Toespraak van minister Van Engelshoven bij HUnext-festival, Hogeschool Utrecht

Minister Van Engelshoven sprak over de toekomst van het hoger onderwijs, tijdens het HU-next festival van de Hogeschool Utrecht, op 23 januari 2020.

©Seth Carnill Photography

Beste mensen,

Dank voor de uitnodiging. Wat een fantastische locatie.

Ik ken de stad waar u werkt, [en sommigen misschien wonen], als een plek waar hard werken hoog in het vaandel staat. Utrecht is sinds jaar en dag een stad vol bedrijvigheid. Decennia geleden zelfs een stad van fabrieken, en zware industrie. Van de 2e Daalsedijk tot de Croeselaan en Vleutenseweg: kenmerkende Utrechtse straten hebben industriële jaren beleefd.

Hoewel de stad nu vele bewoners kent die van het industrieel erfgoed genieten, met een feestje in een fabriek of een wijntje in een watertoren, zijn er waarschijnlijk maar weinigen onder hen die de namen ‘DEMKA’ of ‘Werkspoor’ iets zegt. Enkelen herinneren zich misschien nog wél de illustere fabrieken, met nationale faam.

‘Werkspoor’, [het bedrijf dat op deze plek gevestigd was], maakte onder andere locomotieven, treinstellen en spoorbruggen. De Waalbrug bij Nijmegen, de Hef in Rotterdam, en de Moerdijkbrug. Niet zomaar constructies.  Allemaal gebouwd door Werkspoor, en vanuit Utrecht naar hun plek van bestemming gevaren.

Honderdduizenden mensen zijn nog elke dag verbonden, dankzij die bruggen, dankzij het werk wat hier is verzet, en dankzij de eersteklas-samenwerking van ingenieur, smeder en kapitein.

Beste mensen,

Voor een historische beschouwing op de geschiedenis van onze vaderlandse infrastructuur, ben ik natuurlijk niet de eerst aangewezen minister. We gaan het over de toekomst van het hoger onderwijs hebben. En de plannen van de Hogeschool Utrecht. Voordat ik daar straks met Jan [Bogerd] over in gesprek ga, wil ik u vertellen waar ik op dit moment zelf sta, in mijn denken en doen.

Ik begin met een groot compliment aan u. Ik zie dat ons hoger onderwijs bijzonder goed presteert. Opleidingen, onderzoekers en docenten zijn van hoge kwaliteit. De openheid en toegankelijkheid van het Nederlandse systeem worden wereldwijd geprezen. En rapporten en ranglijsten zijn ons over het algemeen goed gezind.
 

Ons hoger onderwijs presteert bijzonder goed


Nóg wel. Het gaat zo goed met het hoger onderwijs, dat de grenzen zijn bereikt.

Deze week liet WO in Actie opnieuw van zich horen, zoals u vast en zeker mee heeft gekregen. De uitdagingen waar het hbo en wo voor staan zijn dan misschien niet identiek, en voor elke docent of onderzoeker hetzelfde, maar u herkent ze ongetwijfeld.

Studenten ervaren steeds meer druk. Docenten en onderzoekers zijn soms schapen met 5 poten. En instellingen worstelen met de aantallen studenten.

Het laatste wat we willen, is ten onder gaan aan ons eigen succes. Hoogwaardig onderwijs vraagt dan ook intensief onderhoud.

Begin december vertelde ik dit ook toen ik de Strategische Agenda voor het hoger onderwijs presenteerde, bij jullie collega’s van de Universiteit Utrecht.
 

Hoogwaardig onderwijs vraagt intensief onderhoud.


Kort voor de presentatie sprak ik met een journalist van NRC, die mij vroeg of er dan geen extra geld naar het hoger onderwijs toe moet. Ja, zelfs een miljard, zei ik.

Dat getal plukte ik niet uit de lucht. Naar aanleiding van een uitspraak van de minister-president, ben ik gaan rekenen. Premier Rutte vertelde eind vorig jaar aan de Eerste Kamer, dat we de NAVO-doelstellingen voor Defensie niet halen. Maar dat we daar wel zicht op willen houden.

Dat geldt dus ook voor de Lissabon-doelstellingen: de Europese afspraken over investeringen in onderzoek en ontwikkeling. Het is zonde dat we die nu niet halen. Want we hebben de ambitie om een toonaangevende kenniseconomie te zijn, in Europa en daarbuiten.

Om wél aan de Lissabon-doelstellingen te voldoen, is ongeveer 1 miljard euro nodig. Dat gat moet een keer gedicht worden. Dit lukt niet op de korte termijn, maar moet wel op de agenda blijven staan.

Dat stond begin december dan ook in de krant, en de reacties liepen uiteen. De 1 zei: 'eindelijk zegt ze het'. De ander vraagt me waar dat geld dan toch blijft…
 

Om wél aan de Lissabon-doelstellingen te voldoen, is ongeveer één miljard euro nodig.


Alles wat ik daar hier vandaag over zeg, brengt dat miljard niet dichterbij. Ik hoop dat u daar begrip voor heeft.

Net als mijn uitspraak over investeringen, kreeg ook de bekendmaking van de Onderwijsprijs vele reacties. Ik vertelde in december dat er een Onderwijsprijs komt van 2,5 miljoen. Met de Spinoza- en Stevinpremies hadden we al wél prijzen [van hetzelfde bedrag] voor excellente onderzoekers, maar niet voor docenten. Dus werd het tijd, vond ik.

De 1 reageerde vol blijdschap: 'Een prachtig bedrag.' De ander was woest. Waarom 2,5 miljoen investeren in 1 prijs?

Om onderwijs gelijkwaardig te waarderen aan onderzoek en teamwerk te belonen – is het antwoord.

Natuurlijk weet ik dat deze prijs óók een competitie-element in zich heeft. Toch ben ik absoluut niet doof voor wie zegt dat de concurrentie is doorgeslagen. We zien al vanaf halverwege jaren ’80 groeiende onderlinge competitie tussen universiteiten en tussen hogescholen. Het systeem kreeg prikkels die daartoe aanzetten. Neem de strijd om zoveel mogelijk studenten. Financering die is verbonden aan inschrijvingen en diploma’s blijft tot vandaag de dag concurrentie in de hand werken.
 

Ik ben niet doof voor wie zegt dat de concurrentie is doorgeslagen


Zoals er destijds redenen waren om te kiezen voor het pad van competitie, rendement, en individueel presteren, is die tijdgeest na 3, bijna 4 decennia, veranderd. Een onderwijssector die op z’n toppen wil presteren, moet juist sturen op kwaliteit en samenwerking.

In dit licht is de locatie waar we nu zijn, opnieuw interessant. Waar de arbeiders van ‘Werkspoor’ in de beginjaren in de open lucht werkten, veranderden door de loop der tijd de eisen die werden gesteld aan de materialen waar ze mee werkten. Montage in de open lucht was niet langer een optie, en moest binnen plaatsvinden. Daarom werd deze hal gebouwd, verbeterden ook de arbeidsomstandigheden, en kon kwaliteit voorop blijven staan.

De link naar ons hoger onderwijs is snel gelegd. Als u de Strategische Agenda leest, dan ziet u dat kwaliteit bewaken een belangrijk doel is. Dat doen we door de student-gebonden bekostiging aan te passen, de werkdruk voor docenten te verlagen, en het onderwijs de waardering te geven die het verdient, via de prijs waar ik het net over had.

Kwaliteit bewaken is een belangrijk doel


Daarmee zijn we er nog niet. Daarom koos ik in de Strategische Agenda voor een term die u misschien al her en der las: student-succes. Het is een term die op meer plekken in het hoger onderwijs gehoor vindt. Zeker ook hier, in Utrecht.

Student-succes centraal stellen betekent dat nominaal studeren niet langer heilig is, maar zet brede ontwikkeling van kennis, vaardigheden, en persoonlijkheid voorop. Student-succes vergroten betekent ook: hard werken aan de toegankelijkheid van opleidingen.

Gelukkig zie ik dat steeds meer hogescholen en universiteiten zich inspannen om de student op de juiste plek te krijgen. Samen kijken welke studie het beste past. Ook als dat betekent dat je tijdens je 1e jaar wilt switchen van hbo naar wo, of andersom.

Student-succes zet brede ontwikkeling voorop
 


In Utrecht gebeurt dat onder de noemer 'Wisselstroom', een landelijk initiatief van de Vereniging Hogescholen en VSNU.  ‘Wisselstroom’ zorgt er niet alleen voor dat de student op de juiste plek zit, maar leidt ook tot meer samenwerking bij de voorlichting aan studenten, en zet het hbo en wo als gelijkwaardige opties neer. Een fantastisch voorbeeld van flexibiliteit, waarvan ik hoop dat het meer instellingen inspireert.

Beste mensen,

Ik begon er zojuist al over. We leven in een tijd waarin woorden als rendement en efficiëntie een bittere bijsmaak krijgen. Ook in het onderwijs.

In deze termen denken en handelen brengt ons veel, maar het breekt ons ook op. We zien dat studenten haast hebben, vaak werken naast hun studie, naar het buitenland gaan, en meer lenen, terwijl de druk om te presteren toeneemt.

Steeds vaker hoor ik verhalen van studenten die zelfs hun vrije tijd regisseren, daar online gedetailleerd verslag van doen, steeds korter slapen, en vrijwel geen ervaring meer hebben met mijmeren, of voor je uit staren.
 

Rendement krijgt een bittere bijsmaak


Je zou haast denken dat je, wanneer je de tijd gewoon eens voorbij laat gaan, verkeerd bezig bent.

Bij het herstellen van die denkfout, [dat elke minuut nut moet hebben], is… ik durf het haast niet te zeggen… geen tijd te verliezen. Ik moet er niet aan denken dat de huidige generatie studenten zich hun studentenperiode herinnert als die jaren waarin er amper gelegenheid was om even rustig adem te halen, te reflecteren, en te genieten.

Uiteraard wens ik elke student een diploma toe, als start van een plezierig werkend bestaan. Maar laten we zorgen dat dit gebeurt via een studietijd waarin ruimte is om te kunnen ontdekken. Zónder het dwingende tikken van de klok in je achterhoofd.

Zo voorkomen we bevreemdende verhalen:

Een dove student die vanaf zijn 30e geen tolk meer krijgt, omdat we verwachten dat je tegen die tijd uitgestudeerd bent.

Een student die commentaar krijgt op zijn studietempo, terwijl hij thuis intensieve mantelzorg verleent.

Of denk aan bestuurstaken waar nog maar weinigen aan willen beginnen, omdat bekend is dat het je tijd, geld en studiepunten gaat kosten.
 

Laten we zorgen voor een studietijd waarin ruimte is om te kunnen ontdekken


Ik verzin ze niet, deze voorbeelden – maar hoorde ze stuk voor stuk uit de mond van de studenten, toen ik hier vorig jaar op bezoek was. Ik heb toen ook gezegd dat ik vanuit mijn positie deze uitdagingen niet alleen kan oplossen. Ik ben maar 1 minister, naast duizenden bevlogen professionals zoals u.

We hebben het samen te doen. En ik zie een treffende symboliek, in deze bijeenkomst, vandaag…

Utrecht is de laatste decennia snel gegroeid, en veranderd. [Net als het hoger onderwijs].

Aan de 2e Daalsedijk, Croeselaan en Vleutenseweg tref je tegenwoordig vooral starters en studenten. Niet met een bankschroef in handen, maar met een laptop onder hun vingers. Geen ijzer aan het smeden, maar werkend aan ons belangrijkste product van nú: kennis.

‘Werkspoor’ zoals we het kenden is verdwenen en in plaats daarvan, een plek van ontmoeting geworden. Waar arbeiders vroeger hun gereedschappen aan elkaar doorgaven, doet u dat nu met ideeën, inspiratie en plannen.

Blijft u dat doen.
 

Ons belangrijkste product van nu: kennis


Door als Hogeschool, met de universiteit, maatschappelijke organisaties en bedrijfsleven de krachten te bundelen, bent u een voorbeeld voor andere regio’s. U eert bovendien een Utrechtse traditie van vooruitgang. En u bewijst Nederland en de rest van Europa, dat u het bruggen bouwen niet bent verleerd.

Ik wens u een bijzonder goed jaar. Dank u wel.