Toespraak van staatssecretaris Palmen ter gelegenheid van het ontwikkelprogramma van de nieuwe lichting rijkstrainees, uitgesproken op 30 september 2026 in Den Haag.
Het gesproken woord geldt
Beste mensen, of eigenlijk moet ik zeggen… collega’s
Wat ontzettend leuk om hier voor jullie te staan.
Voor een grote groep getalenteerde, jonge ambtenaren, met een opdracht die naadloos aansluit bij mijn verhaal.
Want jullie worden geacht voortdurend te reflecteren, lees ik in de brochure van het traineeontwikkelprogramma.
Ik citeer:
‘Je verplaatst je tijdens het ontwikkelprogramma in de perspectieven van burgers, ondernemers, publieke dienstverleners, beleidsmakers en politici. Soms letterlijk, door in hun rol te stappen. Daarna reflecteer je op deze ervaringen en koppel je ze terug naar jouw werk als rijksambtenaar.
Uitgangspunt hierbij is dat je pas echt verbinding legt met de samenleving en je collega’s wanneer je deze perspectieven doorleeft en ervaart. Ontmoeting en reflectie zijn hierbij cruciaal.’ Einde citaat.
Dat klinkt misschien nog wat abstract. Met mijn verhaal probeer ik dat concreet te maken. Zodat het jullie wat houvast geeft.
Want ooit was ik ook ambtenaar.
Ik kwam in 1997 in dienst bij de Belastingdienst als behandelfunctionaris en heb sindsdien in verschillende functies gewerkt,
bij de Belastingdienst, op het ministerie van Financiën en bij de Dienst Toeslagen.
Tot 2023. Toen werd ik Kamerlid.
En nu ben ik staatssecretaris Herstel Toeslagen.
Het deel van mijn verhaal dat voor jullie relevant is begon tien jaar geleden, toen ik landelijk vaktechnisch coördinator was bij de Belastingdienst/Toeslagen.
Ik stond aan het hoofd van enkele tientallen vaktechnische specialisten op het gebied van Toeslagen en rechtsstaat.
Als coördinator zorg je ervoor dat iedereen de wet op dezelfde manier uitlegt, zodat het voor de belastingplichtige of de toeslagenontvanger niets uitmaakt of jouw zaak door ambtenaar A wordt behandeld of door ambtenaar B.
En daar raken we al meteen aan de grenzen van de zelfreflectie uit jullie opdracht.
Want er is ook nog zoiets als de wet.
En het grondrecht op gelijke behandeling.
Op een dag kreeg ik het verzoek om mee te kijken op een dossier over toeslagen voor kinderopvang. Het ging over ouders bij wie de kinderopvangtoeslag plotseling werd stopgezet,
omdat ze te veel hadden ontvangen of soms zelfs omdat ze klant waren bij het verkeerde gastouderbureau.
Ze moesten het hele jaarbedrag in één keer terugbetalen. Vaak ging het om duizenden euro’s.
Mij leek dat onbestaanbaar. Ouders werden hier door de overheid in de problemen gebracht, op grond van een onjuiste juridische argumentatie.
Het was een doorgeschoten fraudejacht als gevolg van de zogeheten Bulgarenfraude.
Vond ik.
Ik stond voor een dilemma:
Voor mij was duidelijk dat de Belastingdienst – mijn werkgever – fout zat. Ik had daar een goede juridische argumentatie voor. Ik vond dat de Belastingdienst de ouders in het gelijk moest stellen en hen compensatie moest betalen.
Maar als ik dit zou opschrijven, zou dat grote consequenties hebben. Ik werd gewaarschuwd dat het een politieke rel zou kunnen veroorzaken.
Wat moest ik doen?
Ik ben jurist. Ik beschouw het als mijn taak het recht toe te passen. Dus ik besloot voor het recht te kiezen.
Zodat ik mezelf in de spiegel kon blijven aankijken.
Ik schreef een advies, waarin ik mijn bezwaren uiteenzette en duidelijk aangaf dat de Belastingdienst hier laakbaar had gehandeld.
En toen…
… werd het lange tijd stil.
Totdat de toeslagenaffaire in al zijn hevigheid losbarstte en het memo weer opdook, dat toen de naam memo-Palmen kreeg.
Het memo werd symbool voor de tunnelvisie waarin de toeslagenaffaire kon ontstaan.
Mijn bezwaren pasten niet in die tunnel en werden daarom genegeerd.
Hier was sprake van een tunnelvisie die misschien niet was ontstaan als iedereen zich aan jullie opdracht had gehouden:
- voldoende had gereflecteerd op het eigen handelen
- en verbinding had gelegd met de samenleving.
Zodat eerder duidelijk was geworden wat de effecten op mensen waren van dit beleid.
Ik trek twee algemene lessen uit de toeslagenaffaire:
- Wetgeving is zo goed als de uitvoering
- En als die wetgeving slecht uitpakt, hoor je dat het eerst in de uitvoering
Ik zal dat toelichten.
De overheid maakt wetten en regels en voert die uit. Dat geeft een machtige positie tegenover burgers. Die positie brengt verantwoordelijkheid met zich mee: we moeten zorgvuldig met die macht omgaan, en de gevolgen, de effecten van de wetten en regels nooit uit het oog te verliezen.
Die verantwoordelijkheid ligt bij de politiek, bij de ambtelijke organisatie maar uiteindelijk ook bij de ambtenaar zelf.
Bij jullie dus. Bij ons allen.
Wet- en regelgeving is niet absoluut. Het is óók een momentopname: de codificering van waar op dát moment overeenstemming over bestaat.
In die zin is wetgeving gestolde ethiek: een bevroren uitdrukking van morele keuzes.
Maar ondertussen verandert de samenleving gewoon door - sneller dan wetten kunnen bijhouden. Daarbij komt dat de praktijk vaak complexer is dan we in regels kunnen vatten. En mensenlevens niet te reduceren zijn tot wetsartikelen of regelgeving.
En daarom is het uitvoeren van de wet niet hetzelfde als het toepassen van het recht.
Het toepassen van het recht vraagt om meer. Het vraagt om oordeelsvermogen. Het vermogen om te kunnen beoordelen wanneer een strikte toepassing van regels leidt tot een uitkomst die niet rechtvaardig is.
Dat is niet eenvoudig, want dit legt de verantwoordelijkheid bij degene die het oordeel velt. Bij jou. Want jij moet bepalen hoe je de wet of de regel weegt.
Gelukkig tast je daarbij niet in het duister.
Daar zijn richtsnoeren voor, zoals rechtsbeginselen als proportionaliteit, zorgvuldigheid, gelijkheid en rechtszekerheid. Die helpen om te corrigeren waar de wet te hard uitpakt, te algemeen is of onvoldoende recht doet aan het individu.
Meer algemeen heb je ook de beginselen van goed bestuur – die staan gewoon in de wet -, je hebt ambtelijk vakmanschap, en waarden zoals jullie die meekrijgen in jullie opleiding.
Zoals de opdracht om je te verplaatsen in de perspectieven van burgers, ondernemers, publieke dienstverleners, beleidsmakers en politici.
Door in hun rol te stappen, door daarop te reflecteren en deze ervaringen terug te koppelen naar jouw werk als rijksambtenaar. Met als uitgangspunt dat je pas echt verbinding legt met de samenleving en je collega’s wanneer je deze perspectieven doorleeft en ervaart.
Precies zoals jullie opdracht luidt dus.
En dan nog gaat het niet altijd goed.
Want doordat we als overheid alles zo efficiënt mogelijk willen doen, raken we het zicht soms kwijt op de effecten van ons werk.
Als iedereen in zijn eigen koker zijn eigen werk zit te doen, en niemand het overzicht houdt, gaat het alsnog mis.
Dan zien we niet meer wat beleid doet met de levens van mensen...
Dat brengt me bij de uitvoering.
Want als het dan toch misgaat, dan wil je er zo vroeg mogelijk bij zijn. En eventueel onrecht zo snel mogelijk herstellen.
Wat ik probeerde met mijn memo.
Maar dan moet je wel weten dat er iets misgaat. De signalen registreren en er iets mee doet.
En daarvoor moet je bij de uitvoering zijn. Als het fout gaat, merken ze het daar als eerste.
Uitvoerders zijn de mensen die in direct contact staan met burgers. Zij weten als geen ander weten wat er speelt. Uitvoerders zien hoe wetten en regels uitwerken. Zij zien wat de effecten zijn op burgers en hun levens.
Een van de lessen die ik van de toeslagenaffaire heb geleerd, is om veel beter te luisteren naar die signalen.
Toen ik zelf nog ambtenaar was, heb ik wel eens meegelopen bij het autoteam van de Belastingdienst. Ik herinner me dat er werd gesproken over ‘krentenbollen’. Daar bedoelden ze niet de broodjes mee, maar auto's met kleine deukjes die lijken op krenten.
Die drukten de waarde van een voertuig, waardoor de belasting bij de parallelimport (BPM) lager was.
Ik kan u verzekeren: in geen enkele wet kwam de term krentenbol voor maar bij de uitvoering wist iedereen precies waar we het over hadden.
De voormalige vice-president van de Raad van State en staatsrechtkenner Herman Tjeenk Willink zag dit ook. Hij zei hierover:
‘De uitvoering vindt plaats in steeds wisselende maatschappelijke omstandigheden waarop beleidsbepalers nooit helemaal, vaak zelfs helemaal, geen greep hebben.’
‘Alleen door ruimte voor de uitvoerders kan werkelijk maatwerk worden geleverd. Alleen zo kan samenwerking tussen verschillende uitvoerders bij de oplossing van complexe problemen succesvol zijn.’
‘Om in wisselende omstandigheden professioneel te kunnen optreden hebben uitvoerders ruimte nodig voor een eigen beoordeling.’
Want, zegt nog steeds Tjeenk Willink: ‘zij – de uitvoerders - hebben zicht op de veranderende werkelijkheid waarin burgers leven.’ Einde citaat.
Theorie en praktijk – wet en werkelijkheid - komen samen in de uitvoering. Het zou dus helemaal niet zo’n gek idee zijn om meer uitwisseling te organiseren tussen beleidsambtenaren en uitvoerders.
Dus, vroeg ik me af: waarom gaan Rijkstrainees niet altijd ook een periode naar een uitvoeringsorganisatie?
Ik ga er niet over maar het lijkt me zeker een overweging waard.
Naast de algemene lessen die ik heb getrokken, heb ik ook een paar dingen geleerd die specifiek waren voor de toeslagenaffaire.
Ik deel die lessen graag met jullie:
Ten eerste: je kunt pas herstellen en compenseren als je weet wat er (precies) mis is
én wie er gedupeerd zijn.
Bij de toeslagenaffaire hebben we eigenlijk niet scherp gekregen wanneer iemand gedupeerd is:
In de hectiek van het politieke en maatschappelijke debat bleven er aanpassingen komen.
Met de wetenschap van nu, zouden we dat niet meer zo moeten doen.
De volgende keer moet er eerst een goede analyse komen van wat er mis is. Pas dan kan je er ook achter komen wie er de dupe zijn.
Daarnaast moet een hersteloperatie uitvoerbaar zijn. Dat klinkt logisch maar is het niet altijd.
Als ik de film als jurist terugspoel, zeg ik: er is aan cherry picking gedaan in de verschillende rechtsgebieden.
Dat bemoeilijkt de uitvoerbaarheid nu.
Als staatssecretaris neem ik natuurlijk volle verantwoordelijkheid voor het beleid van mijn voorgangers maar als ik destijds bij de vormgeving betrokken was geweest, had ik het anders gedaan…
Ik heb ook mijn mensbeeld bijgesteld.
Geen mens is alleen een rationeel denkend wezen.
En dat geldt zeker voor mensen die in stress leven, met schulden, in conflict met de overheid.
In hersteloperaties moeten we daar veel meer rekening mee houden.
Bovendien gaat herstel over meer dan geld.
Het gaat ook om erkenning.
Iemand die tegen je zegt dat je onrecht is gedaan, zodat je weet: het is gezien.
Iets anders dat ik in mijn oren heb geknoopt: gedupeerdheid komt niet opgeknipt.
Een mensenleven is een geheel, dat kan je niet zomaar in stukjes knippen.
Herstel en compensatie moet je daarop afstemmen.
Beste mensen,
Dit zijn dure lessen, vooral voor de gedupeerden.
Maar ook wij – politiek, overheid – hebben er schade door opgelopen.
Vertrouwen komt immers te voet, en gaat te paard.
Laten we er met deze wetenschap alles aan doen om te voorkomen dat deze geschiedenis zich herhaalt.
Dat begint bij jonge ambtenaren die zich verplaatsen in de perspectieven van burgers, ondernemers, publieke dienstverleners, beleidsmakers en politici.
Door in hun rol en positie te stappen.
Door op deze ervaringen te reflecteren en ze terug te koppelen naar jouw werk als rijksambtenaar.
Want zo leg je pas echt verbinding met de samenleving die je dient.
Dat begint bij jullie dus!
Dank jullie wel.