Samenvatting hoofdstuk 2

1.    Arbeidsmarkt en sociale zekerheid

De realiteit is dat de arbeidsmarkt knelt voor werkgevers én werknemers. Veel verantwoordelijkheden voor de arbeidsrelatie zijn te eenzijdig bij werkgevers belegd. Wie fatsoenlijk omgaat met zijn werknemers ondervindt concurrentienadeel van bedrijven die handige constructies bedenken om lonen te drukken en risico’s af te wentelen.

Vaste werknemers, flexwerkers en zzp-ers zijn onbedoeld concurrenten van elkaar geworden. Perspectief op een vaste baan is vaak ver weg. Dat geldt voor jongeren, dat geldt voor ouderen, en ook voor mensen met een arbeidshandicap. Te veel mensen komen er gewoon niet tussen. Het is tijd om onze arbeidsmarkt te moderniseren.

De sleutel naar een eerlijker arbeidsmarkt ligt in de gelijktijdige beweging: vast werk minder vast maken en flexwerk minder flex. Het is de ambitie van dit kabinet dat meer mensen aan het werk kunnen gaan in contracten voor onbepaalde tijd. Zelfstandigen moeten de ruimte krijgen om te ondernemen. Schijnzelfstandigheid wordt aangepakt.

Op de arbeidsmarkt gaat o.a. het volgende veranderen:

  • Voor werkgevers:
    • Om te bevorderen dat het MKB weer meer personeel in (vaste) dienst durft te nemen, wordt de loondoorbetalingsperiode voor kleine werkgevers (tot 25 werknemers) verkort van twee naar één jaar. Dit betekent een verlichting van de verplichting voor een groot deel van de Nederlandse bedrijven.
    • Premiedifferentiatie WGA wordt bekort naar 5 jaar. Daarmee wordt voor alle werkgevers de periode waarover risico wordt gelopen in het geval één van hun werknemers arbeidsongeschikt wordt, aanzienlijk beperkt.
    • De Wet DBA wordt vervangen door een opdrachtgeversverklaring. Deze geeft opdrachtgevers vooraf duidelijkheid en zekerheid bij de inhuur van zelfstandig ondernemers.
    • In het ontslagrecht wordt de cumulatiegrond geïntroduceerd. Werkgevers lopen nu tegen situaties aan waarin op basis van elk van de afzonderlijke bestaande ontslaggronden onvoldoende wettelijke basis is voor ontslag, maar waar wel bij meerdere gronden gedeeltelijk sprake is van problemen. In die gevallen moet het mogelijk zijn om de rechter de afweging te laten maken of het ontslag gerechtvaardigd is op basis van de cumulatie van omstandigheden genoemd in de verschillende gronden. Hier staat voor de werknemer tegenover dat de rechter een extra vergoeding kan toekennen van maximaal de helft van de transitievergoeding (bovenop de reeds bestaande transitievergoeding).
    • Periode waarna opeenvolgende tijdelijke contracten wordt omgezet in vast contract gaat van 2 naar 3 jaar.
    • Langere proeftijd in arbeidscontracten wordt mogelijk.
  • Voor werknemers:
    • Payrolling als zodanig blijft mogelijk, maar wordt zo vormgegeven dat het een instrument is voor het ‘ontzorgen’ van werkgevers en niet voor concurrentie op arbeidsvoorwaarden. Het kabinet komt met een wetsvoorstel waarin het soepeler arbeidsrechtelijk regime van de uitzendovereenkomst buiten toepassing wordt verklaard, werknemers qua (primaire en secundaire) arbeidsvoorwaarden ten minste gelijk moeten worden behandeld met werknemers bij de inlener, en de definitie van de uitzendovereenkomst ongemoeid blijft.
    • Het kabinet wil voorkomen dat bij nulurencontracten sprake is van permanente beschikbaarheid daar waar de aard van de werkzaamheden dat niet vereist. Daarom wordt vastgelegd dat in deze situaties de werknemer niet, of binnen een bepaalde termijn niet, gehouden is gehoor te geven aan een oproep, of dat bij een afzegging recht op loon ontstaat.
    • Het kabinet gaat bekijken hoe de premiedifferentiatie in de WW kan bijdragen aan het aantrekkelijker maken van het vast contract. Tevens wil het kabinet het gesprek aangaan met de sociale partners over hoe de WW-uitkering activerender kan worden vormgegeven.
    • Voor zzp-ers wordt bepaald dat altijd sprake is van een arbeidsovereenkomst bij een laag tarief in combinatie met een langere duur van de overeenkomst of een laag tarief in combinatie met het verrichten van reguliere bedrijfsactiviteiten. Wat een laag tarief is, wordt gedefinieerd als corresponderend met loonkosten tot 125% van het wettelijk minimumloon of met de laagste loonschalen in cao’s. Er wordt één tarief gekozen om voor de gehele markt de onderkant af te bakenen. Op basis van de gehanteerde argumentatie zal dit tarief vermoedelijk liggen in een bandbreedte tussen de 15 en 18 euro per uur. Een langere duur wordt gedefinieerd als langer dan drie maanden.
    • Het budget voor activering van en dienstverlening aan mensen in een kwetsbare positie wordt verhoogd, waarmee voor 20.000 extra personen de mogelijkheid voor beschut werk ontstaat.
    • Het kraamverlof wordt substantieel verlengd: 5 verlofdagen voor de partner in 2019 en mogelijkheid van 5 weken verlof (tegen lager loon) in 2020. Adoptieverlof wordt verlengd van 2 naar 6 weken.
  • Er komen meer prikkels in de arbeidsongeschiktheidsregelingen richting werk. Er wordt ingezet op enkele maatregelen om de kans op het vinden van een baan voor WIA-gerechtigden te vergroten en daarmee het beroep op de WIA te verminderen.

2.    Werken moet lonen

Werkenden delen nog onvoldoende mee in het economisch herstel. De lasten op arbeid worden daarom fors verlaagd, waardoor (meer) werken lonend(er) wordt. Maar meer koopkracht kan niet alleen afhankelijk zijn van lagere lasten. Er is gemiddeld genomen ruimte bij bedrijven om de lonen te laten stijgen. Het zou goed zijn als werkgevers en werknemers ook afspraken maken over de modernisering van cao’s; ruimte voor maatwerk, keuzevrijheid in de verdeling tussen primaire en secundaire arbeidsvoorwaarden, en meer aandacht voor de duurzame inzetbaarheid van werknemers. Dat is ook de inzet van de Rijksoverheid als werkgever.

Lastenverlichting

De lasten voor burgers worden in 2021 per saldo met ruim 6 miljard euro verlaagd (inclusief circa 1 miljard euro via inkomensmaatregelen aan de uitgavenzijde). De herziening van het belastingstelsel betekent een (forse) lastenverlichting voor burgers (4,3 mrd euro structureel) en bedrijven (1,2 mrd euro structureel). Hierdoor gaan alle inkomensgroepen, maar vooral werkenden, er de komende jaren op vooruit. Het inkomenspakket zorgt voor evenwicht tussen één- en tweeverdieners en maakt het -vooral voor werkenden met een middeninkomen – lonender om (meer) te werken.

Concrete maatregelen op het gebied van fiscaliteit en inkomensbeleid:

  • Voor burgers houdt de herziening van het belastingstelsel o.a. het volgende in:
    • Invoering van een vlaktaks (basistarief van 36,93% en toptarief van 49,5%).
    • De algemene heffingskorting, de arbeidskorting en de ouderenkorting worden verhoogd.
    • Aftrekposten worden in stappen verlaagd naar het basistarief.
    • In de vermogensrendementsheffing (Box 3) wordt sneller aangesloten op het werkelijk rendement van spaartegoeden en het heffingsvrije vermogen wordt verhoogd van 25.225 euro naar 30.000 euro (60.000 euro voor paren). In deze kabinetsperiode zal een stelsel van vermogensrendementsheffing op basis van werkelijk rendement worden uitgewerkt.
    • Het lage btw-tarief wordt verhoogd van 6 naar 9%.
  • Voor bedrijven betekent dit o.a. het volgende:
    • De Vennootschapsbelasting (VPB) wordt verlaagd naar 16 en 21% in 2021 en de dividendbelasting wordt afgeschaft waardoor bedrijven gemakkelijker eigen kapitaal uit het buitenland kunnen aantrekken en minder kwetsbaar worden voor vijandige overnames.
  • Het belastingstelsel wordt vergroend, o.a. door invoeren vliegbelasting, aanpassen energiebelasting, en het verhogen van belasting op afval.
  • Om brievenbusconstructies tegen te gaan, wordt er een bronbelasting op rente en royalty’s ingevoerd op uitgaande financiële stromen naar landen met zeer lage belastingen (low tax jurisdictions).
  • Er komt extra geld voor kinderopvangtoeslag (250 mln euro), kinderbijslag (250 mln euro) en kindgebonden budget (485 mln euro).
  • Extra geld voor de bestrijding van schulden en armoede bij gezinnen met kinderen (in totaal 80 mln euro deze kabinetsperiode).

3.    Hervorming pensioenstelsel

Nederland heeft een sterk pensioenstelsel. Veranderingen op de arbeidsmarkt, de stijgende levensverwachting, de financiële crisis en de lage rente hebben echter ook kwetsbaarheden van ons stelsel bloot gelegd. Verwachtingen worden onvoldoende waargemaakt, er zijn spanningen tussen generaties en het stelsel sluit niet meer aan bij de veranderende arbeidsmarkt.

Enkele rapporten van de SER (2015, 2016) hebben goede handreikingen gedaan voor de vernieuwing van het pensioenstelsel. Het kabinet wil samen met sociale partners werken aan een vernieuwing die de kwetsbaarheden in het huidige pensioenstelsel adresseert en waarmee de sterke elementen (verplichtstelling, collectieve uitvoering, risicodeling en fiscale ondersteuning) gehandhaafd blijven.

Voortbouwend op de werkzaamheden en rapporten van de SER wil het kabinet het pensioenstelsel hervormen tot een meer persoonlijk pensioenvermogen met collectieve risicodeling, waarbij de doorsneesystematiek wordt afgeschaft. Het kabinet ziet met belangstelling een gedragen voorstel van de SER tegemoet.

Concrete voornemens voor het pensioenstelsel:

  • Het kabinet wil de hervorming van het pensioenstelsel mogelijk maken door o.a.:
    • Financieel bij te dragen aan het opvangen van de lasten van het afschaffen van de doorsneesystematiek (tijdelijk verruimen fiscale kaders).
    • Het faciliteren van het collectief omzetten van bestaande aanspraken in  persoonlijke pensioenvermogens.

4.    Bouwen en wonen

De economische crisis na 2008 heeft grote impact gehad op de woningmarkt, de woningbouw en de capaciteit van de bouwsector. Nu de economie sterk aantrekt, is de vraag naar woningen weer enorm toegenomen. Er zijn meer woningen nodig van goede kwaliteit, passend bij de financiële mogelijkheden en hedendaagse wensen van mensen. Het kabinet wil prioriteit geven aan middenhuurwoningen in de vrije sector.

Woningmarktbeleid vergt samenwerking met medeoverheden, corporaties en private partijen. Voor de komende periode is het doel om meer nieuwe koop- en huurwoningen te bouwen, voldoende koop- en huuraanbod voor specifieke groepen te realiseren en flinke stappen te zetten voor de verduurzaming van de bestaande woningvoorraad.

Een greep uit de maatregelen voor de woningmarkt:

  • Het percentage waartegen hypotheekrente mag worden afgetrokken wordt in stappen van 3 procentpunt per jaar verlaagd totdat het basistarief is bereikt. De opbrengst van de versnelde afbouw van de hypotheekrenteaftrek wordt volledig gebruikt om de eigenwoningbezitters te compenseren door verlaging van het eigenwoningforfait. De wet ter bevordering van het financieren van de eigen woning met eigen middelen wordt door de in 2014 ingevoerde aflossingsverplichting onhoudbaar. De regeling (Wet-Hillen) wordt in 30 jaar uitgefaseerd.
  • De maximale hypotheek wordt stapsgewijs afgebouwd tot maximaal de waarde van de woning. De zogenaamde maximale “loan to value” zal niet verder worden verlaagd om de toegang van starters tot de koopwoningmarkt niet onnodig te belemmeren.
  • De huurtoeslag wordt in de toekomst over een langer inkomenstraject afgebouwd. De eigen bijdrage in de huurtoeslag wordt geïndexeerd met de huurverhoging.
  • Hoogte verhuurdersheffing wordt afhankelijk van investeringen van corporaties in verduurzaming.