Maatschappelijke diensttijd bevordert talentontwikkeling

De Rijksoverheid wil de talenten van jongeren inzetten om de samenleving sterker te maken. De jongeren kunnen iets leren en tegelijkertijd bijdragen aan de maatschappij. Dat zijn de doelen van de maatschappelijke diensttijd.

Maatschappelijke diensttijd voor iedereen

De Rijksoverheid wil dat burgers elkaar helpen als dat nodig is. Bijvoorbeeld in de zorg, in de natuur en in het onderwijs. Maar voor jongeren die het druk hebben met school, sport, andere hobby’s of een bijbaan, kan dat lastig zijn. Jongeren kunnen daarom een maatschappelijke diensttijd doen op een moment dat zij dat zelf logisch vinden. Zo kunnen zij iets leren en kan de samenleving daarvan profiteren.

De Rijksoverheid vindt het belangrijk dat alle jongeren een diensttijd kunnen doen. Hun opleiding, achtergrond of levensfase maakt niet uit. Dat geldt niet alleen voor de experimenten met de maatschappelijke diensttijd, maar ook voor de echte diensttijd straks.

Keuzevrijheid zorgt voor succes

Jongeren moeten zelf kunnen kiezen voor een diensttijd die bij hun interesses aansluit. Hun motivatie is dan groter. En de kans dat zij wat aan de ervaring hebben is groter. Jongeren geven in de verkennende gesprekken ook aan dat zij het belangrijk vinden om zelf te kunnen kiezen. Tijdens de verkennende fase van de diensttijd konden jongeren aangeven wat zij belangrijk vinden:

  • Zelf keuzes kunnen maken en doelen kunnen stellen.
  • Nieuwe vaardigheden opdoen die ze ergens anders niet zo snel kunnen leren.
  • Van betekenis zijn en impact kunnen hebben op de samenleving.
  • Goede begeleiding krijgen.
  • Flexibele invulling van de diensttijd, zodat het past naast school, hobbies en bijbaan.
  • De diensttijd moet toegankelijk zijn voor alle jongeren uit verschillende groepen in de samenleving.

Voordelen voor de samenleving

De diensttijd kan een belangrijke bijdrage leveren aan:

  • de ontwikkeling van burgerschap, solidariteit en gemeenschapszin;
  • ontmoetingen tussen verschillende bevolkingsgroepen;
  • de invulling van een inclusieve samenleving;
  • de gerichte oriëntatie op studie en werk;
  • interesse voor sectoren met een tekort aan vakpersoneel. Bijvoorbeeld in de techniek, de zorg en de veiligheid.