Rijk en gemeenten presenteren nieuwe aanpak huiselijk geweld en kindermishandeling

Minister De Jonge (VWS) en minister Dekker (Rechtsbescherming) binden met de gemeenten de strijd aan met huiselijk geweld en kindermishandeling. Samen met Annemarie Penn-te Strake namens de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) presenteren ze het actieprogramma Geweld hoort nergens thuis. Het bevat een groot aantal maatregelen om huiselijk geweld en kindermishandeling terug te dringen en duurzaam op te lossen. Het Rijk stelt daar de komende jaren tientallen miljoenen voor beschikbaar.

Huiselijk geweld en kindermishandeling vormen een hardnekkig maatschappelijk probleem. Veel volwassenen en kinderen in Nederland zijn thuis niet veilig. De kans dat iemand te maken krijgt met huiselijk geweld of kindermishandeling is groter dan de kans op welke andere vorm van geweld dan ook. Ondanks de inzet van de afgelopen jaren is het tot nu toe niet gelukt om dit probleem terug te dringen. Jaarlijks zijn nog steeds zo’n 200.000 volwassenen en 119.000 kinderen slachtoffer. De gevolgen zijn desastreus en vaak levenslang merkbaar.

Eerder en beter in beeld

Situaties van huiselijk geweld en kindermishandeling moeten daarom eerder en beter in beeld komen. Het is belangrijk dat slachtoffers zich durven uit te spreken, dat de omgeving van het slachtoffer signalen herkent en dat men vervolgens weet wat te doen. Zo worden bijvoorbeeld alle zorgprofessionals en leerkrachten getraind in het gebruik van de meldcode huiselijk geweld en kindermishandeling. De politie werkt samen met het OM en Veilig Thuis om snel te interveniëren in situaties van acute onveiligheid. De rol en positie van Veilig Thuis wordt versterkt. Daarnaast willen we de expertise voor forensisch medisch onderzoek beter beschikbaar maken door te investeren in opleidingen en regionale borging.

Stoppen en duurzaam oplossen

De ambitie van het programma is om geweld te stoppen en de gezinssituaties veilig te maken. Gezinnen die dat nodig hebben, krijgen hulp. Slachtoffers worden snel en blijvend in veiligheid gebracht. Plegers moeten aangepakt worden om herhaling te voorkomen en als signaal naar het slachtoffer. Waar nodig en mogelijk wordt naast straf ook deelname aan een hulpverleningstraject als (verplichte) voorwaarde gesteld. Plegers mogen zich niet langer aan hulp onttrekken of een traject half afmaken. Zo wordt er gericht aan gedragsverandering gewerkt.

De minister van Justitie en Veiligheid dient een wetsvoorstel in voor verhoging van het strafmaximum bij stelselmatige kindermishandeling en verlenging van de verjaringstermijn. Er komen tevens speciale multidisciplinaire centra huiselijk geweld, een verzamelnaam voor initiatieven waarin professionals multidisciplinair en systeemgericht werken. Professionals uit de verschillende betrokken domeinen, zoals de psychosociale, medische en justitiële sector werken daar samen aan de begeleiding en behandeling van slachtoffers en betrokkenen en aan de aanpak van plegers. Ook moet overal in het land traumascreening en -behandeling beschikbaar zijn. Daarnaast willen we dat scholen sneller geïnformeerd zijn na geweldsincidenten thuis, zodat zij steun kunnen bieden aan het kind op school.

Specifieke groepen

Voor een aantal specifieke doelgroepen is extra aandacht nodig. Denk daarbij aan de slachtoffers van loverboys (mensenhandel), slachtoffers van seksueel geweld, kinderen in kwetsbare opvoedsituaties en kinderen van wie de ouders in een complexe scheiding verwikkeld zijn. Maar ook tegen ouderenmishandeling wordt een specifieke aanpak gemaakt.

Organisatie

Om de plannen te kunnen uitvoeren komt er per regio een aanpak huiselijk geweld en kindermishandeling. Een landelijk kernteam helpt de ambities uit het programma Geweld hoort nergens thuis te vertalen naar de regio en in de betrokken sectoren en organisaties. Een stuurgroep ziet toe op de voortgang van het programma en heeft een rol in het wegnemen van eventuele knelpunten door verbetering van beleid of wet- en regelgeving, of door het maken van nieuwe landelijke afspraken.

Resultaten

Om te meten of het programma ook tot de juiste resultaten leidt, worden mogelijke indicatoren benoemd waarop getoetst wordt. Uiteindelijk moet het resultaat zijn dat de gemiddelde duur van geweld tot aan de 1e melding afneemt en dat in gezinnen waar sprake is van geweld de veiligheid op de lange termijn geborgd is en het welbevinden van deze gezinnen omhoog gaat.