Minister Sterk hield op 31 augustus een toespraak bij de opening van het academische jaar van de Protestantse Theologische Universiteit in de vernieuwde Janskerk in Utrecht.

Het gesproken woord geldt.

Een kansel in de samenleving

Allereerst, hartelijk dank voor de mogelijkheid om hier te mogen spreken vandaag. 35 jaar nadat ik hier begon als student aan de theologische opleiding. 

Het was 1991 toen ik hier in de grote stad op kamers ging. Ik was 18 en woonde het grootste deel van mijn jeugd in Ingen, een klein dorp in de Betuwe. Mijn vader was daar predikant. Een waarin de dominee nog echt een notabele was.  

Ik herinner me een tweede kerstdag waar een vrouw en haar zoontje onverwacht bij ons aanschoven. Zij had een zelfmoordpoging gedaan en mijn vader had haar en haar zoontje opgehaald. Mijn moeder en ik deden haar in bad waarna ze aan tafel kwamen zitten aan het kerstdiner samen met de andere gasten.

Mijn vader zei altijd: als de dokter en de psycholoog het niet meer weten, dan komen ze bij de dominee. Dat vond ik een mooi beeld. Meelopen met mensen die soms langs de randen van het bestaan schuurden. 

Dood en leven waren altijd dichtbij. Begrafenissen en doopzittingen aan huis. De wereld van buiten was bij ons binnen.

Die uitspraak van mijn vader was voor mij de drijfveer om uiteindelijk theologie te gaan studeren. Toch begon mijn start hier als student algemene sociale wetenschappen. Maar toen bleek dat ik maar 8 uur college had in de week, besloot ik dat ik meer wilde. Dat werd toch theologie als tweede studie.

Ik had in mijn keuzes niet meegewogen dat uit huis gaan, je eigen leven opbouwen ook tijd en energie vraagt. Mens worden vraagt tijd. Dus rond de Kerst liep ik vast. Ik besloot door te gaan met theologie en mijn andere liefde voor de sociale wetenschappen te laten vallen.

Al snel miste ik de verbinding van die vaak theoretische kennis naar de samenleving. Ik was wars van het in mijn ogen opgeheven vingertje om niet alleen een brood te geven maar ook een geloofsvisie op te dringen. Zo zwart-wit dacht ik daar toen over. 


Om die verbinding verder op te zoeken werd ik politiek actief. Die combinatie hielp me om mijn studie wat meer naar het hier en nu te halen.

Niet alle theologiestudenten worden dominee. Je komt ze op de meest bijzondere plaatsen tegen. Bij banken, in de journalistiek, het theater, bij zorginstellingen en dus ook in de politiek.

De theoloog en de politica. Twee werelden die op het eerste oog misschien niet in elkaars verlengde lijken te liggen, maar bij mij dat stiekem toch wel erg doen. Een kansel, die in de politieke arena staat.

Mooi dat ik hier dus vandaag sta als oud-student, maar ook als minister. 

Toen ik een half jaar geleden begon als minister las ik in de zorgakkoorden over zorgzame samenlevingen’, ‘levendige gemeenschappen’ en mantelzorg. Het verraste me, Ik kende termen vooral vanuit de christelijke traditie. Deze termen verwacht je niet in de politiek, maar ze zijn in de sector inmiddels gemeengoed.

Ze zijn onderdeel van de hervorming van ons zorgstelsel. Daar ben ik als minister verantwoordelijk voor samen met de minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport, Sophie Hermans.

We zijn in Nederland gewend dat we bij de huisarts terecht kunnen als we iets mankeren. Het liefst dezelfde dag nog. En dat er allerlei soorten zorgverleners voor ons klaarstaan als dat nodig is, van de jeugdzorg tot de ouderenzorg, tot de ziekenhuiszorg. In apotheken en op ambulances. Voor elke mogelijke kwaal is een behandeling.

Ons zorgstelsel is gebouwd op solidariteit en dit is een groot goed. Dit betekent dat gezonde mensen meebetalen aan de zorgkosten van de mensen die zorg nodig hebben, dat mensen met een hoog inkomen meer bijdragen dan mensen met een laag inkomen en dat we mensen met weinig geld die voor zorgkosten komen te staan ondersteunen. 

We zijn trots op dit zorgstelsel, maar zien intussen ook dat het tegen haar grenzen aanloopt. De zorgvraag neemt toe, ook door vergrijzing, en die kunnen we niet eindeloos blijven beantwoorden. De zorgkosten blijven maar stijgen. Als we niets doen wordt de zorg onbetaalbaar, laat staan dat we het kunnen organiseren. Want voor de zorg zijn mensen nodig. 

Op dit moment werkt iets meer dan 1 op de 6 werkenden al in de zorg, en met deze ontwikkeling zou dat in 2040 zelfs 1 op de 4 zijn. In 2035 verwachten we een tekort van 301.000 werkenden in zorg en welzijn. Dat is nog groter dan de stad Eindhoven. Dat is onhoudbaar.

We zien ook dat mensen andere behoeftes krijgen. Ouderen willen zo lang mogelijk in hun eigen omgeving blijven wonen. En we zien ook dat veel zorg niet altijd passende zorg blijkt te zijn. 

We meten onze keuzes af aan wat er medisch mogelijk is, maar niet perse altijd aan wat wenselijk is voor de kwaliteit van het leven. Dit alles vraagt om slimmere en soms ook duidelijke keuzes. 

Wat doen we daaraan?
De verandering van de zorg vraagt ook om verandering van hoe we samenleven. 

Er gaat al veel goed. We zijn in Nederland kampioen vrijwilligerswerk. Zorgzame buurten komen snel op. Als politiek zetten we in op samenredzaamheid. Pakken we het zorgtekort aan door digitale oplossingen.

Maar toch is de huidige tijd anders dan de gemeenschap waarin ik opgroeide. Waarin het vanzelfsprekend was dat die buitenwereld de binnenwereld werd. Mensen in nood bij ons aanschoven. 

Wat we vroeger belangenloze naastenliefde noemden, hebben we in wezen gekapitaliseerd. Zorg hebben we steeds meer ‘uitbesteed’ en in regelingen gestopt. We betalen er fors voor. Tot het niet meer te betalen is. 


We zullen partners, kinderen, vrienden, buren en anderen naasten nodig hebben om de gaten die in de zorg vallen op te vullen. We zien daarvan mooie initiatieven, zoals Knarrenhofjes, waarbij bewoners er bewust voor kiezen om bij elkaar te wonen en elkaar helpen met ritjes naar het ziekenhuis, maar ook het druppelen van ogen. En het goede nieuws is: mensen die zorg ontvangen, noemen dat vaak positief. Die hebben graag een bekend gezicht aan huis, in hun eigen omgeving. 

Maar zeker van mantelzorgers vraagt dat veel. Want er is in onze samenleving nog nauwelijks tijd en ruimte om elkaar belangeloos te helpen. Om iets voor een ander doen, alleen omdat je samen leeft. 

De wereld van vandaag omschrijft de Raad van Volksgezondheid en Samenleving als een ‘hypernerveuze samenleving’. We lijden onder prestatiedruk en de versnelling van de samenleving. Alles moet beter en sneller, we leven in een offline en een online wereld. 


En tegelijkertijd houden we het individu alleen verantwoordelijk voor het eigen geluk. Dat is een voedingsbodem voor mentale problemen. Mentale gezondheid is geen individueel probleem, maar een samenlevingsprobleem dat de hele bevolking raakt. Zo stellen zij.

Als je deze analyse van de samenleving plaatst naast de opdracht om te komen naar die zorgzame samenleving, dan zie ik dat deze transitie gaande is, maar moeten we die wat mij betreft versnellen. 

Hoe zorgen we dat in een samenleving waarin we het individu verantwoordelijk maken voor het eigen geluk, we weer de beweging maken naar zorgzame samenlevingen, mantelzorg? Hoe zorgen we dat dit geen leeg discours wordt? Dat is misschien een gemakkelijk antwoord voor de sector en politiek die te weinig betaalde krachten in de zorg kan vinden. Welke rol kan de kerk en de academische theologie daarin spelen?

Ik maak een uitstapje naar de rol die kerk en theologie hebben gespeeld in de zorg. 

Vanaf de start van het christendom, periode Vroege Kerk, heeft de inzet voor zorg aan zwakkeren (wezen, weduwen, zieken, doden!) centraal gestaan. In die zin kun je zeggen dat het stelsel van ziekenzorg, armenzorg, ouderenzorg diepgeworteld zijn in het christendom als religie. Dat wil niet zeggen dat andere religies niet ook een dergelijke praktische uitwerking kennen, maar het opzienbarende van het christendom was dat het zonder aanziens des persoons, vriend en vijand ten deel viel. 

Samuel Wells zegt daarover: ‘Het christendom sloeg aan in de tweede en derde eeuw omdat het instituten introduceerde die mensen tot dan toe ongekende mogelijkheden en kansen boden. Dat was wat het christendom oorspronkelijk was: een revolutionair idee dat institutionele vormen aannam. En dat moet het opnieuw worden.’

Het huidige zorglandschap waarin ik werk, kent ook diepe sporen van christelijke presentie.

Ik noem er een paar en zeker niet uitputtend: het Leger des Heils of het werk van Otto Heldring, wiens stichting inmiddels is opgegaan in de Hoenderloo Groep. Of Nicolaas Beets, medeoprichter van het Wilhelmina Kinderziekenhuis. En tenslotte Jeugddorp de Glind, ooit opgericht door dominee Rudolph en nu behorend bij Pluryn. 

Deze instellingen vinden hun start in de 19e eeuw. Daar is een enorme ontwikkeling te zien van kerkelijke - of uit de kring van de kerken - initiatieven op maatschappelijk terrein. Grotendeels gaat het om nieuwe initiatieven op terreinen waar de overheid in die mate nog niet actief is. Bewegingen die leidden tot verdere emancipatie van tot dan toe achtergestelde groepen. Sterk verbonden aan vernieuwing van de kerk. 


De opkomst van de verzorgingsstaat kwam na de Tweede Wereldoorlog in een stroomversnelling en drukte de kerk terug in een smalle rol van geloofsgemeenschap. Een laatste ‘serieuze’ poging van de kerken (ondersteund vanuit de universiteiten) om nog een keer ‘terrein terug te winnen’ is mijnsinziens de apostolaatsbeweging. Dit werd vastgelegd in de kerkorde van 1951 . 

Apostolaat betekende dat de kerk ‘als Christus-belijdende geloofsgemeenschap gesteld [is] in de wereld om Gods beloften en geboden voor alle mensen en machten te betuigen’ (Art. VIII, kerkorde 1951). Dit werd uitgewerkt in drie richtingen: 1. Gesprek met Israël ( een interessante trouwens in het licht van wat er heden ten dage speelt in het middenoosten), 2. Werk van de zending en 3. Verspreiding evangelie en voortdurende arbeid van ‘kerstening van het volksleven’ in de zin van de Reformatie. Met name dat derde punt werd uitgewerkt in maatschappelijke initiatieven. 


Sprekend voorbeeld van het derde punt is de oprichting van Kerk en Wereld door de rode dominee Banning. Het doel was een herkerstend en vernieuwd Nederland. Het middel was het opleiden van werkers in kerkelijke arbeid - de zogeheten wika’s. Al snel bleek dat de expliciete evangelisatie bij deze groep niet populair was. Ze werden al gauw reguliere werkers in het sociaal domein.

Uiteindelijk werd Kerk en Wereld in 2015 ondergebracht als fonds bij de PKN. Het fonds voorziet nu in subsidies voor projecten op snijvlak van geloof en samenleving. Nobele doelen, maar inmiddels wel ver weg van de oorspronkelijke ideeën van Kerk en Wereld. Als bestuurslid van Kerk en Wereld van voor 2015 en heb ik deze ontwikkeling met lede ogen zien gebeuren.


De voortgaande verzorgingsstaat heeft de kerk helemaal teruggeworpen tot ‘zorg voor de ziel’. In de woorden van Samuel Wells, ik citeer: ‘In dit land (Verenigd Koninkrijk) werd zeventig jaar geleden de rol van de kerk overgenomen door de overheid. Met het vestigen van de verzorgingsstaat nam de overheid alle praktische zaken wat betreft onderwijs, gezondheid en welzijn die eerder door de kerk gedaan werden, over. De kerk riep halleluja. Maar ze besefte niet dat ze hiermee de basis gelegd had van haar eigen geleidelijke verdwijnen. Er werd een dualistische scheiding gecreëerd, waarbij de overheid zorg droeg voor het lichaam en de kerk voor de ziel. (…) Gedurende de laatste twintig jaar proberen kerken opnieuw van betekenis te zijn op het vlak van sociaal welzijn; dit doen zij zonder een duidelijke theologische onderbouwing. (…) De kerken hebben al te lang afgewacht aan de rand van het publieke domein, zonder echt iets te bieden bij wijze van praktische hulp. Maar ze zijn eindeloos geneigd tot kritiseren, oordelen en véroordelen. In de slechtste gevallen is de kerk vervallen van opkomen voor de zwakken tot lobbyen voor haar eigen privileges zoals elke organisatie met belangen.’ Citaat sluiten. 

Hoewel de situatie van het Verenigd Koninkrijk niet helemaal dezelfde is als Nederland slaat Wells de spijker volgens mij wel op z’n kop. Kerk en theologiebeoefening zijn vaak verworden tot commentator van het tekort van de overheid op zorg, welzijn, asiel etc, zonder zelf echt in te springen en te doordenken hoe oude begrippen als ‘gemeenschap’, ‘barmhartigheid’, ‘gerechtigheid’ in nieuwe begrippen (zoals ‘samenredzaamheid’, ‘compassie’) gevangen en/of uitgewerkt kunnen worden. 

Ik heb dat in een eerdere publicatie in 2004 samen met Mariëtte van den Hoven benoemd als de keuze die de kerk heeft uit drie rollen: demonstrant, lobbyist of gesprekspartner. Ook toen was onze constatering daarbij gelijksoortig aan die van Samuel Wells: eerder lobbyist en demonstrant dan gesprekspartner. 

Misschien is het ook niet zo gek dat de kerk onvoldoende zelf is ingesprongen in het laden van die oude begrippen. Ook de kerk heeft zich, net als het gehele maatschappelijke middenveld overgeleverd aan overheidsbekostiging en invloed. De begrippen zijn wel meegekomen, maar waar staan ze voor en wie gaan ze dragen cq. lijden onder de theologische invulling. 

De vraag die bij mij leeft als minister, maar ook als theoloog is daarom: hoe kan de kerk maar ook de academische theologie dan weer gesprekspartner worden van de overheid? 

Ik zou dan ook drie oproepen willen doen aan kerk en theologie:

1.         Mijn eerste wens is dat de kerk en de theologiebeoefening helpt taal te geven aan de beweging in de zorg. Het nieuwe discour in de zorgsector van zorgzame buurten, levendige gemeenschappen, samenredzaamheid en mantelzorg te laden. Het risico bestaat immers dat deze begrippen instrumenteel worden ingezet. Eerder noemde ik dat we mantelzorg hebben gekapitaliseerd. Nu ouderen langer thuis wonen en zij een groter beroep doen op hun sociale netwerk, is het nodig dat mensen meer verantwoordelijkheid voor elkaar nemen. De theorie klopt. Maar waarom zouden mensen dat doen?

We moeten voorkomen dat mantelzorg weer een rol erbij wordt voor mensen in de enorme drukte in die hypernerveuze samenleving, waar het individu verantwoordelijk is voor zijn eigen geluk. 
Dat vraagt dat er weer aandacht komt voor de eigenheid en de waarde van relaties, zelfs nog voordat hun nut ter sprake komt. Zo kan de voedingsbodem van samenredzaamheid groeien zeg ik, met professor Petruschka Schaafsma. Hier wel bekend denk ik. 

2.    Een stap verder dan het laden van de begrippen zou ook kunnen zijn het bijdragen aan nieuw conceptvorming. Een voorbeeld daarvan is de presentiebenadering van Andries Baart, die uit de theologie tot stand kwam. Daarin staat het nabij zijn bij en meegaan met de cliënt centraal. Naast laden kan de theologie ook scheppen. 

3.    Tenslotte zou ik kerken willen oproepen niet alleen in denk- en vierkracht te investeren, maar ook waar dat kan, en op veel plekken gebeurt dit ook, hun vermogens in te zetten om de zorgzame samenleving tot stand te brengen. Wetenschappers als Beatrice de Graaf zeggen dat wij op het wereldtoneel terugbewegen naar de negentiende eeuw, misschien mag de kerk daarin volgen en opnieuw, samen met vermogende leden, burgers, organisatie, vormen van zorgstructuren, vastgoed ontwikkelen.

Ik kom aan het einde van deze Williborduslezing. Maar eigenlijk is het een begin, een begin van een nieuw academisch jaar. De collegebanken vullen zich weer met jonge mensen op zoek naar antwoorden op vragen, honger naar kennis, met dromen en verwachtingen over hun toekomst.

Ik wil me tenslotte tot hen richten. Jullie staan in een traditie van velen, waaronder ikzelf, die ook zochten en vonden en soms weer kwijtraakten, maar uiteindelijk hun - soms onverwachte - plaats vonden. Waar dat ook mag zijn, in de theologie, wetenschap, zorg of misschien wel de politiek. 

Ik wil jullie uitdagen om je geloof handen en voeten te geven: schrijf je in voor een samenleefconcept van studenten met ouderen, geef je op als buddy voor jongeren. En verdiep je in een spiritualiteit voorbij het eigen ik. Laat het christendom in Nederland opnieuw het revolutionaire idee zijn in nieuwe vormen. 

En met Jeremia zeg ik tegen u allen: spes et futurum (hoop en een toekomst)!