Toespraak van staatssecretaris van Defensie Derk Boswijk bij het Keti Koti Diner op donderdag 25 juni 2026 in Amsterdam.

Beste mensen,

Aan het einde van deze avond wil ik graag nog iets zeggen. Eerst dank. Aan iedereen die deze eerste Defensiebrede editie van het Keti Koti Diner mogelijk heeft gemaakt. En aan u allen, omdat u hier was.  Ik heb maar een deel van de avond kunnen meemaken, maar dat was al genoeg om te voelen hoe krachtig Keti Koti is: herdenken en vieren, pijn erkennen en tegelijk vrijheid vieren.

Ik wilde hier vanavond graag bij zijn. Sterker nog: ik heb mezelf een beetje uitgenodigd. Dat komt ook door een gesprek dat ik kort geleden had met het Multicultureel Netwerk Defensie. Een eerlijk gesprek. Een ongemakkelijk gesprek ook. Over racisme, discriminatie, kansen en vertegenwoordiging. Over collega’s die zich afvragen: waarom zie ik op bepaalde niveaus zo weinig mensen die op mij lijken? Waarom kom ik mensen van kleur veel te weinig tegen in de hogere rangen, in de hogere functies, op plekken waar besluiten worden genomen? Die vraag blijft hangen. En terecht.

Voor Defensie – en voor mijzelf – is deze avond daarom ook een spiegel. Onze organisatie staat voor vrijheid, veiligheid en de bescherming van onze democratische rechtsstaat. Dan moeten wij ook eerlijk kijken naar de geschiedenis van diezelfde staat. Naar wat daarin groots was. Maar ook naar wat pijnlijk en onrechtvaardig was. Geschiedenis kun je niet overdoen. Maar je kunt wel kiezen wat je ermee doet. Dat vraagt om eerlijkheid over toen, en verantwoordelijkheid voor nu. Daarover wil ik drie dingen zeggen.

Het eerste: dit raakt aan onze waarden. Defensie beschermt vrijheid, democratie, rechtsstaat en menselijke waardigheid.  Racisme is de bijl aan de wortel van de waarden die wij tot het uiterste willen verdedigen. Het zegt: de één is minder waard dan de ander. Dat kan nooit samengaan. Wie onze vrijheid verdedigt, verdedigt ook de waardigheid van ieder mens.

Het tweede: dit raakt aan onze krijgsmacht. Defensie heeft iedereen nodig die Nederland wil dienen. Ieder talent. Iedere achtergrond. Iedere collega die de stap zet om zich in te zetten voor onze veiligheid. Een krijgsmacht moet herkenbaar zijn voor de samenleving die zij beschermt. En een team wordt sterker als verschillende ervaringen en perspectieven meetellen. Daarom moeten we helder zijn: afkomst, huidskleur of achternaam mogen nooit bepalen hoeveel vertrouwen iemand krijgt. Of welke kansen iemand krijgt. Of hoeveel ruimte iemand voelt om zichzelf te zijn.

Het derde is persoonlijk. Ik ben christen. En vanuit mijn geloof heb ik racisme nooit begrepen. Als ieder mens door God is geschapen, hoe kun je een ander mens dan als minder zien? Martin Luther King sprak over de “heavenly table of brotherhood”. Een tafel van broederschap, waar mensen als gelijken naast elkaar zitten. Dat beeld raakt me. Want hoe kun je verwachten ooit naast iemand aan die tafel plaats te nemen, als je diezelfde persoon hier op aarde niet als gelijke behandelt? Voor mij is dat onmogelijk uit te leggen. En daarom zeg ik ook: we moeten naar onszelf kijken.

Racisme komt helaas ook binnen Defensie voor. Soms hard en openlijk. Soms in grappen, aannames, vooroordelen of patronen die mensen buitensluiten. Dat beschadigt collega’s. En het beschadigt het vertrouwen in onze teams. Ik wil niet dat collega’s zich bij Defensie moeten afvragen of hun kleur, afkomst of achternaam tegen hen werkt. Ik wil dat iedereen die Nederland wil dienen, kan zeggen: hier hoor ik erbij. Hier word ik gezien op mijn karakter, mijn inzet en mijn vakmanschap. Dat is wie wij moeten zijn. Want of we nu militair of burger zijn: we dienen dezelfde vlag, dezelfde rechtsstaat en dezelfde vrijheid.

Dank u wel.