Beste allemaal,

Met veel genoegen heet ik iedereen van harte welkom op deze uitzonderlijke dag. Ja, uitzonderlijk, want het is maar eens in de 730 dagen Dag van de Wetgeving!

Vóór mij zit de fine fleur van Den Haag:

alle wetgevingsjuristen én juristen ‘bezwaar en beroep’ van het Rijk bij elkaar, én ook nog eens onze beide Kamervoorzitters.

Zonder jullie zou politiek Den Haag vleugellam zijn. Sterker nog: zonder jullie zou er helemaal geen politiek Den Haag zíjn, laat staan een democratische rechtsstaat.

Want die steunt op goede en degelijke wetten en die komen er niet zonder jullie. Daarom zijn we bij het Rijk dan ook zuinig op onze juridische knappe koppen. Vandaar dat deze tweejaarlijkse dag gaat over weerbaar en werkbaar wetgeven.

Jullie werk wordt steeds lastiger, door technologie, door wat er in de wereld om ons heen gebeurt, door polarisatie en door alom aanwezige media. Ik hoop dat jullie vandaag extra geïnspireerd raken om af en toe een streep in het zand te trekken als jullie zien dat nieuwe of aangepaste wetgeving  onverantwoord of zelfs onmogelijk is.

Straks ga ik jullie nog een keer prijzen voor jullie werk.

Maar eerst iets anders. Namelijk het beeld achter mij. Waarom heb ik dat meegenomen naar deze Dag van de Wetgeving?

Dat ga ik uitleggen. Het is van de hand van de Vlaamse schilder Willem van Haecht, gemaakt in de zeventiende eeuw. Ik vind het een intrigerend schilderij. Het hangt in het Mauritshuis, op steenworp afstand hier vandaan. Als je er ter plekke vóór staat, dan lijkt het wel alsof je het Mauritshuis nóg een keer binnenkijkt. Ik kan het iedereen aanraden. Je ogen schieten van het ene detail naar het andere, je weet gewoonweg niet waar je kijken moet.

Ik zie een grootse en met schilderijen volgepropte kunstkamer, een kunstenaar die op de voorgrond een mooie vrouw vastlegt op het doek, een hondje, Romeinse beelden en rondslingerend Delfts Blauw.

Ik zie ook iets anders.

Want voor mij is het alsof ik onze wetgeving recht in het gezicht kijk.

Het is op een bepaalde manier fraai. Knap gemaakt, goed bedoeld, maar ook …

óók nogal een warboel.

Ook ons wettenstelsel is groots en veelomvattend, het is net zo’n imposant bouwwerk als het geschilderde museum van Willem van Haecht, vol piepkleine, zorgvuldig vastgelegde details. Maar het is af en toe niet te doen. Alsof er binnen dat geheel van wetgeving van alles is, dat zichzelf tegenwerkt.

En eigenlijk …

zijn we het daar allemaal over eens. Iedereen die iets van wetten maken weet, zoals jullie, is ervan overtuigd dat het allemaal te ingewikkeld is en dat we het te moeilijk maken. En ook dat goed bedoelde wetten helaas nogal eens perfide bijwerkingen hebben, die niemand wil en bovendien tot klachten en juridische procedures leiden. Waaraan jullie vervolgens weer je handen vol hebben.

En dat is niet van vandaag of gisteren. De roep om eenvoudigere wetgeving is van alle tijden. Het Byzantijnse Rijk, en dan praten we dus pakweg over de zesde eeuw na Christus, worstelde al met het recht dat, ik citeer keizer Justinianus: ‘een verwarde stroom’ was geworden die ‘de vermogens van het menselijk intellect te boven gaat’.

De geschiedenis kent nog veel meer van dit soort wanhopige hartenkreten, ook van minder lang geleden en dichter bij huis.

In de nieuwe Staat van de Wetgeving die we vandaag presenteren, staan ook mooie voorbeelden daarvan. Zoals die uit 1983 van het eerste kabinet Lubbers, over hoe het uit z’n voegen barstende regelbestand belemmerend en vertragend werkt. En in onze podcast De Wettenfabriek hoorde ik nog weer recentere oproepen om toch niet alles in wetten te willen proppen. Het gaat in De Wettenfabriek onder meer over de beruchte Haagse ‘risico-regel-reflex’.

Het is duidelijk dat het wettelijke waterhoofd met onwenselijke  en soms zelfs onménselijke bij-effecten niet ontstaat omdat ook maar iemand daar voorstander van is. De vraag is wel, en ook die is van alle tijden: wat doe je eraan?

De Staat van de Wetgeving is een reisgids door het oerwoud. En de belangrijkste toeristische tip is steeds weer: beheersing, beheersing en nog eens beheersing.

Dus bij elke wens voor en van de samenleving niet onmiddellijk aan aanpassing van de wet denken, maar eerst onderzoeken wat er werkelijk kán. Dus: hoe krijg je het in de praktijk voor elkaar, wat kan er al met bestaande wetten, hoe is het voor de uitvoering te doen en hoe voorkom je bijwerkingen?

Het kabinet denkt dat praktische middelen daarbij behulpzaam kunnen zijn, zoals de zogenoemde de trialoog. Dat is een geleid gesprek tussen beleid, uitvoering en politiek en dan vooral Kamerleden. Het is gericht op snelle feedback en bijsturing waar nodig. We zijn die aan het beproeven, ik verwacht er veel van!

Beste allemaal,

Zonder jullie daadkrachtige, doorwrochte en dappere werk achter de schermen waren we nergens in Den Haag. Jullie zijn bereid je in allerlei onmogelijke bochten te wringen om er zo goed mogelijke wetgeving uit te slepen.

Ik wil jullie bedanken voor jullie niet aflatende pogingen om er wat van te maken, zelfs als jullie weten dat de gewenste wetsaanpassing niet de fraaiste oplossing is.

Tegelijkertijd wijzen jullie keer op keer de weg hoe we ons wetgevingsgebouw gezond en stevig zouden kunnen maken, zonder overbodige tierelantijnen.

Naast de welgemeende complimenten daarvoor, wil ik nog iets kwijt. Want ondanks het voorgaande, denk ik dat er geen reden is om te somberen. Laten we toch vooral ook de schoonheid inzien van wat we met elkaar aan het doen zijn:

namelijk ons stinkende best om het leven in dit land beter maken. En daar is het tot in de eeuwigheid voortdurende gesprek over geslaagde en minder geslaagde wetgeving een onmisbaar onderdeel van. Pas als dát gesprek stokt, heeft de rechtsstaat echt een probleem.

Het heen en weer geschuif, het gekissebis, de discussie, het debat, de strijd, de moeite; het hoort allemaal bij onze democratische rechtsstaat. Het kostbaarste collectieve goed dat we hebben, dat ons land maakt tot wat het is.

Als ik ten slotte met die blik nog eens naar het schilderij van Van Haecht kijk, dan wordt het extra levendig. En zie ik dat het niet alleen in detail, maar ook als geheel oneindig boeiend is.

En dan ben ik nog niet helemaal klaar. Want het moment is aangebroken om onze beide Kamervoorzitters, mevrouw Vos en de heer Van Campen, te vragen naar voren te komen. Met veel genoegen bied ik u deze leerzame editie van de Staat van de Wetgeving aan. Laten we die als reisgids gebruiken, om er met elkaar alles aan te doen om het simpel te houden!