Overheidsschuld in de coronacrisis

Vanwege uitgaven in de coronacrisis stijgt de overheidsschuld in 2021. De Rijksoverheid geeft meer geld uit dan er binnenkomt om de economie en samenleving te steunen tijdens de coronacrisis. De Rijksoverheid leent geld om dit begrotingstekort aan te vullen. Wanneer de economie en samenleving na de coronacrisis herstellen, neemt de overheidsschuld weer af.

Economische gevolgen coronacrisis beperken

Door de coronacrisis is de economie gekrompen. Bijvoorbeeld doordat winkels en restaurants dicht waren. Mensen kunnen daar dan geen geld uitgeven. Er waren ook minder inkomsten uit belastingen en premies. Toch heeft de Rijksoverheid de geplande uitgaven gedaan. Daarnaast heeft het Rijk miljarden euro’s extra uitgegeven. Bijvoorbeeld om banen te behouden. Ook heeft het Rijk belastinguitstel gegeven aan bedrijven om faillissementen te voorkomen. Op die manier wil het Rijk de economische gevolgen van de coronacrisis zoveel mogelijk beperken.

Door de extra uitgaven en de krimpende economie steeg de overheidsschuld in 2020 naar 54,4% van het bruto binnenlands product (bbp). In 2019 was die nog 48,7% van het bbp. Eind 2021 loopt de overheidsschuld naar verwachting op tot 58,6% van het bbp.  

Eenmalige uitgaven

De steun die de Rijksoverheid in de coronacrisis heeft gegeven is een eenmalig. Het geld dat is uitgegeven om banen te behouden, wordt volgend jaar niet nog eens uitgegeven. Het heeft dus geen langdurige gevolgen voor de overheidsschuld.

Tijdens de coronacrisis doet de overheid geen structurele uitgaven. Structurele uitgaven hebben wel grote gevolgen voor de overheidsschuld. Een structurele uitgave is bijvoorbeeld verhogen van salarissen van ambtenaren of uitkeringen. Spreekt het kabinet dat af voor een bepaald jaar? Dan geeft het Rijk daar ook volgende jaren extra geld aan uit.