Keynote speech Zeeuwse Oesterontmoeting – Pieter Heerma – minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties op 28 september 2026
Dames en heren,
Goed om hier zo veel mensen uit de Scheldemond-regio te zien, van beide kanten van de grens. Ik denk dat veel van jullie zich herkennen in het verhaal dat Hugo daarnet schetste over de economie van deze regio.
Jullie spelen daar een belangrijke rol in: jullie doen zaken over de grens, delen kennis en werken grensoverschrijdend samen.
Maar jullie rol reikt wat mij betreft nog verder. Wat deze regio sterk maakt, is meer dan de economie. Het is ook wat eronder zit: de gemeenschap.
Want wanneer komt een regio tot bloei? Als jongeren er toekomst zien. Als gezinnen er graag wonen. Als ouderen zich er thuis voelen. En vooral: als mensen naar elkaar omkijken.
Ook wat dat betreft zijn jullie onderdeel van een bijzondere regio. Dat blijkt ook uit cijfers. Neem het onderzoek Leven in Zeeland uit 2025, uitgevoerd door het Kenniscentrum Zeeuwse Samenleving.
Ongeveer zeventien procent van de Zeeuwen hielp het afgelopen jaar een buurtgenoot met klusjes in huis, boodschappen of een rit naar het ziekenhuis.
Dat lijkt misschien niet overdreven veel, maar het is ver boven het landelijk gemiddelde van 7 procent.
Uit eerder onderzoek van de Universiteit van Göteborg bleek zelfs dat Zeeland van alle onderzochte Europese regio’s het hoogst scoort op vertrouwen in de medemens.
Nu wil ik hier geen ideaalbeeld neerzetten van Zeeland. Want dit verschilt natuurlijk per stad, wijk of dorp. Maar ik denk dat veel van jullie het algemene beeld wel herkennen.
Gemeenten zijn in deze regio vaak klein in schaal, maar sterk in verbondenheid. Er zijn verenigingen, dorpshuizen en tradities die soms al generaties meegaan. Mensen kennen elkaar. En als het nodig is, helpen ze elkaar.
We mogen die onderlinge verbondenheid niet voor lief nemen. Het is niet vanzelfsprekend dat gemeenschappen sterk blijven. Om in een dorp te blijven wonen hebben mensen voorzieningen nodig: openbaar vervoer, zorg, onderwijs.
En in deze regio gaat het verder dan alleen voorzieningen. Wetten en regels moeten wel passen bij een dagelijks leven waarin inwoners voortdurend de grens oversteken.
Dat zullen de ondernemers en vertegenwoordigers van de haven en industrie in de zaal ook herkennen. Ook jullie hebben te maken met verschillende regels, terwijl jullie in één economisch gebied werken en internationaal moeten concurreren.
Uiteindelijk werkt het natuurlijk het twee kanten op: zonder sterke gemeenschap geen bloeiende economie. Maar zonder die economie geen banen, geen toekomst, en geen reden voor jongeren om te blijven.
En dus hebben we als overheid een brede verantwoordelijkheid. Daar ben ik me van bewust.
Het Nationaal Programma Vitale Regio’s dat ik vanuit BZK coördineer, is mede daarom in het leven geroepen. Hierin kijken Rijk en regio samen naar wat een gebied nodig heeft om ook over twintig jaar nog een goede plek te zijn om te wonen en te werken.
Zeeuws-Vlaanderen heeft als een van de eerste regio’s zijn regioplan vastgesteld. Ik ben blij met die voortvarendheid en met de visie die eruit spreekt.
Want het plan laat zien waar landelijk beleid beter kan aansluiten bij de praktijk in de regio.
We kijken bij voorzieningen vaak naar aantallen leerlingen, patiënten of reizigers. Maar we moeten ons er bewust van zijn dat die rekensom in dunbevolkte gebieden verkeerd kan uitpakken.
Een busverbinding heeft misschien weinig reizigers, maar kan voor een kleine gemeenschap wel van grote betekenis zijn. Een school telt misschien weinig leerlingen, maar kan voor de toekomst van een dorp onmisbaar zijn.
En het gaat niet alleen om openbaar vervoer, onderwijs en zorg. Voor een sterke gemeenschap zijn ook plekken nodig waar mensen elkaar kunnen ontmoeten: buurthuizen, sportverenigingen en bibliotheken.
Mensen die op deze plekken samenkomen, zien vaak als eerste wat hun omgeving nodig heeft. Ze komen daardoor ook vaker ook in actie. Ze nemen initiatieven om hun buurt vooruit te helpen.
Soms zijn dat kaartavonden voor ouderen.
Maar er zijn ook voorbeelden, hier in het Zeeuwse dorp Kats bijvoorbeeld, van vrijwilligers die hun eigen buurtsuper uitbaten, omdat de laatste supermarkt moest sluiten.
BZK gaat dit soort plekken en initiatieven steunen met het Gemeenschapsfonds. Want vaak weet de samenleving eerder en beter wat er in een regio nodig is dan de overheid.
Laat er tegelijk geen misverstand over bestaan: dat ontslaat de overheid niet van haar verantwoordelijkheid voor bereikbare basisvoorzieningen en de voorwaarden voor banen en toekomst in de regio. En daarbij moeten we verder kijken dan de landsgrens. Want in het dagelijks leven is die vaak onzichtbaar.
Mensen en bedrijven bewegen zich tussen Vlaanderen naar Zeeland, vaak zonder bij de grens stil te staan.
Maar als het op regels en wetten aankomt, dan wordt diezelfde grens soms opeens weer een heel zichtbaar obstakel. En dat kan grote gevolgen hebben.
De situatie van brandweervrijwilligers die aan de ene kant van de grens wonen en aan de andere kant hun hoofdbaan hebben, heeft onze volle aandacht. Door de regels voor sociale zekerheid dreigen sommigen te moeten stoppen als vrijwilliger.
En dat is zorgelijk. Want voor Zeeuwse dorpen als Koewacht en Westdorpe gaat het wel om de vraag: kan de brandweer uitrukken als er brand is?
En het houdt niet op bij de brandweer. Ook ambulances hebben bij de grens te maken met belemmeringen.
Door de huidige regelgeving kunnen Belgische ambulances in dit gebied een patiënt niet altijd naar het dichtstbijzijnde ziekenhuis brengen. Als het net over de grens is, mogen ze dat vaak simpelweg niet.
Dat is natuurlijk onbegrijpelijk als jij degene bent die snel hulp nodig heeft.
Ook economisch zijn er belemmeringen. Bedrijven in deze regio werken over de grens, maar werknemers krijgen daarbij te maken met verschillende regels rond arbeid en sociale zekerheid. Dat maakt het moeilijker om personeel in de hele regio in te zetten.
We werken hard aan oplossingen. Voor inwoners én voor bedrijven.
Ik sta hier als minister van Binnenlandse Zaken. Grensoverschrijdende samenwerking klinkt misschien niet direct als een binnenlandse zaak. Toch coördineert BZK namens het kabinet het beleid voor de grensregio’s. Daarbij zorgen we ervoor dat problemen uit de praktijk op de juiste plek in Den Haag terechtkomen.
Het Schakelpunt Grensbelemmeringen helpt ons daarbij. Organisaties en overheden van beide kanten van de grens kunnen daar problemen uit de praktijk melden.
En dat helpt, bijvoorbeeld bij de ambulancekwestie. Inmiddels werken de Nederlandse en Belgische regeringen samen met de Benelux aan een oplossing.
Dat hier veel grensbelemmeringen worden gemeld, zegt óók iets positiefs: het laat zien hoe intensief mensen en bedrijven aan beide kanten samenwerken. En juist daarom moeten we die belemmeringen aanpakken.
Volgend jaar wordt het Schakelpunt geëvalueerd. Op de uitkomst daarvan kan ik niet vooruitlopen. Maar ik kan wel zeggen: ik ben heel blij met wat het nu al oplevert.
Dat is ook te danken aan Hugo de Jonge en de Oost-Vlaamse gouverneur Carina van Cauter.
Zij brengen de signalen van het Schakelpunt onder de aandacht van de verantwoordelijke ministers in Nederland en Vlaanderen. En wie Hugo kent, weet: hij blijft aan de bel trekken, net zo lang totdat er iemand luistert.
Hugo en Carina, dank voor jullie vasthoudendheid.
Tot slot: grensoverschrijdende samenwerking gaat natuurlijk niet alleen over het oplossen van problemen. Het biedt ook kansen.
Daarom ben ik blij dat partijen aan beide kanten van de grens gezamenlijk nadenken over de economische toekomst van de grensregio Vlaanderen-Nederland. En dat er ook aan een inhoudelijke agenda wordt gewerkt.
Ik ben ervan overtuigd: als Nederland en Vlaanderen hun krachten nog beter bundelen, kan deze regio uitgroeien tot een van de meest welvarende gebieden van Europa - met een bloeiende economie én een sterke gemeenschap waarin mensen naar elkaar omkijken.
Dank jullie wel.