Maatregelen tegen voortijdig schoolverlaten

De Rijksoverheid, scholen en gemeenten proberen te voorkomen dat leerlingen zonder startkwalificatie van school gaan (voortijdige schoolverlaters). Een startkwalificatie is een diploma op havo, vwo of mbo 2 of hoger. Valt een scholier toch uit? Dan wil de overheid ervoor zorgen dat hij of zij toch nog een startkwalificatie haalt.

Maatregelen scholen en gemeenten

Scholen en gemeenten zijn verantwoordelijk om voortijdige schooluitval tegen te gaan. Op 1 januari 2019 treedt een wet in werking waarmee deze samenwerking een wettelijke plicht wordt. Samen moeten ze bepalen welke maatregelen ze inzetten. De afspraken hierover leggen ze vast in een regionaal plan. Ze kunnen verschillende maatregelen inzetten:

  • Coaches inzetten voor uitgevallen jongeren;
  • Speciale klassen voor jongeren die twijfelen over hun studiekeuze;
  • Hulp bij de studie- en loopbaankeuze. Dit voorkomt dat jongeren uitvallen doordat de opleiding tegenvalt;
  • Leerlingen volgen en begeleiden die overstappen naar het mbo. Bij de overstap van vmbo, havo en vwo naar het mbo hebben jongeren een grotere kans om uit te vallen. Vaak melden jongeren zich niet of te laat aan voor de mbo-opleiding. Ook vallen veel jongeren uit in eerste schooljaar op het mbo. Meestal omdat de opleiding anders is dan verwacht, waardoor ze snel afhaken. Een gemeente kan nagaan of jongeren op tijd zijn ingeschreven voor een mbo-opleiding. En ze tijdens de zomermaanden helpen bij het vinden van een passende opleiding;
  • ‘Warme overdracht’ van mbo-leerlingen vanuit het vo. Hierbij bekijken de oude en de nieuwe school samen welke extra ondersteuning een leerling nodig heeft;
  • Experimenten met een ‘doorlopende route’ van vmbo naar het mbo. Bijvoorbeeld de vakmanschaproute en de technologieroute. Deze leerroutes starten in het derde jaar van het vmbo. Ze moeten er voor zorgen dat jongeren makkelijk doorstromen naar het mbo. Dit wordt voor alle opleidingen mogelijk gemaakt. Zie hiervoor de Kamerbrief over programma versterking vmbo-mbo;
  • Ziekteverzuim aanpakken. Als een jongere zich ziek meldt, kan dit een teken zijn dat er meer aan de hand is. Hierbij zijn de school, de gemeente en een jeugdarts betrokken;
  • Voortijdige schoolverlaters helpen om werk of een leerwerkbaan te vinden;
  • Extra begeleiding voor overbelaste en kwetsbare jongeren. Soms hebben zij zo’n complexe thuissituatie, dat het (tijdelijk) niet meer lukt om naar school te gaan. Dit geldt ook voor leerlingen met emotionele problemen of specifieke leerbehoeften.

Wie begeleiden leerlingen die voortijdig school verlaten?

Leerplichtambtenaren of medewerkers van een Regionaal Meld- en Coördinatiepunt (RMC) van gemeenten moeten jongeren begeleiden die vroegtijdig van school (dreigen te) gaan. Bijvoorbeeld leerlingen die spijbelen, van school (willen) gaan of zijn uitgevallen. Leerplichtambtenaren begeleiden jongeren tot 18 jaar. Een RMC begeleidt jongeren van 18 tot 23 jaar. In sommige gemeenten begeleidt het RMC ook mbo-leerlingen van 16 en 17 jaar. Een RMC werkt onder andere samen met gemeenten, scholen en jeugdhulpverlening om vroegtijdig schooluitval aan te pakken.

Maximaal 20.000 voortijdig schoolverlaters in 2021

De Rijksoverheid wil dat zoveel mogelijk jongeren een startkwalificatie halen. Het aantal uitvallers daalt. In 2016-2017 vielen 23.793 jongeren uit. In 2002 waren dit er nog 71.000. De Rijksoverheid wil de uitval samen met gemeenten en scholen nog verder terugdringen. Naar maximaal 20.000 nieuwe voortijdig schoolverlaters per jaar in 2021.

Aantal voortijdig schoolverlaters door de jaren heen

Een overzicht van schooluitval per regio, gemeente of school vindt u in het vsv-cijferportal van DUO.

Geld voor aanpak schooluitval

De Rijksoverheid ondersteunt de aanpak tegen voortijdig schoolverlaten met ongeveer € 140 miljoen per jaar.

  • Regionale aanpak (ruim € 80 miljoen)
    In elke regio spreken scholen en gemeenten samen af welke maatregelen genomen worden. En hoe zij het beschikbare geld hiervoor inzetten.
  • Resultaatafhankelijke bekostiging van scholen in vo en mbo (ruim € 57 miljoen)
    Scholen die schooluitval verminderen, krijgen extra geld. Hoeveel extra geld ze krijgen, hangt af van het percentage jongeren tot 23 jaar dat uitvalt. En op welk onderwijsniveau dat is. De overheid bepaalt de extra beloning aan de hand van bepaalde normen.
    Voor de schooljaren vanaf 2018-2019 geldt wat anders voor de mbo-scholen. Omdat het extra geld nu deel uitmaakt van de pot met geld voor de Kwaliteitsafspraken mbo. En niet meer apart.

Streefpercentages voor schooluitval op elk onderwijsniveau

Voor elk onderwijsniveau gelden bepaalde streefpercentages (normen): het percentage jongeren dat uitvalt, mag niet hoger zijn dan deze normen. Deze normen worden elk jaar strenger, omdat de Rijksoverheid wil dat er minder jongeren uitvallen. Als een school het streefpercentage haalt of bijna haalt, krijgt de school extra geld.
Er zijn scholen die veel doen om de uitval terug te dringen. Toch kunnen zij soms een te hoog uitvalpercentage houden. Om deze scholen toch te belonen voor hun inzet, krijgen ook zij een deel van het extra geld. Hoe dichter hun uitvalpercentage in de buurt komt van de norm, hoe hoger de extra bekostiging is.

Het doel is om in 2021 maximaal 20.000 voortijdig schoolverlaters per jaar te hebben. Om daar naar toe te werken, zijn voor de schooljaren 2018-2019 en 2019-2020 de volgende normen bepaald. Als alle scholen in het vo en het mbo samen genomen gemiddeld hun uitval terugbrengen tot deze streefpercentages, komen we uit op de 20.000. 

Voor het vo is er daarnaast nog een ander percentage afgesproken, dat is de zogenaamde prestatienorm. Dat is gedaan omdat het streefpercentage voor kleine vo-scholen niet werkbaar zou zijn. Want kleine scholen zouden bij een streefpercentage uitkomen op een halve vsv' er. Daarom zijn er voor het vo twee percentages (normen). De prestatienorm is een percentage dat ook voor kleine vo-scholen reëel en werkbaar is. En waarop de resultaatafhankelijke bekostiging gebaseerd kan worden. 
 

Streefpercentages en prestatienormen schooluitval voortgezet onderwijs

Streefpercentage maximale uitval schooljaar 18/19

Prestatienorm maximale uitval schooljaar 18/19

Streefpercentage maximale uitval schooljaar 19/20

Prestatienorm maximale uitval schooljaar 19/20

Vo onderbouw 

 0,1% 0,5%  0,1% 0,5%

Vmbo bovenbouw

 1,0% 2,0%  1,0% 2,0%

Havo/vwo bovenbouw

 0,1% 0,5%  0,1% 0,5%

Streefpercentages (normen) schooluitval mbo

Streefpercentage maximale uitval schooljaar 18/19

Streefpercentage maximale uitval schooljaar 19/20

Niveau 1

 26,4%  26,2%

Niveau 2

 8,6%  8,45%

Niveau 3

 3,2%  3,1%

Niveau 4

 2,7%  2,55%