Gedeeld verleden

Minister Bussemaker (OCW) sprak bij de opening van de bijeenkomst 'Gedeeld verleden' over de omgang met het Nederlandse slavernijverleden en de rol van erfgoedinstellingen daarbij.

 

Dames en heren,

Vorig jaar, op 30 juni, sprak ik bij de Nederlandse slavernijherdenking. Over de verschrikkingen van de slavernij. En hoe ik daar, door mijn man die van Surinaamse afkomst is, én onze dochter, emotioneel mee verbonden ben. Ik zei ook dat het een verleden is waar álle Nederlanders mee verbonden zijn. En dat die gezamenlijke geschiedenis in ons land daarom, voor íedereen, dichterbij moet komen.

Het Nederlandse slavernijverleden is lange tijd een witte vlek in onze geschiedenisboeken geweest. In de Nederlandse én in de Surinaamse en Antilliaanse. Mijn man is nog van de generatie die in Suriname op school leerde dat Michiel de Ruyter een zeeheld was en dat de Rijn bij Lobith ons land binnenstroomt. Over het verleden van zíjn land leerde hij niets.

Ikzelf leerde op school wel over de Negerhut van oom Tom. Maar de VOC-periode associeerde ik met bloeiende kunst, ondernemingszin en vrije geesten. Niet met gestolen mensen die onder mensonwaardige omstandigheden de suiker en koffie verwerkten waar  onze grachtengordel mee is gebouwd.

Surinaamse en Antilliaanse Nederlanders hebben er evengoed wél een herinnering aan. Een herinnering aan de slachtoffers van slavernij, en aan de helden die vochten voor een leven in vrijheid. Een overgeleverde, collectieve herinnering. In verhalen, liedjes, fabels, klederdracht. De taal uit die tijd.

Een historisch bewustzijn dat door andere Nederlanders soms onvoldoende erkend wordt. De extreme reacties op het zwarte Pietendebat hebben dat in de afgelopen jaren, pijnlijk duidelijk gemaakt. Slavernij is nog teveel een onderwerp van 'hún'. En niet van óns. Het verdeelt mensen. Terwijl onze gedeelde geschiedenis ons  zou moeten binden.

Dat het moeilijk is om je verbonden te voelen met de slavernijperiode als je geen wortels  hebt in Suriname of de Antillen, en geen Surinaamse of Antilliaanse vrienden en geliefden hebt zoals ik, snap ik. In ons land zélf waren vrijwel geen slaven. En er was ook niet, zoals in Engeland, een krachtige beweging van mensen actief die slavernij wilden afschaffen.

Het is lang mogelijk geweest die ongemakkelijke waarheid buiten het Nederlandse historische bewustzijn te houden. Maar het wemelt van de stille getuigen. Alleen al in deze stad. Voor wie het wil zien. Op gevelstenen. In grachtenpanden. In de Amsterdamse musea  zoals het Tropenmuseum en het Rijks. En in archieven.

Zo ligt er in het Amsterdamse vrouwenarchief Atria  een petitie van 130 Nederlandse vrouwen om de slavernij af te schaffen, die ze in 1842 aanboden aan Koning Willem II. En zo’n spoor van verhalen loopt door alle monumenten, archieven en erfgoedinstellingen, ook in veel andere steden van Nederland. De vele wetenschappers die hier vandaag aanwezig zijn, weten dat en zijn al jaren bezig het spoor terug te volgen om de stilte rond de Nederlandse slavernijgeschiedenis te doorbreken.

Maar het gaat er mij niet alleen om de puzzel van het verleden beter en completer te leggen. Het gaat mij er nu vooral om zoveel mogelijk verschillende groepen Nederlanders daarbij te betrekken. Ze ervan bewust te maken dat de Nederlandse slavernij onlosmakelijk bij onze geschiedenis hoort. Dat het geen zwarte bladzijde is die je af en toe even openslaat. Maar dat het als één van de rode draden, door ons hele verleden loopt.

En ook betekenis geeft aan gebeurtenissen van vandaag. Discriminatie, uitsluiting. Jezelf boven de ander stellen. Het recht nemen de ander rechten te ontnemen. Het gebeurt ook vandaag nog.

En dat brengt mij op de kracht van kunst en erfgoed.

De Amerikaanse schrijver Colson Whitehead, die onlangs op bezoek was in Nederland, schreef 'De Ondergrondse spoorweg’. Een boek over het gelijknamige netwerk van anti-slavernijactivisten, die weggelopen slaven hielpen vluchten van de Zuidelijke naar de Noordelijke staten - tot in Canada.

In zijn roman ontvlucht hoofdpersoon Cora de plantage waar ze is geboren en met de zweep is grootgebracht. Met een ondergrondse stoomlocomotief trekt ze van station naar station. Op de vlucht voor bloeddorstige slavenjagers, maar geholpen door conducteurs die haar onderbrengen op schuiladressen door heel Amerika.
 
Colson Whitehead schrijft de angst van Cora onder je huid, alsof je werkelijk bang, koud en hongerig in een schokkende goederenwagon zit. Bestemming onbekend. Cora’s reis, en de staten waarin ze leeft, laten je als lezer op een indringende manier kennismaken met het  van racisme doortrokken Amerika uit 1830.

In een interview trok de schrijver de lijn door naar jonge Afro-Amerikanen van nu, die voortdurend op hun hoede zijn omdat ze er door de politie altijd worden uitgepikt. ‘De ondergrondse spoorweg’ voert ons terug naar de wortels van discriminatie en uitsluiting.

Whitehead, die voor dit boek veel onderzoek deed in archieven, zet de verbeelding in om het verleden dichterbij te brengen. Hij helpt ons onze ingesleten beelden en karikaturen over slavernij bij te stellen. Ons inzicht in de historische werkelijkheid te vergroten. Net zoals de fotograaf Nardo Brunet dat doet met zijn foto’s ‘Slaves of Holland’. Waarin hij de rolverdeling tussen blank en zwart, zoals we die bijvoorbeeld kennen uit de gravures van Stedman, bewust heeft omgedraaid. Een voorbeeld daarvan staat op de uitnodiging voor deze bijeenkomst.

Dat kan kunst en dat kan erfgoed. Emoties oproepen en onze zintuigen aanspreken. Ons het verleden laten zien, horen, voelen en ruiken. Ons confronteren, verwarren, shockeren. Ontroeren. En ons daarmee niet vertellen wat we zouden moeten vinden of voelen, maar ruimte te scheppen waarin onze gedachtes en emoties zich kunnen vormen.

Musea en archieven hebben de instrumenten daarvoor in handen. Om bruggen te slaan tussen heden en verleden. Tussen ik en de ander.

Daarom heb ik u, vertegenwoordigers van erfgoedinstellingen en wetenschappers, ná 30 juni vorig jaar, bij elkaar geroepen. Om met elkaar te spreken over hoe u kunt helpen ons  slavernijverleden tot een gedeeld historisch bewustzijn te  maken. Dat waren vruchtbare gesprekken. Laat ik 3 belangrijke conclusies noemen:

Ten 1e: dat  het niet alleen belangrijk is om slavenregisters of  diorama’s van plantages  zichtbaarder te maken. Maar ook om met andere ogen naar je collectie te kijken. En om die als het nodig is, van nieuwe verhalen te voorzien. Of in een andere context te tonen.

Zodat een schilderij over een zeeslag dat eerder vertelde over trots en patriottisme, óók over uitbuiting en overheersing kan gaan. Het Rijksmuseum en dit Tropenmuseum zijn daar al volop mee bezig. Daarom heb ik bijvoorbeeld de RCE gevraagd om de Rijkscollectie te screenen op een mogelijke link met het slavernijverleden.

Ten 2e: dat je ook moet zoeken naar nieuwe manieren om het verhaal over slavernij te vertellen. Zoals het Amsterdam Museum deed, door een nieuw gemaakt Afrikaans masker ter ere van Keti Koti, in de collectie op te nemen. Als voorbeeld van nieuwe traditie.

En ten 3e:  we kwamen tot de conclusie dat er veel mooie, afzonderlijke initiatieven zijn. Maar dat er veel meer bereikt kan worden als culturele instellingen en wetenschappers de krachten bundelen. Het Netwerk Slavernijverleden, het Ninsee en het Museum van Wereldculturen gaat dat coördineren. Daar ben ik blij om. Zo kan het gemeenschappelijk bewustzijn langzaam groeien.
 
De bijeenkomst van vandaag zie ik als een mooie eerste, concrete stap van die samenwerking. Zo’n beetje alle thema’s die ertoe doen, staan op het programma.

Ik zag dat er vanmiddag ook een dialoog plaatsvindt over het slavernijverleden en erfenis in het onderwijs. Daar wil ik nog het volgende over zeggen.

Een onderzoek wees recent uit dat 1 op de 9 docenten moeite hebben met het behandelen van beladen onderwerpen, waaronder slavernij. Juist zíj kunnen geholpen worden door culturele instellingen.

Zoals we weten staat slavernij in de Canon van Nederland, en wordt er aandacht aan besteed op middelbare scholen. Ik wil graag weten of álle jongeren – ongeacht hun  achtergrond - daarmee worden bereikt. Of en hoe het onderwijs daarvoor samenwerking met musea en andere culturele instellingen zoekt. En of scholen bij hen de kennis en kunde vinden die ze nodig hebben. Daarom ga ik de SLO, het Nationaal Expertisecentrum Leerplanontwikkeling, vragen dat te onderzoeken. Net zoals ze dat hebben gedaan voor de dekolonisatie en aandacht voor antisemitisme in het Nederlandse funderende onderwijs.

Dames en heren,

Deze dag over het ‘Gedeeld verleden’ is op uw eigen initiatief tot stand gekomen, en daar ben ik heel blij mee. Hou dat vast. Ook als ik geen Minister meer ben.

Maak werk van onze ambitie om het slavernijverleden tot gedeelde geschiedenis te maken. De noodzaak daarvan is alleen maar toegenomen. Laat iedereen het spoor terug volgen om verbinding te kunnen leggen. Omdat ook zachte krachten stenen kunnen breken.

Ik wens u een geweldige dag toe.

Zie ook