicht en de grootte van een walvis kan je het dier niet simpelweg tillen of trekken. Bovendien is het gevaarlijk voor mensen die te dicht bij het dier komen.

Voorbereiden op gestrande walvissen

De stranding van een levende grote walvis komt in ons land zelden voor. Toch is het belangrijk om goed voorbereid te zijn. Er komt namelijk meer bij kijken dan je denkt. Er zijn veel betrokken partijen bij een reddingspoging, zoals de Kustwacht, Rijkswaterstaat en Naturalis. Daarnaast zijn de gemeente, provincie, en de politie erbij betrokken om de openbare orde te bewaken, want een stranding trekt veel interesse van mensen, tv en kranten.

Bij de reddingspoging staan de veiligheid van de mens en het welzijn van het dier voorop. Het ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit heeft de leidraad gemaakt en zorgt er daarmee voor dat alle partijen goed samenwerken.