Minister Sterk hield op 31 augustus een toespraak bij de opening van het academische jaar van de Universiteit Utrecht in de Domkerk in Utrecht.

Het gesproken woord geldt.

Goedemiddag!

Wat bijzonder om hier het academisch jaar met u te openen. 
De vakantie is voorbij, de slippers zijn opgeborgen en de wekker gaat weer om half 7. 

Maar het is niet alleen het einde van de vakantie. 
Het is ook een belangrijk moment in het academisch jaar. 
Een moment om stil te staan bij de traditie waar de universiteit instaat. 
Al jaren wordt op deze manier een aftrap gegeven voor het nieuwe jaar. 
En daarmee is het ook een soort nieuw begin. 
Zeker voor de studenten die de afgelopen weken voor het eerst in de stad zijn neergestreken.

Ik herinner me nog goed hoe het voelde toen ik hier in Utrecht theologie ging studeren. 
Van een klein dorpje in de Betuwe naar de grote stad. 
De wereld lag open. Qua kennis en qua ervaringen. 
Een rugzak meegekregen van huis. 
Wat houd ik erin en wat gaat eruit? 
Voor het eerst op mezelf wonen, nieuwe vrienden maken en bovenal: mens worden. 
Toen mocht je nog lang over je studie doen. 
Mijn studie die zes jaar duurde sloot ik in 9 jaar af.
Ik heb er dus ruim de tijd voor genomen.

Het voelt eervol om hier nu als minister van Langdurige Zorg, Jeugd en Sport te staan.
Bij de universiteit die voor mij en  ook voor mijn gezin zo belangrijk is. 
Het is voor mij ruim dertig jaar geleden. 
Maar mijn man krijg dit najaar zijn bul en mijn dochter begint inmiddels hier aan haar vierde studiejaar.

Ik weet niet hoe het met u zit, maar ik ga de vakantietijd ook missen. 
Elk jaar neem ik me voor om dat gevoel van ontspanning mee het nieuwe politieke jaar in te nemen. 
En ergens onderweg - en ik vrees in deze baan nog sneller dan anders - glipt het toch weer uit mijn handen.

Om het vakantiegevoel een beetje vast te houden, neem ik u graag mee naar het strand. 
Naar Ter Heide, zo’n 10 kilometer ten zuiden van Den Haag.

De kust heeft op die plek veel last van erosie. 
Bij een flinke storm neemt de zee gemakkelijk een stuk duin of strand mee. 
Als we de zee zijn gang zouden laten gaan, zouden Ter Heide en omliggende dorpen onder water komen te staan. 


Op veel plekken langs de kust spuit Rijkswaterstaat elk jaar zand op om de duinen te verstevigen. 
Op andere plekken houden dijken of dammen het water tegen. 

Maar in Ter Heide koos Rijkswaterstaat 15 jaar geleden voor een andere manier. 
Een grote berg zand zou de kust op een natuurlijke manier moeten versterken. 
De zandmotor, zo heet het project.

Na het storten van 21 miljoen kubieke meter zand op het strand, werd het werk overgelaten aan de natuur. 
De wind verplaatst het zand. 
De golven en stroming nemen het mee. 
De zandmotor verstevigt de kust op de plaatsen waar het nodig is. 
Inmiddels is er middenin de zandvlakte een grote plas gevormd, waar kitesurfers de tijd van hun leven hebben.


Nu vraagt u zich misschien af: waar gaat dit heen? 
Het zou toch over jeugd gaan? 
Wat heeft de zandmotor met onze jeugd te maken? 
Laat me dat uitleggen.

In deze tijd vraag ik me soms af in wat voor wereld mijn 
kinderen en onze jongeren opgroeien. 
Oorlogen bedreigen onze veiligheid, een snikhete zomer confronteert ons meer dan ooit met de gevolgen van klimaatverandering, en we zien op allerlei fronten – de zorg, de woningmarkt, de pensioenpot – dat we aanlopen tegen de grenzen.

We zien ook, dat de plek waar je wieg staat nog altijd bepaalt wat je kansen zijn in het leven. 
Of er binnen het gezin geld is voor groente en fruit, voor sport of cultuur. 
Maar ook of beide ouders in beeld zijn, en of zij leven zonder zorgen over wonen, relaties of geld. 

Als ik kijk naar onze Jeugdzorg waar ik verantwoordelijk voor ben hebben we al jaren te maken hebben met enorme wachtlijsten. 
Jongeren met ernstig depressieve klachten of een eetstoornis moeten soms wel twee jaar wachten op een behandeling. 
Toen ik deze universiteit verliet deed 1 op de 27 jonge mensen een beroep op de jeugdzorg. 
Inmiddels is dat 1 op de 7 kinderen en jongeren. 


Naast de offline wereld waar ik me als student overeind probeerde te houden, bewegen jongeren zich nu tegelijkertijd in een online wereld die volwassenen nauwelijks kunnen bijbenen, laat staan begrijpen. 
Een wereld met twee gezichten. 
Eén vol mogelijkheden en kennis, maar ook een wereld waar op sommige plekken gevaarlijke denkbeelden mainstream zijn, waar desinformatie de boventoon voert en waar de druk hoog is om te voldoen aan het perfecte plaatje. 
En bovenal een wereld die nog nauwelijks aan regels gebonden is en waar verslaving een verdienmodel is. 


Het online leven is soms moeilijk te rijmen met wat er offline gebeurt. 
Met het dagelijks leven, waar jongeren het gevoel hebben altijd ‘aan’ te staan en veel moeten. 
Van school of studie, van een bijbaantje, maar ook van zichzelf. 
De online wereld doet daar nog een schep bovenop. 
Ik denk dan aan de manosphere, de gymtok beweging, maar ook al die ongefilterde en vaak snoeiharde reacties op social media. 
De wereld van het ‘Better Self’. 

Dat gaat me niet alleen als minister van Jeugd aan het hart. 
Maar ook als moeder van drie jongvolwassen kinderen. 
Kijkend naar de toekomst van deze jongeren zie ik een verliezende generatie: op de huizenmarkt, in de pensioenen en in de zorg. 
Een verliezende generatie, maar niet verloren.


De wereld van vandaag omschrijft de Raad van Volksgezondheid en Samenleving in een advies dat vorig jaar is verschenen als een ‘hypernerveuze samenleving’. 
Jongeren leiden onder prestatiedruk en de versnelling van de samenleving. 
Alles moet beter en sneller, in de online en offline wereld. 
En tegelijkertijd houden we het individu alleen verantwoordelijk voor het eigen geluk. 
Dat is voedingsbodem voor mentale problemen. 
Mentale gezondheid is geen individueel probleem maar een samenlevingsprobleem dat de hele bevolking raakt. 
Daarom spreekt de Raad over mentale volksgezondheid.

Iemand zei laatst tegen we dat we human doings zijn geworden in plaats van human beings. 
We zijn zo druk met presteren dat we weinig tijd nemen om gewoon te zijn. 
Het is wat mij betreft dan ook niet zo gek - zeg ik als theoloog - dat mensen en zeker ook jongeren zo op zoek zijn naar rust en op een dieper niveau weer op zoek zijn naar spiritualiteit. 
Maar dat is voor een ander moment.


Tijdens een debat in de Tweede Kamer vroeg een Kamerlid mij onlangs hoe ik de jeugd nog ‘hoop’ kon geven. 
Het verraste me dat deze vraag langskwam in een politiek debat. 
Politieke debatten gaan over geld, over beleid, wetgeving. 
Maar hoop? Ik vond een mooie vraag. 
Welk antwoord geef je hier als politicus op? 

Hoe geef je hoop aan een generatie die te maken heeft met de grote uitdagingen van deze tijd, ik noemde ze al eerder. 
Er staat voor hen veel op het spel. 
Op dit moment zijn zij, ten opzichte van de voorgaande generatie op verschillende aspecten een verliezende generatie. 
Maar zij zijn niet verloren. 
En we moeten er alles aan doen om het tij te keren.

Mijn antwoord was dat er veel reden is voor zorg. 
Ik noemde dat al eerder. 
Maar ik geloof ook dat het anders kan. Dat is voor mij een belangrijke drijfveer om de politiek in te gaan.
Dat ik geloof in een wereld waar we samen kunnen werken aan het tegengaan van klimaatverandering, zorgen dat er ook in de toekomst toegankelijke en beschikbare zorg is voor onze kinderen, dat we werken aan een wereld waar de armoede afneemt, aan vrede en begrip voor elkaar. 
En dat we dat ook uitdragen door de verbinding te zoeken met elkaar, soms in te schikken waar het nodig is om verder te komen. 
Voorbij de polarisatie. 
Dat is soms taai. 
Soms zakt de moed je in de schoenen. 
Maar het is ook onze dure plicht om die hoop voor te leven voor de generaties na ons.

Ik kijk dan ook naar u. 
Naar de hoogleraren van vandaag, en de knappe koppen van morgen. 
Want u signaleert, onderzoekt en geeft ons een blik op de toekomst. 
En bent daarmee een van de belangrijkste raadgevers voor de politiek. 
De wetenschap is voor een belangrijk deel ook werken aan een wereld die oplossingen bedenkt, die mogelijk maakt wat nog onmogelijk lijkt. 
Misschien zou je kunnen zeggen: dragers van hoop.

Daarmee delen dus zowel de politiek en wetenschap dezelfde kans - of moet ik zeggen zware verantwoordelijkheid – 
om te zorgen dat deze generatie, dat deze studenten die net de Uitweek achter de rug hebben en binnenkort weer bij u de collegebanken inkruipen niet de verloren generatie worden.


Dat zij de kennis en competenties aanleren om nieuwe oplossingen te creëren voor de wereld om hen heen. 
De ze de vaardigheden ontwikkelen om desinformatie te onderscheiden van feiten. 
Om een eigen onderbouwde mening te ontwikkelen. 
Dat ze volwassenen ontmoeten die voorleven hoe je samen bouwt aan oplossingen. 
En dat ze ook de rust vinden - in deze hypernerveuze samenleving - om een beetje mens te worden. 
Geen human doing, maar een human being te zijn. 

Dat brengt me terug bij de zandmotor, waar onderzoekers 15 jaar later concluderen dat de natuur zijn werk doet. 
Rijkswaterstaat had dit project nooit kunnen bedenken of uitvoeren zonder de samenwerking met de TU Delft. 
In het waterbeheer is het normaal dat overheid en wetenschap samen optrekken. 
Grote projecten als de afsluitdijk en ‘ruimte voor de rivier’ zijn ondenkbaar zonder wetenschappelijke betrokkenheid. 
Die vanzelfsprekend samenwerking tussen wetenschap, beleid en politiek wens ik onze jeugd ook toe, zeker in tijden waarin we niet alle antwoorden hebben.


Laten we uitgaan van de kracht van opgroeiende mensen, juist nu de toekomst zoveel uitdagingen voor ons in petto heeft. 
Het is in onze en hun handen. 
Want hoop hebben activeert, het idee dat iets anders kan. 
Zo kan je iets wat verloren lijkt toch nog keren. 
Zoals de erosie op het strand bij Ter Heide. 

Dank u wel.