Toespraak van minister-president Mark Rutte voor de Atlantische Commissie

 ‘Zolang het volkenrecht afhankelijk blijft van de willekeur van afzonderlijke staten, zolang er geen hoger rechtsstelsel of internationale moraal bestaat waar alle staten voor buigen, kunnen wij op het drijfzand der idealistische hoop geen internationale politiek bouwen. Wij moeten de harde waarheid onder ogen zien; voor alles moeten wij ervoor zorgen, dat wij economisch en militair sterk genoeg worden om onze vrijheid te kunnen verdedigen. Wij dienen de – vrij vertaalde – uitspraak van Hilaire Beloc ter harte te nemen:

 “Vechten is heel verkeerd zei Jantje Blood. Vechten is goed, zei Rauwe Piet en sloeg hem dood.”’

Dames en heren, einde citaat.

Want u had het misschien al begrepen: dit zijn niet mijn woorden, maar die van Dirk Stikker, een van de founding fathers van de VVD, als minister van Buitenlandse Zaken in 1949 nauw betrokken bij de oprichting van de NAVO en later de 3eSecretaris-Generaal van het bondgenootschap. Het citaat komt uit zijn memoires, gepubliceerd in 1966, waarin Stikker veel vertelt over de beginjaren van de NAVO. Ik was nog niet eens geboren toen dat boek verscheen, dus dit is echt oude geschiedenis.

De geboortepapieren van de NAVO liggen natuurlijk in de Koude Oorlog, die 40 jaar lang de internationale politiek domineerde. Op basis van de Truman-doctrine moest de NAVO er na de oorlog wel komen om voor West-Europa de communistische dreiging vanuit Rusland en de landen van het Warschaupact in te dammen. En het was ook onontkoombaar dat Nederland de vooroorlogse neutraliteitspolitiek na 1945 vaarwel zei.

Terugblikkend hebben we dat met overtuiging gedaan, zeker binnen de NAVO. Want in die 70 jaar stond er meer dan 2 decennia een Nederlander aan het hoofd van dit belangrijke bondgenootschap. Eerst Stikker, later Luns en nog weer later De Hoop Scheffer. Dat zegt toch wel iets.

U kent allemaal de geschiedenis. Na de val van de muur heeft de wereld een paar jaar in de illusie kunnen leven dat de oude veiligheidsstructuren voor altijd minder belangrijk waren geworden. Nog in 1999, bij het 50-jarig bestaan, klonk binnen de NAVO een pleidooi voor nauwe samenwerking met Rusland – ik verzin dit niet.

Die gedachte ligt ver achter ons. Vandaag hebben we te maken met een assertief Rusland aan de oostelijke buitengrens van de Europese Unie. Een Rusland dat zijn invloedssfeer langzaam maar zeker probeert uit te breiden, met politieke én militaire middelen, ook deze kant op. Sinds de gebeurtenissen op de Krim in 2014 is wel duidelijk dat de rust en veiligheid niet uit het Oosten komen.

Ook aan de zuidgrenzen van ons continent is Fukuyama’s einde van de geschiedenis ver uit het zicht geraakt. Met de burgeroorlog in Syrië, de onrust in Noord-Afrika en de potentiële dreiging van het nucleaire programma van Iran. En door de positie van landen als China dienen zich nieuwe vragen aan, bijvoorbeeld op het terrein van cyberveiligheid, waarop de NAVO ook een zorgvuldig antwoord moet formuleren. Een antwoord waarin veiligheid, economie en het belang van de internationale dialoog goed in balans zijn.

Kortom, een ander perspectief en een ander speelveld dan 70 jaar of 20 jaar geleden. En toch hebben de woorden van Stikker na al die jaren niets aan betekenis verloren. Zolang de ideale wereld niet bestaat, moeten we realistisch zijn. We moeten bereid zijn te investeren in onze veiligheid, dus in de trans-Atlantische band en dus in de relatie met de Verenigde Staten.

U hebt het de Koning ongetwijfeld ook horen zeggen in de Troonrede: de trans-Atlantische samenwerking is en blijft een hoeksteen van ons buitenlands beleid. Ik wil daar vandaag een paar opmerkingen bij maken, voor we met elkaar in gesprek gaan. Om te beginnen dat de NAVO nog altijd opmerkelijk veel publieke steun heeft, zowel in ons land als in de VS.

Voor Nederland baseer ik me op een onderzoek dat uw eigen Atlantische Commissie dit voorjaar zelf presenteerde. Bijna driekwart van alle Nederlanders vindt het lidmaatschap van de NAVO belangrijk voor onze veiligheid. Een Amerikaans wetenschappelijk onderzoek, ook van dit voorjaar, laat zien dat ruim 8 op de 10 Amerikanen het lidmaatschap van de NAVO steunen. In de periode van de Koude Oorlog was dat publieke draagvlak vanzelfsprekend, omdat de communistische vijand een duidelijk gezicht had en de dreiging van een nucleaire oorlog decennialang heel reëel leek.

In de multipolaire wereld van vandaag, is de dreiging veel meer hybride. Stikker had echt nog nooit gehoord van digitale hacks, hypersone rakketten of jihadistisch terrorisme.

In onze tijd komt het gevaar van meer kanten, het verandert van karakter en locatie, en is in dit digitale tijdperk niet altijd makkelijk te herkennen of vast te pakken. En juist daarom is het zo belangrijk om dat draagvlak vast te houden.

Dat draagvlak heeft alles te maken met het feit dat we de NAVO nodig hebben. Mensen realiseren zich dat blijkbaar. Er is geen alternatief. Nederland, Europa – we kunnen onze eigen veiligheid niet garanderen. De nieuwe voorzitter van de Europese Commissie, Ursula van der Leyen, zei pas geleden in het Europees parlement dat het voor haar een uitgemaakte zaak is dat het collectieve veiligheidsbeleid van de EU ondenkbaar is zonder de NAVO. Ze zei letterlijk: ‘We will stay transatlantic and we have to become more European.’ En ik onderschrijf dat.

Want de NAVO is onmisbaar voor de veiligheid van Europa en voor de bescherming van alles wat na 1945 is opgebouwd. Maar in de samenwerking tussen de EU en de NAVO kan en moet Europa wel meer doen. Een concreet voorbeeld – de kenners onder u weten het – is de verbetering van de militaire mobiliteit in Europa. In crisissituaties is het cruciaal dat troepen, Europese en Amerikaanse, snel door Europa kunnen bewegen. Een ander voorbeeld is de onderlinge samenwerking en krachtenbundeling op militair terrein, zoals die tussen Nederland en Duitsland en Nederland en België al jaren vorm krijgt. Met de hybride dreigingen van vandaag de dag wordt onderlinge coördinatie, taakverdeling en krachtenbundeling alleen maar dringender. Kortom, ook zonder Europees leger kan en moet Europa meer doen om de eigen veiligheid te waarborgen, in nauwere samenwerking met de NAVO.

En ja, aan veiligheid hangt een prijskaartje. Wie lid is van een club moet contributie betalen. We kunnen het niet leuk vinden, maar de tijd dat Europa voor een miniem bedrag onder de Amerikaanse veiligheidsparaplu kon schuilen, is voorbij. Die beweging was al ingezet onder de vorige Amerikaanse president en de huidige maakt er geen geheim van dat de onevenredige kostenverdeling binnen de NAVO hem een doorn in het oog is. Ik kan daar eerlijk gezegd alleen maar veel begrip voor opbrengen.

Feit is dat straks, na de brexit, nog ongeveer een vijfde deel van de totale militaire uitgaven van de NAVO door de resterende EU-leden wordt opgebracht. Niet meer dan dat.

Dat is op termijn niet vol te houden. U weet ongetwijfeld dat we in 2014 in Wales hebben afgesproken dat alle landen toewerken naar een defensiebudget van 2 procent van het nationaal inkomen in 2024. Met regeerakkoord en de laatste voorjaarsnota hebben we miljarden aan de defensiebegroting toegevoegd. Maar eerlijk is eerlijk, daarmee komen we in 2024 nog niet aan de 2 procent.

Maar, dames en heren, laten we vooral ook goed blijven zien dat de trans-Atlantische band zoveel meer omvat dan alleen het militaire bondgenootschap. Militaire kracht is nooit het doel op zich geweest, maar altijd een middel. De oprichting van de NAVO stond na de oorlog niet op zichzelf.

In dezelfde periode werd met de Marshallhulp de basis gelegd voor de economische wederopbouw van ons kapotgeschoten en gedemoraliseerde continent en tegelijkertijd voor Europese samenwerking. En het waren ook de jaren waarin onder Amerikaans leiderschap ook de VN, de Wereldbank en het IMF werden opgericht, omdat de wereld van eerdere fouten had geleerd. Met andere woorden: een belangrijk doel na de oorlog was een vreedzaam, welvarend en stabiel Europa, nauw verbonden met de VS.

Dat was en is een wederzijds belang. Want als het goed gaat met Europa is dat goed voor de VS en andersom. En een stabiel Europa tussen Rusland, het Midden-Oosten en Afrika is een strategisch belang voor de VS. En precies dat punt probeer ik in mijn gesprekken met president Trump en op podia in de VS steeds weer te maken: trans-Atlantische samenwerking is een binnenlands belang – ook voor Amerika.

Om te beginnen vanwege de waarden die we delen: democratie, de rechtstaat, vrijheid van meningsuiting. 75 jaar geleden werd ons land bevrijd en Amerikaanse soldaten hadden daar een groot aandeel in. Daar blijven we dankbaar voor en wie ooit de militaire begraafplaats in Margraten bezocht, die weet hoe die dankbaarheid eruit ziet.

We hebben het de laatste weken al een paar keer gehoord en ik voorspel u dat het dit herdenkingsjaar nog vaker voorbij zal komen: 75 jaar vrijheid, democratie en rechtsstatelijkheid zijn geen vanzelfsprekendheid. Lange tijd hebben we in het westen impliciet aangenomen dat deze waarden zo logisch waren, dat het onvermijdelijk was dat de rest van de wereld ze uiteindelijk over zou nemen. Een kwestie van economische ontwikkeling, de vorming van een middenklasse en politieke bewustwording – dachten we.

Nu weten we dat die gedachte behoorlijk naïef was, en dat landen als China en Rusland echt door een andere rechtsstatelijke bril naar de wereld kijken. Naar democratie, naar mensenrechten, maar bijvoorbeeld ook naar intellectueel eigendom. Wat betekent dat er na 75 jaar bevrijding en 70 jaar NAVO nog altijd reden is om die gedeelde kernwaarden, die dikke ijslaag onder onze manier van leven, te verdedigen. Ook daarover gaat de trans-Atlantische samenwerking.

En er zijn natuurlijk de gedeelde economische belangen. Grofweg 1/10 van de wereldbevolking woont in de Verenigde Staten en de landen van de EU. Maar samen zijn we wel goed voor bijna de helft van het opgetelde Wereld-BNP. Dat is gigantisch. En ook de onderlinge trans-Atlantische handel en investeringen zijn enorm. De Amerikanen investeren bijvoorbeeld 3 keer zoveel in de EU als in heel Azië. En vooruitkijkend: in 2050 zijn China en India met naar schatting ruim 3 miljard inwoners de 1e en 2e economie van de wereld. Dus wat is er logischer dan dat de VS en Europa, met dan opgeteld naar schatting nog steeds minder dan 1 miljard inwoners elkaar vast blijven houden en samen blijven werken? Een retorische vraag, dat begrijpt u. Ook daarover gaat de trans-Atlantische samenwerking.

En het gaat over nog iets anders: de multilaterale wereldorde. Laat ik heel duidelijk zijn.

Het belang van de multilaterale internationale samenwerking zoals die na 1945 is gegroeid, kan niet worden overschat. Zeker niet door een middelgroot land als Nederland, of zoals sommigen zeggen: een grote mogendheid in broekzakformaat. Ik heb weinig met hoogdravend idealisme en luchtfietserij, wel met harde belangen en Nederland is echt gebaat bij een multilateraal stelsel waarin niet het recht van de sterkste maar de sterkte van het recht geldt. Dat wist Hugo de Groot in de 17e eeuw al.

De VN is natuurlijk het boegbeeld van het systeem. De NAVO en de EU belangrijke pijlers.

En de Wereldhandelsorganisatie is een van die structuurgevende, regulerende organen met een belangrijke rol voor een beter functioneren van de wereldhandel. Hoe je er ook naar kijkt, door internationale regels, onderlinge afspraken en sanctiemechanismes is de wereld er sinds 1945 ongelooflijk veel beter op geworden. Met meer welvaart voor meer mensen, minder armoede, minder oorlogen en geweld, meer rechtsstatelijkheid.

En nee, het systeem is niet perfect en nee, de wereld is nog altijd geen Hof van Eden, maar ik durf de stelling aan dat de naoorlogse multilaterale wereldorde een succes is waar veel mensen en landen van hebben geprofiteerd. En dat geldt dus zeker voor een open en internationaal georiënteerd land als het onze, dat gebaat is bij internationale stabiliteit.

Daar hoort verantwoordelijkheid bij, zoals Nederland die binnen de NAVO en andere internationale organen steeds weer neemt. Ook financiële verantwoordelijkheid. Niet omdat de Amerikanen het van ons vragen, maar omdat het in ons eigen belang is. En dat systeem staat onder druk. Het heeft zijn vorm gekregen in een tijd waarin de wereld zich nog eenvoudig liet indelen in communistisch versus democratisch en arm versus rijk.

Die wereld van gisteren bestaat niet meer en dat knelt in de manier waarop het systeem werkt. Kijk bijvoorbeeld naar de besluitvorming in de VN, en speciaal de Veiligheidsraad die feitelijk nog altijd werkt alsof de wereld na 1945 niet is veranderd. Of kijk naar de Wereldhandelsorganisatie waarin een land als China nog altijd de status heeft van ontwikkelingsland, met alle financiële voordelen die daarbij horen. Of kijk naar de Mensenrechtenraad, waar de veroordeling van Israël een groot agendapunt is, terwijl zware mensenrechtenschenders als Syrië, Eritrea of Noord-Korea vaak vrijuit gaan.

De kritiek daarop van president Trump – maar niet alleen van hem – is stevig, dat is waar.

Maar in de kern is veel van die kritiek ook terecht. En ik denk dus dat we het optreden van president Trump als een kans moeten zien om door te pakken en het internationale systeem te verbeteren en bij de tijd te brengen. Niet door lidmaatschappen en verdragen op te zeggen, niet door oude schoenen weg te gooien voor we nieuwe hebben, maar door ons samen hard te maken voor modernisering en verbetering van het systeem. Dat is ook mijn voortdurende oproep aan de Verenigde Staten, met als argument dat het ook in hun belang is. Geredeneerd vanuit onze gezamenlijke waarden en onze gedeelde economische belangen zeg ik: ook daarover gaat de trans-Atlantische samenwerking.

De eminente Amerikaanse historicus Robert Kagan gebruikt er in een recent boek een mooie metafoor voor. The jungle grows back, heet dat boek. In het kort komt Kagan’s betoog erop neer dat de natuurlijke staat van de internationale verhoudingen historisch gezien veel weg heeft van een jungle. Chaos dus. Denk aan de voorgeschiedenis van de Eerste Wereldoorlog, met de lappendeken aan bondgenootschappen en de nationalistische diplomatie van die dagen, die onvermijdelijk tot een vernietigende wereldoorlog leidde.

Of eigenlijk 2, als we het verhaal doortrekken tot na de Vrede van Versailles. Na de Tweede Wereldoorlog heeft Amerika uit idealisme en welbegrepen eigenbelang het voortouw genomen om die jungle in cultuur te brengen, zegt Kagan. Met als gevolg vrede, vrijheid en welvaart voor meer mensen dan ooit. Het gevaar dat Kagan nu ziet is dat de multilaterale wereldorde zo onder druk staat, dat de jungle terug groeit, en wel in hoog tempo.

Mij lijkt het bij uitstek een trans-Atlantisch belang ervoor te zorgen dat dit niet gebeurt, maar dat we ons samen sterk maken voor een multilaterale wereldorde die weer een tijd meekan. Voor onszelf én voor het collectief.

Dames en heren,

In het voorwoord van zijn memoires schreef Stikker dat – en ik citeer:

‘(…) mijn ervaringen mij ertoe gebracht hebben te geloven niet alleen in de wenselijkheid, maar bovendien in het wezenlijke bestaan van een Atlantische gemeenschap – een gemeenschap die daadwerkelijk in haar huidige vorm West- en Zuid-Europa en Noord-Amerika omvat. Ik behoor tot hen die geloven dat de Atlantische Oceaan een hoofdweg is die ons verbindt, niet een slagboom die ons scheidt.’

Einde citaat, uit 1966 dus.

Het is opgeschreven in de taal van toen en tegen de achtergrond van de bipolaire verhoudingen van toen. Vandaag ziet de wereld er anders uit en ook de NAVO ziet er heel anders uit. Maar in de kern is één ding niet veranderd en dat is dat we elkaar keihard nodig hebben. Dat voelen we 75 jaar na de bevrijding en 30 jaar na de val van de muur nog eens extra. En het is cruciaal dat we ons dat blijven realiseren en er ook naar blijven handelen.

Dank u wel.