Toespraak minister Boekholt-O’Sullivan bij uitreiking Aletta Jacobsprijs
Toespraak bij de uitreiking van de Aletta Jacobsprijs door minister van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening, Elanor Boekholt-O’Sullivan, op vrijdag 6 maart 2026 te Groningen.
Dank jullie wel.
Dank voor deze bijzondere prijs.
En dank voor de prachtige motivatie daarbij.
Jullie woorden ontroeren mij.
En sterken mij in de gedachte dat deze prijs een opdracht is.
Daarom draag ik deze prijs op aan iets wat mij diep raakt:
de vrijheid en veiligheid van vrouwen in Nederland.
Afgelopen zomer werd Nederland opgeschrikt door de dood van de zeventienjarige Lisa,
die ’s nachts op weg naar huis werd aangevallen en haar leven verloor.
Haar naam mogen we niet vergeten.
En haar dood mag niet leiden tot berusting.
Omdat nog te veel vrouwen voortdurend rekening houden met onveiligheid.
Hun route aanpassen.
Hun sleutelbos al in de hand.
Altijd alert als het donker wordt.
Niet omdat ze dat willen.
Maar omdat ze zich genoodzaakt voelen.
Ik sta hier vandaag niet alleen als luitenant-generaal buiten dienst en als minister.
Ik sta hier ook als vrouw; als moeder, als vriendin,.
Als iemand die gelooft dat veiligheid geen abstract begrip is,
maar iets wat je elke dag moet waarmaken.
Bij mijn vorige werkgever, Defensie, kennen we het dagelijkse appèl.
Een ogenschijnlijk eenvoudig moment.
Maar met grote betekenis.
Een moment waarop iedereen zich verzamelt:
Is iedereen er?
Is iedereen in orde?
En kan iedereen doen wat van hem of haar wordt gevraagd?
Een appèl is geen formaliteit.
Het is een zorgplicht.
Het is verantwoordelijkheid.
Het is veiligheid.
En juist daarom stel ik vandaag een andere vraag:
Voor wie doen wij in Nederland eigenlijk het appèl?
Wie staat er wél?
En wie ontbreekt er?
Niet omdat ze geen deel willen uitmaken van de samenleving,
maar omdat de ruimte onveilig voelt.
Omdat grenzen niet worden bewaakt.
Omdat het systeem niet voor hen werkt.
Toen ik jong was, nam ik op schoolplein het altijd op voor degene die werd buitengesloten.
Voor degene die het zwakste stond.
Dat had een prijs.
Het populaire groepje liet mij vallen.
Ik hoorde er niet meer bij.
Ik leerde daar iets wat me altijd is bijgebleven:
Opstaan voor een ander heeft consequenties.
Het kan eenzaamheid betekenen.
Afwijzing.
Twijfel.
En toch wist ik toen al:
wegkijken was voor mij geen optie.
Je kunt je leven doorlopen zonder echt om je heen te kijken.
Met jezelf bezig.
Je eigen pad.
Maar op het moment dat je wél kijkt – en handelt – verandert er iets.
Dan denk je niet meer automatisch: “het zal wel meevallen”, of “het komt wel goed”.
Dan voel je: dit klopt niet.
Dat kompas heb ik meegenomen.
In mijn leven.
En in mijn werk.
Ik ging bij Defensie omdat ik wilde bijdragen aan een wereld
waarin we op een humane en waardige manier met elkaar omgaan.
Daarom heb ik ruim dertig jaar bij deze geweldige organisatie gewerkt.
Bij Defensie is het motto:
wij beschermen wat ons dierbaar is.
Dat geldt ook binnen de grenzen van je eigen land of binnen je eigen organisatie.
Binnen je eigen eenheid, je eigen team. Op elk niveau.
Tijdens een uitzending in Afghanistan werd dat voor mij pijnlijk concreet.
Ik werkte daar in een internationale omgeving.
Met professionele collega’s, de meesten zeer gedisciplineerd en toegewijd.
En toch zag ik hoe een vrouwelijke collega structureel werd geïntimideerd.
Het begon klein.
Een hand op een arm.
Te veel oogcontact.
Een zogenaamd grapje.
Het werd steeds erger.
Tot een moment waarop hij een aansteker pakte
en de haartjes op haar arm schroeide.
Zogenaamd als grap.
Zij zei niets.
Ze verstarde.
Zoals zoveel mensen doen wanneer hun grenzen herhaaldelijk worden overschreden.
Ik keek rond.
Zagen anderen dit ook?
Ja.
Maar niemand bewoog.
En toen wist ik:
als niemand ingrijpt, gaat dit door.
Ik ging naar haar leidinggevende.
Ik benoemde wat er gebeurde.
Dat het hier niet ging om een cultuurverschil of een misverstand.
Maar dat het niets minder was dan intimidatie.
De eerste reactie van haar leidinggevende was lauw.
Beleefd, maar ontwijkend.
Maar dat is niet wie ik ben.
Niet toen, en niet nu.
Ik ging hogerop.
En nog diezelfde dag werd er ingegrepen.
De militaire politie werd ingeschakeld.
De man in kwestie werd teruggestuurd.
Wat daarna gebeurde, was veelzeggend.
Het kamp gonsde.
Sommigen vonden het overdreven.
Anderen vroegen zich af of zij het niet had uitgelokt.
Maar voor haar maakte dat niet meer uit.
De grens was getrokken.
Ze kon haar werk weer doen.
Zonder zich te hoeven verstoppen.
Zonder bang te zijn.
Dat was de kern.
Niet dat er iemand werd weggestuurd,
maar dat iemand kon blijven.
Die les draag ik nog steeds met me mee.
Veiligheid gaat niet alleen over reageren als het misgaat.
Het gaat over voorkomen dat mensen zich aanpassen, kleiner maken of zwijgen.
En dat brengt me bij Nederland.
Ik schrik van de cijfers.
Van de verhalen.
Het geweld.
Eens per acht dagen wordt in Nederland een vrouw vermoord.
Vaak door iemand die haar kent.
Twee op de drie meisjes en jonge vrouwen tussen de 12 en 25 jaar zijn lastiggevallen op straat. En bijna 70 procent van de vrouwen voelt zich structureel onveilig in de openbare ruimte.
Meer dan 50% van de vrouwen heeft fysiek seksueel grensoverschrijdend gedrag meegemaakt: betasting, aanranding, verkrachting.
Dat zijn geen incidenten.
Dat zijn geen randverschijnselen.
Om het met de woorden van actrice Soundos El Ahmadi te zeggen:
‘Dit is geen mening, dit zijn keiharde cijfers’.
En ik zeg: dit is een systeemprobleem.
En misschien denken we dat dit iets van deze tijd is.
Dat we het nu pas beginnen te zien.
Maar wie de geschiedenis leest, ziet iets anders.
Aletta Jacobs beschreef in haar memoires een ervaring uit haar begintijd als huisarts in Amsterdam.
Elke avond liep ze na het eten terug van haar ouders naar haar eigen woning.
En er was een man die haar steeds weer volgde.
Op een avond ging het mis.
Hij greep haar ‘op onhebbelijke wijze’ vast, midden op straat.
Nota bene onder de ogen van een politieagent.
Aletta liep naar de agent toe.
Op zoek naar bescherming.
Maar in plaats daarvan kreeg ze te horen:
“Blijf ’s avonds thuis, dan zul je op straat geen last hebben.”
Meer dan honderd jaar geleden.
En toch herkennen we het nog steeds.
De boodschap dat vrouwen zich maar moeten aanpassen.
Dat zij hun gedrag moeten veranderen.
Dat zij het risico moeten vermijden.
Dat het hun schuld is.
Vorig jaar belde een vrouwelijke collega mij.
Het was laat.
Ze stond buiten op het plein dat grenst aan de Tweede Kamer en het ministerie van Defensie.
“Er brandt licht bij u,” zei ze.
“Mag ik naar u toe komen?”
Ze was aangeraakt door iemand
die haar niet had mogen aanraken.
En wat zei ze als eerste?
“Het zal wel aan mij hebben gelegen.
Mijn rokje was misschien te kort.”
Dat raakt me diep.
Vrouwen moeten niet de schuld bij zichzelf leggen
voor gedrag dat nooit had mogen plaatsvinden.
Soms wordt gedacht dat de oplossing eenvoudig is.
Meer verlichting.
Meer camera’s.
Meer waarschuwingen.
Meer zelfverdedigingsworkshops.
Maar als je alleen het fietspad verlicht
zonder het systeem aan te pakken,
verandert er weinig.
Dit is geen eenvoudig probleem.
Het is een complex, hardnekkig vraagstuk.
Het speelt thuis.
Op school.
In het uitgaansleven.
Op de werkvloer.
Online.
In beleid.
En ook in mijn nieuwe functie als minister van VRO.
Veiligheid van vrouwen is niet alleen een strafrechtelijk of sociaal vraagstuk.
Het is óók een vraagstuk van ruimtelijke ordening en volkshuisvesting.
Waar wij woningen bouwen.
Hoe wij wijken inrichten.
Of er ’s avonds nog licht en leven op straat is.
Of een station overzichtelijk is, of een bushalte verlaten.
Een slecht verlichte straat vergroot risico’s.
Een wijk zonder voorzieningen wordt stil en kwetsbaar.
Een vrouw die uit een onveilige thuissituatie wil vluchten maar geen betaalbare woning kan vinden, blijft langer gevangen dan nodig is.
En ja, mannen zijn nadrukkelijk onderdeel van de oplossing.
Ik ben niet tegen mannen.
Integendeel.
Mijn zoon zei ooit tegen mij:
“Nu ik door jouw ogen kijk, zie ik wat jij ziet.
Dat had ik me nooit zo gerealiseerd.”
Dat is waar verandering begint.
Bij zien.
Bij erkennen.
Bij verantwoordelijkheid nemen.
En daarom zet ik deze prijs in voor Actie Aletta.
Vandaag is het startsein daarvoor.
Ik ben dan ook blij dat staatssecretaris Tielen hier vandaag aanwezig is,
vanuit haar verantwoordelijkheid voor emancipatie. Dank daarvoor.
Samen met onder andere het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap,
universiteiten, de Vereniging van Nederlandse Gemeenten, de Regeringscommissaris seksueel grensoverschrijdend gedrag en seksueel geweld en de beweging ‘Wij eisen de nacht op’
organiseren we een collegetour langs zestien onderwijssteden.
In elke stad staat één vraag centraal:
hoe kunnen we onveilige situaties en gedrag tegen vrouwen voorkómen?
Want te vaak reageren we pas als het al mis is gegaan.
Preventie betekent: signalen eerder herkennen.
Grenzen eerder stellen.
Patronen doorbreken vóórdat ze schade veroorzaken.
De antwoorden zoeken we in iedere stad telkens vanuit een andere invalshoek
passend bij de kennis en expertise van die stad,
van ruimtelijke inrichting en sociale veiligheid
tot recht, handhaving, technologie en cultuurverandering.
De inzichten en aanbevelingen die daaruit voortkomen,
brengen we samen aan het einde van de tour
symbolisch in Amsterdam, bij De Nachtwacht
met als doel ze daadwerkelijk om te zetten in verandering.
Dames en heren,
Onveiligheid is als een donker steegje:
als samenleving moeten wij de lantaarn aansteken.
We hoeven geen vrouwen te veranderen.
We moeten de omgeving verlichten.
Niet door één iemand.
Maar samen.
Mannen en vrouwen.
En soms betekent dat: opstaan.
Iemand aanspreken.
Niet wegkijken.
En naast het slachtoffer staan.
Als bondgenoot.
Tot het weer veilig is.
Dat is niet altijd makkelijk.
Opstaan voor een ander heeft consequenties.
Maar wegkijken is wat mij betreft geen optie.
Want veiligheid ontstaat waar mensen zich verantwoordelijk voelen.
Waar we het appèl doen
en eerlijk kijken wie er ontbreekt.
Ik eis de nacht niet op voor vrouwen alleen.
Ik eis haar op voor een samenleving
die zichzelf serieus neemt.
En ondanks dat ik dit programma moet loslaten, laat ik deze overtuiging niet los.
Waar veiligheid van vrouwen en volkshuisvesting elkaar raken, waar veiligheid van vrouwen en ruimtelijke ordening elkaar raken zal ik - in het kabinet, richting mijn ambtenaren of waar dan ook - altijd de vraag stellen:
is hier werkelijk rekening gehouden met de veiligheid van vrouwen?
Dank u wel.