Toespraak van minister Van Engelshoven bij de opening van het academisch jaar, 2 september 2019, Universiteit Leiden

Minister Van Engelshoven sprak bij de opening van het academisch jaar, op 2 september 2019, aan de Universiteit Leiden.

(het gesproken woord geldt!)

Beste mensen,

Bijzonder en eervol. Zo voelt het om hier in de Pieterskerk te staan. Het is ook een beetje thuiskomen in m’n studentenstad.

Ik ontving hier in 1995 mijn diploma. Dat ik hier nu, 25 jaar later sta, in deze positie, dat doet wat met me.  Tegelijkertijd voelt het niet helemaal comfortabel.

Ik heb deze zomer veel aan dit spreekmoment gedacht. En dat gebeurt me niet snel.

Het debat en het kabinetsstandpunt over het rapport van de Commissie Van Rijn maakte voor de zomer veel los. Ik weet dat er hier mensen zijn, binnen en buiten deze kerk, die daar boos over zijn. Het is zelfs zo dat het ‘ware’ karakter van onze bijeenkomst hier wordt betwist.

Het past bij de wetenschap, uiteraard, om altijd de waarheid te betwijfelen. Maar aangezien u er allemaal bent, en ik, én de heer Stolker, stel ik voorlopig vast dat er hier toch echt een academisch jaar wordt geopend.

Beste mensen,

Natuurlijk begrijp ik de boosheid over het verschuiven van geld. U begrijpt dat ik hier niet vooruit mag lopen op Prinsjesdag, en u moet vooral niet alles geloven wat in de krant staat, maar weet dat het kabinet scherp op het netvlies heeft staan hoe cruciaal wetenschap en innovatie zijn voor onze toekomst.

Voor de toekomst van onze samenleving op ieder terrein, voor duurzame welvaart en welzijn, zullen wetenschap en onderwijs een voortrekkersrol moeten blijven spelen.

Gelukkig constateer ik, met de OESO, dat we in Nederland goud in handen hebben.

Zij ziet dat we relatief veel investeren in het hoger onderwijs, vergeleken met andere landen. En dat het effect heeft. Ons hoger onderwijs wordt dan ook vaak als goed voorbeeld genoemd.

Daar komt nog eens bij dat al onze universiteiten in de mondiale top-200 staan. Ook een aantal hbo-opleidingen hoort tot de wereldtop. Ondertussen steeg de deelname aan het hoger onderwijs enorm de afgelopen decennia en zijn de kwaliteit en studenttevredenheid toegenomen.

Tot slot is ook de aansluiting van hbo- en wo-afgestudeerden op de arbeidsmarkt over het algemeen prima in orde, al kampen we op een aantal onderdelen ook echt met forse tekorten.

Ondanks dat we het goed doen, valt er nog genoeg te verbeteren.

1e-generatiestudenten vallen nog te vaak uit en switchen vaker dan andere studenten.

Een serieus deel van de studenten ervaart stress en grote prestatiedruk.

Docenten en onderzoekers hebben te maken met het veelkoppig monster van de werkdruk, dat niet zomaar verslagen is.

En we zien ook dat door de forse groei in de afgelopen jaren het stelsel echt tegen zijn grenzen aanloopt.

Kortom: het vraagt om continue scherpte om in de wereldtop te blijven.

Met die bril op las ik het rapport van de commissie Van Rijn. In de kranten en online is het werk van Van Rijn al vlot gereduceerd tot een discussie over verschuiving van geld voor alfa en gamma naar bèta. En ik begrijp de commotie daarover.

Maar lees je iets nauwkeuriger, dan zie je dat Van Rijn zoveel meer omvat dan deze verschuiving. Bovendien is er, als het gaat om opleidingscapaciteit aan bètazijde, nú echt actie nodig. Er is de afgelopen jaren zoveel gedaan om jongeren te verleiden om te kiezen voor bèta, er zijn zoveel bedrijven die staan te springen om technisch onderlegde collega’s.  En nu jongeren in grote getalen kiezen voor bèta, kunnen we ze niet overal binnenlaten.

Dus moest ik een spoedreparatie doen. Boom op het spoor, gat in de weg: in die categorie moet u echt denken. En we weten allemaal: spoedreparaties binnen een stelsel dat eigenlijk toe is aan groot onderhoud zijn zelden fraai, maar daarom niet minder nodig.

Het uitbreiden van de opleidingscapaciteit bij onze bèta-opleidingen kan niet wachten tot een later moment. Daar is door de technische universiteiten dan ook hard voor gelobbyd.

Maar het vergroten van de opleidingscapaciteit bij bèta-opleidingen zie ik niet alleen graag vanwege de vraag vanuit de arbeidsmarkt.
Ik wil ook dat jonge mensen de studie van hun eerste keuze kunnen gaan doen. Zodat ze hun talent kunnen verzilveren.

De extra middelen voor met name de technische universiteiten komen ook niet zonder voorwaarden: ik vraag meer studentsucces, meer capaciteit, en betere samenwerking met andere universiteiten en hogescholen. De 4 technische universiteiten zullen in nauwe samenwerking met de algemene universiteiten hier een sectorplan voor opstellen.

Ondertussen zie ik ook het dilemma voor de brede universiteiten. Natuurlijk bekostigen we nog altijd lumpsum, en bepaalt u zelf hoe het geld intern wordt verdeeld. Dat was zo en dat blijft zo.

Maar ondanks de extra middelen voor een zachte landing, zie ik dat algemene universiteiten voor een lastig debat staan. Wat ik wil voorkomen is dat de huidige commotie in de weg gaat staan van het debat wat we eigenlijk moeten hebben over de houdbaarheid van het stelsel op lange termijn. Dat kwam vorige week ook terug in het constructieve gesprek dat ik had, met het SSH-beraad.

Ik wil hier alvast aankondigen dat we er via uitvoering van de motie Van Meenen voor zorgen dat de 18 miljoen euro die van de 2e naar 1e geldstroom wordt overgeheveld, volledig bij de algemene universiteiten terecht komt.

Daarnaast moet ook nog invulling worden gegeven aan de overheveling van 40 miljoen van de tweede naar de 1e geldstroom. Daarvoor wachten we op het advies van de commissie van Weckhuizen – en ik sta open voor voorstellen van VSNU, NWO en KNAW om hier verstandig invulling aan te geven.

Wat voor mij als een paal boven water staat, is dat de academische gemeenschap geen splijtzwammen kan gebruiken. Integendeel. We moeten juist met elkaar het debat blijven voeren over meer samenwerking tussen alfa, gamma, medisch en bèta.

Over interdisciplinair werken - en ik verwacht dat ook te zien in het sectorplan dat ik noemde.

Onze complexe wereld kan simpelweg niet zonder.

 “… een goed onderwijssysteem moet de confrontatie aangaan met de werkelijkheid van de wereld waarin wij leven en een manier bieden om daarmee om te gaan”, schrijft Zakaria.

Ik ben er van doordrongen dat dit alleen lukt als verschillende typen denkers intensief aan elkaar verbonden zijn. Ik wil die ingenieur van de toekomst, maar ook de ethicus en de gedragsdeskundige samen zien werken aan hetzelfde vraagstuk. Want de ongekende vragen waar we voor staan, vragen om oplossingen van ongekende grootte.

Soms lijkt het alsof het klimaat, ons voedsel, ons water, en voldoende schone lucht daarbij de belangrijkste vraagstukken zijn. Omdat we simpelweg niet zónder kunnen, is het ook niet zo gek dat we dat denken. Toch is de aanwezigheid van geestelijke zuurstof voor mij net zo belangrijk als het chemisch element.

Om als gemeenschap te kunnen overleven, is het onvoldoende om slechts te voldoen aan biologische en natuurkundige voorwaarden. Reparaties aan onze planeet zijn voor mij van evenveel betekenis als het onderhoud van bijvoorbeeld, onze rechtsstaat en democratie. Sterker nog: ze kunnen niet zonder elkaar. Wat we op dit moment zien in bijvoorbeeld de Verenigde Staten en Brazilië onderschrijft dat nog maar eens.

Hier in Leiden timmert er iemand aan de weg die óók sterk gelooft in samenwerken. In haar oratie deed gezondheidspsycholoog Andrea Evers [winnares van de Stevinpremie] een bijzondere belofte aan studenten hier. Ze beloofde, en ik citeer: “… dat we ons met al ons vermogen zullen inzetten om interdisciplinair en innovatief onderwijs (…) aan te bieden.”

Een mooi erewoord. Voor onderzoek en de aanpak van complexe problemen vind ik het ook geen verkeerd vergezicht. Want willen we dat oplossingen verantwoord zijn, en dat mensen ze omarmen, dan is het denkwerk van de filosoof en de sociaal-wetenschapper net zo belangrijk als dat van een technisch geschakeld brein.

Wetenschappelijke disciplines zijn daarbij al vanaf hun ontstaan, complementair. Maar ik zie ook dat de vruchten van samenwerking nog altijd rijper geplukt kunnen worden.

Een pleidooi voor beter samenwerken kan soms wat gemakkelijk klinken, maar dat is het in de praktijk niet. En al helemaal niet als je dat doet vanuit een systeem waarin prikkels zitten die juist samenwerking tegengaan.

Dat wil ik vandaag benadrukken: we hebben een systeem opgetuigd dat niet oneindig houdbaar is. Waar verkeerde prikkels in zitten. Een systeem waarin een gesprek over de toekomst van het hoger onderwijs, is verworden tot een competitie om zoveel mogelijk studenten – en een cijferstrijd over waar de meeste euro’s worden geïnvesteerd.

Dat is aan niemand een verwijt, we waren er allemaal bij. Zo’n 10 jaar geleden is het stelsel gericht op financiering op aantallen studenten en diploma’s. Die prikkel is doorgeschoten, en heeft geleid tot teveel concurrentie tussen instellingen.

Ondertussen zet ook de groei van het aantal studenten de verwevenheid met onderzoek onder druk. Onderzoek dat we juist stevig hebben gericht op excellentie – wat ons veel brengt.

Maar ook hier loopt het stelsel tegen haar grenzen aan. Tijd – en tijdgeest – zijn dan ook rijp om iets te doen aan de perverse financiële prikkels waar we in het hoger onderwijs mee te maken hebben.

Dat is voor mij de belangrijkste opdracht die voortvloeit uit het werk van de Commissie Van Rijn. We moeten toe naar een stelsel waarin minder concurrentie is, en meer samenwerking. Laat dat het adagium van het tweede deel van mijn termijn als uw minister zijn. Beheerste concurrentie in plaats van een onbedoelde Hobbesiaanse strijd om geld en studenten.

Zover zijn we nog niet. En het vraagt om dappere besluiten van individuele instellingen. Ik weet dat ik intussen veel van u vraag, om urgente noden het hoofd te bieden.

Ondertussen wachten we ook op onderzoek.Op zijn vroegst eind 2020 hebben we een totaalbeeld van hoe het geld dat het hoger onderwijs wordt toebedeeld, daadwerkelijk wordt besteed. En u snapt dat ik vandaag vanuit mijn huidige positie weinig kan zeggen of beloven over hoe het geld in de toekomst wordt verdeeld.

Om niet te wachten met het bestrijden van prikkels waar u allemaal last van heeft, kies ik alvast voor een verschuiving van variabele bekostiging, op basis van aantallen studenten, naar meer vaste bekostiging. Zo krijgen we minder nadruk op aantallen. Dat verkleint alvast 1 perverse prikkel.

Weet dat ik daarmee ook een stuur wil zetten op internationalisering. Inmiddels komt bijna 1 op de 4 eerstejaars uit het buitenland. En dat aantal stijgt momenteel snel.

Ik prijs de internationale dimensie van hoger onderwijs, maar waar kwaliteit of toegankelijkheid bedreigd wordt, moeten we meer grip krijgen op internationalisering. En vooral ook niet vergeten dat onze universiteiten en hbo’s regionaal verankerd zijn.

In dat licht is het óók van belang dat de Nederlandse taal een stevige plek houdt in het hoger onderwijs.  Dat zeg ik ook als cultuurminister. We mogen trots zijn op alle Nederlanders die vreemde talen beheersen, en zich zo verbinden met de wereld om hen heen. Maar voor velen van ons is er geen andere taal waarin we ons denken en voelen zo nauwkeurig kunnen verwoorden als het Nederlands. Zo is het ook in het contact met studenten en collega’s, in collegebank en publicatie.

Over mijn verdere plannen met de internationalisering in het hoger onderwijs hoort u kort na vandaag meer. Ook in de Strategische Agenda die begin december af is, gaat u de gedachtegang van vandaag herkennen.

Een rode draad van minder concurrentie en meer samenwerking. En een pleidooi voor meer studentsucces, via betere toegankelijkheid, en een grotere flexibiliteit bij de instellingen.

Beste mensen,

De Pieterskerk staat hier al een tijdje. Het bouwwerk oogt en voelt vrij definitief. Gelukkig maar. Want het is een prachtige plek – en het is speciaal om u hier toe te mogen spreken.

Maar als we hier straks naar buiten stappen, staan we weer midden in die veranderende wereld, die daar niet zomaar mee stopt. Gelukkig maar, zou ik ook daarover willen zeggen. Het is fijn dat we niet altijd weten wat er komt.

De Tsjechische econoom Tomas Sedlaçek zegt iets vergelijkbaars. Hij schrijft:

“[…] Wij economen hebben [ook] een toverspreuk voor het voorspellen van de toekomst; wij zeggen iedere keer ceteris paribus – ‘verondersteld dat er verder niets verandert’ […]”

Zo werkt het leven niet – weet ook hij. Maar misschien hebben we ons, als we eerlijk zijn, als samenleving, onbewust op een aantal vlakken ‘ceteris paribus’ gewáánd. Hebben we een onwrikbare werkelijkheid voor ogen gehad, waarin we in feite nooit hebben geleefd en ook nooit zullen leven.

Zo is er ook op de toekomst van ons hoger onderwijs geen toverspreuk van toepassing. ‘Minder concurrentie en meer samenwerking’ betekent elke dag opnieuw naar opzij kijken, naar die collega langs de grens van jouw terrein.

Ik wens u daarbij het komend collegejaar veel succes. Laat u leiden door uw verlangen om die voorlopig ‘ware’ antwoorden te vinden. Want dan bent u op uw best.

Dank u wel.