Dames en heren,

Ik ben blij om hier staan en u te mogen toespreken. U bent een bijzonder gezelschap; vertegenwoordigers van kennisinstellingen en maatschappelijke organisaties, beleidsmakers en collega’s in de uitvoering.

Ik voel grote verwantschap. Vanuit verschillende rollen werken we allemaal aan een betere samenleving en dienen we de rechtsstaat. En net als ik worstelt u iedere dag met ingewikkelde vraagstukken rond het thema migratie.

Daarom is het goed dat u hierover ook met elkaar spreekt. Deze dag is hiervoor een ideale gelegenheid. Ik hoor achteraf heel graag wat hier allemaal wordt gewisseld. 

Want migratie, en zeker ook asielmigratie, staat dezer dagen volop in de belangstelling en is dan ook topprioriteit voor dit kabinet. De hervorming van het Europese en Nederlandse asielbeleid is vorige week goedgekeurd door de Eerste Kamer. Dit is een bijzonder feit want de laatste hervorming van ons asielbeleid dateert uit het jaar 2000, meer dan 26 jaar geleden.

In die tussenliggende tijd woedde een vaak hoog oplopend politiek en maatschappelijk debat. Dat debat leverde naast veel tweets en polarisatie veel te weinig op.

Wie het wilde zien, zag dat Nederland in die periode snel veranderde. Demografische ontwikkelingen mogen je niet overkomen, als land. Hoe daarop te reageren hoort een kernvraag te zijn voor politici en bestuurders van een land. Wat kan de samenleving aan? Hoe houden we onze sociale voorzieningen in stand? Hoe kunnen we daarop sturen? Hoe krijgen we meer grip op de ontwikkelingen?

Zulke vragen schreeuwen om analyse, liefst zo breed mogelijk gedragen door wetenschappers, beleidsmakers en politici. Die analyse was er niet. Dat brede draagvlak voor een oplossingsrichting al helemaal niet.

Een integrale analyse kwam er pas door de Staatscommissie Demografische Ontwikkelingen. Die bracht als eerste wetenschap en beleid bij elkaar.

Een van de leden van deze commissie speelde ook een kwart eeuw eerder al een rol in het debat over migratie. Paul Scheffer wees ons toen al met zijn essay ‘het multiculturele drama’ op kwesties die toen al te lang niet geadresseerd waren.

In diezelfde periode debatteerde de Tweede Kamer, bij de behandeling van de Vreemdelingenwet 2000, over het VN-Vluchtelingenverdrag. Was dat nog wel bij de tijd of was het toe aan herziening? Het was een serieuze vraag voor links én rechts. Maar dat debat leidde niet tot uitkomsten en er werden geen heldere keuzes gemaakt.

Begrijp me goed: migratie heeft ons veel gebracht. Maar voor de schaduwkanten is veel te lang veel te weinig aandacht geweest. En dat geldt zowel voor arbeidsmigratie binnen Europa als voor asielmigratie. Daarmee hebben we het migratiedebat, zowel in Nederland als in Europa, overgelaten aan de flanken van de politiek. Die flanken grepen hier en daar hun kans. Maar we hebben gezien wat dat tot dusver opleverde: óók bitter weinig.

Zoals ik eerder zei: wetenschap, beleid en politiek hebben weliswaar verschillende verantwoordelijkheden, maar uiteindelijk staan we allemaal ten dienste van onze samenleving. De samenleving mag van ons verwachten dat we een taal spreken die aansluit bij de feiten. En daarom kan ik niet anders dan starten met de feiten en de conclusies van de Staatscommissie Demografie. Want die waren glashelder.

Nederland kan niet zonder migratie. Onze economie heeft arbeidsmigratie nodig. Ook willen we voldoen aan onze humanitaire verplichtingen door bescherming te bieden aan mensen op de vlucht. Groei is dus onontkoombaar. Maar die groei mag niet ongebreideld zijn. Geen enkele samenleving kan dat aan. Ook de Nederlandse niet. Die groei moet dus gecontroleerd zijn.

In politieke zin was het rapport van de Staatscommissie, Gematigde Groei, een doorbraak. De bevindingen waren niet alarmistisch, wel alarmerend. Het rapport liet zeer overtuigend en onderbouwd zien dat de huidige koers  niet houdbaar was. Het liet zien dat matiging van migratie absolute noodzaak was. Het liet zien hoe bij gelijkblijvend beleid onze samenleving richting 2050 zal vastlopen.
 

De commissie ontkrachtte ook enkele taaie misverstanden die het debat lang hadden gedomineerd en soms gesmoord. De huidige snelle bevolkingsgroei biedt géén structurele oplossing voor vergrijzing en draagt ook níet bij aan de bredere welvaart. Wel vallen sociaal-culturele spanningen te verwachten. En dan vooral in de sociaal zwakkere gemeenschappen, want ook de ongelijkheid zal toenemen. Zeker die laatste constateringen mogen geen verrassing zijn: ik zie die waarschuwingen één op één terug in het debat van ruim een kwarteeuw geleden .
 

Het rapport Gematigde Groei werd zeer breed omarmd in de Tweede Kamer. Dat geeft richting. De aantallen moeten omlaag, zowel waar het gaat om arbeidsmigranten, studiemigranten als asielmigranten. Asielmigratie heeft een fors aandeel in de demografische ontwikkeling, zeker als je over een langere periode kijkt. Ook op mijn portefeuille moeten de aantallen dus structureel omlaag.

De Staatscommissie richtte zich, conform de opdracht, vooral op de binnenlandse gevolgen van migratie. Die gevolgen zijn veelsoortig, de problemen rond asielmigratie zijn maar  deel van de uitdaging waar we voor staan. Maar het zijn wel problemen die goed zichtbaar zijn en waarover in de samenleving al heel lang spanningen bestaan.

En die spanningen staan in regelrechte verbinding met de spankracht van de samenleving en hoe die tot het uiterste getest wordt als gevolg van migratie. De beelden van de permanente druk op de opvang, de gevoelde gevolgen van het woningtekort, de wijken in grote steden die door arbeidsmigranten voortdurend veranderen van samenstelling; dat alles doet iets met de samenleving.

Het kan mensen het gevoel geven dat ze elkaars concurrent zijn geworden. Mensen kunnen dan de conclusie trekken dat ze eerst en vooral moeten opkomen voor het eigen belang. Of ze kijken dan met een steeds schuiner oog naar die statushouder die wél een huis krijgt. Zulke ontwikkelingen dwingen het kabinet, maar eigenlijk ons allemaal, om na te denken over grondige herziening van de koers.

Maar dit kabinet, en zeker ik als eerstverantwoordelijke voor asielmigratie, voelt nog een verantwoordelijkheid naast de meer praktische overwegingen. Die is moreel van aard.

Ons huidige asielsysteem verleidt mensen om een levensgevaarlijke reis te ondernemen. Ieder jaar sterven mensen in de woestijn, in de Middellandse Zee of op de Atlantische Oceaan.

Het is een wreed verdienmodel van mensensmokkelaars. En die mensensmokkelaars hebben geen boodschap aan de mensen die onze hulp écht het allerhardst nodig hebben. Want de allerzwaksten hebben geen geld. Zij zijn in de huidige praktijk nagenoeg kansloos om ooit Europa te bereiken.

Gerald Knaus, de architect van de EU-Turkije deal in 2015, typeerde vorige week in NRC het huidige systeem als een Darwinistische selectieprocedure. In mijn woorden: de sterkste wint. Deze praktijk is moreel onaanvaardbaar en moet eindigen.

Ook dat raakt aan mensenrechten en noties van solidariteit en barmhartigheid. En ook daar geldt: als we géén keuzes maken, gaat het gewoon door.

Op de langere termijn liggen de oplossingen voor dit alles buiten onze grenzen, daarvan ben ik overtuigd. Als mensen zien dat het geen zin heeft naar ons land of naar andere EU-lidstaten te komen, pas dan zal irreguliere migratie werkelijk substantieel afnemen. En dit zeg ik niet om onze verantwoordelijkheid te ontlopen of het probleem over te laten aan ‘de regio’. Nee, het is een concrete invulling van onze verantwoordelijkheid. We breken samen met landen in de regio het verdienmodel van de mensensmokkelaars en streven tegelijkertijd naar hervestiging van vluchtelingen.

Het Europese Asiel- en Migratiepact, dat over tien dagen in werking treedt, bevat maatregelen die daar naar verwachting bij zullen helpen. Maar het zal niet voldoende zijn. Er is meer nodig en Nederland wil daarbij het voortouw nemen. Met een kopgroep van Europese landen zoeken we innovatieve oplossingen. Zoals externalisering van de asielprocedure en selectie van kansrijke asielzoekers aan de Europese buitengrenzen.

Juist in deze tijden van grote maatschappelijke spanningen zijn visie en doorzettingsvermogen nodig om te werken aan een nieuwe internationale standaard. Een systeem waarmee asielaanvragen en procedures búiten Europa kunnen worden afgedaan, binnen alle verdragsrechtelijke en humanitaire verplichtingen.

Ik zie dat als zeer beloftevol. Tegelijkertijd is het een enorme uitdaging. We moeten uitvinden hoe we een nieuw en effectief internationaal asielbeleid kunnen vormgeven. Wetenschappelijke inzichten, zoals recentelijk het rapport ‘Grenzen verleggen’ van onderzoekscentrum Clingendael, helpen dit kabinet om de koers daarvoor uit te zetten. Een ding zeg ik al wel: dit is hoe dan ook geen quick fix. Dit gaat bloed, zweet en tranen kosten.

Ik ga naar een afronding.

Ik zie uit naar het politieke en maatschappelijke debat over dit alles. En dat zal vast ook een zwaar debat worden. En terecht, dit zijn cruciale keuzes op thema’s die mensen in het hart raken. Maar ik hoop wel op een inhoudelijk debat.

Dezer dagen zeggen veel mensen zich vooral veel zorgen te maken over de tóón van het politieke debat. Ook migratiewetenschappers laten zich daar regelmatig kritisch over uit. Dus laat ik ook daar nog wat over zeggen.

Ik denk dat de kritiek op de toon van politici terecht is en dat politici zich dat aan moeten trekken. Ik trek mij dat aan. Politici en bestuurders moeten zich altijd bewust zijn van het effect dat hun woorden kunnen hebben op de samenleving. Ik ben het eens met de roep om daar verantwoordelijk mee om te gaan. Verantwoordelijker dan nu vaak gebeurt. Hier in deze zaal zijn mensen die dagelijks de verschrikkelijkste dingen over zich heen krijgen.

Dat gaat allemaal veel en veel te ver. We moeten op een fatsoenlijk manier debat met elkaar kunnen voeren. Open debat, in het besef dat we met overleg verder komen; dat is wat Nederland Nederland maakt.

Wetenschappers hebben een geheel eigen verantwoordelijkheid in het maatschappelijk debat. Wetenschap gaat eerst en vooral over feiten. Maar migratiewetenschap is natuurlijk ook weer geen natuurkunde. In een vakgebied als het uwe manifesteert de werkelijkheid zich op oneindig veel manieren. Ook harde data zijn dan nog altijd voor interpretatie vatbaar. Vaak vereisen ze context en kwalitatieve duiding voor ze echt betekenis krijgen.

Ik vind het dus niet raar dat er verschillende perspectieven bestaan en dat wetenschappers soms botsen in hun analyses en interpretaties. Integendeel: het lijkt mij de hoogste tijd voor stevige onderlinge discussies. Ik ben ervan overtuigd dat meer discussie, maar vooral een betere discussie vanuit meer perspectieven, onze kennis over migratie in het algemeen en asielmigratie in het bijzonder verder vooruit zal helpen. Op die manier zal de relevantie van wetenschap voor het maken van goed beleid alleen maar toenemen.

 
Hier plaats ik ook een kanttekening. De reacties op nieuwe, afwijkende perspectieven hebben ook onder wetenschappers lang niet altijd de toon die ik van wetenschappers zou verwachten. Ook dat herken ik van een kwarteeuw geleden. Politiek commentator HJ Schoo bijvoorbeeld schreef toen over wat hij noemde ‘het pathologiseren van dissidenten’.

Daar heb ik grote moeite mee. Ik verwacht van serieuze wetenschappers dat ze elkaar op feiten bevragen. Maak elkaar niet zwart, neem elkaar niet de maat, vraag ik u. Wees een goed voorbeeld voor ons politici, alstublieft.

We werken immers allemaal voor hetzelfde doel: een gezonde samenleving en een sterke rechtsstaat.

Deze dag kan daaraan bijdragen. Ik wens u dan ook een goede en vruchtbare conferentie toe!

Dank u wel