Profielschets vice-president Raad van State

Behorend bij vacaturetekst gepubliceerd in de Staatscourant van 6 februari 2026.

Wettelijke basis

De positie en de taken van de vice-president van de Raad van State zijn verankerd in de artikelen 73 tot en met 75 van de Grondwet, in artikel 13 van het Statuut van het Koninkrijk en in de Wet op de Raad van State. De Wet op de Raad van State kent de Raad van State in het algemeen, de Afdeling advisering en de Afdeling bestuursrechtspraak. De Afdeling advisering aangevuld met de staatsraden voor Aruba, Curaçao en Sint Maarten vormt de Afdeling advisering van de Raad van State van het Koninkrijk.

De taken en verantwoordelijkheden

  1. De vice-president is belast met
    1. de leiding over de Raad van State als geheel (bestaande uit zo'n 75 leden, staatsraden en staatsraden in buitengewone dienst en 650 medewerkers), behalve voor zover het de regeling van de werkzaamheden van de Afdeling bestuursrechtspraak betreft;
    2. de eindverantwoordelijkheid voor de ambtelijke ondersteuning die de Raad ten dienste staat;
    3. de eindverantwoordelijkheid voor de materiële ondersteuning van de gehele organisatie.
  2. De vice-president is voorzitter van de Afdeling advisering, geeft leiding aan die Afdeling, die momenteel uit 18 staatsraden bestaat en bepaalt samen met de Afdeling haar koers. Dit houdt mede in het leiding geven aan de advisering over wetsvoorstellen, ontwerpen van algemene maatregelen van bestuur en voorstellen tot goedkeuring van verdragen en in alle gevallen waarin de Afdeling onverplicht advies uitbrengt, voorlichting geeft aan één of meer ministers of een van beide kamers der Staten-Generaal of anderszins van zich laat spreken.
  3. De vice-president is verder belast met de leiding over de grondwettelijke Raad. Deze heeft onder meer de taken, genoemd in de artikelen 35, eerste lid en 38 van de Grondwet.

Externe vertegenwoordiging

De vice-president vertegenwoordigt de Raad van State naar de regering, naar de Staten-Generaal en naar de overige Hoge Colleges van Staat.

Tevens onderhoudt de vice-president vanuit verschillende verantwoordelijkheden contacten met vele andere instanties binnen en buiten de overheid, in het bijzonder binnen het openbaar bestuur en de rechterlijke organisatie, en met de zustercolleges buiten Nederland.

Vereisten voor de vervulling van het ambt

Vereisten voor de vervulling van het ambt van vice-president zijn in het bijzonder de volgende.

De vice-president:

a. moet gelet op artikel 4 van de Wet op de Raad van State Nederlander zijn;

b. dient:

  • als gezaghebbend voortrekker te staan voor het behoud en versterken van de waarden van de democratische rechtsstaat
  • strategisch en verbindend leiding te geven, gebaseerd op inhoudelijk gezag
  • op inspirerende wijze samen te werken met professionals en daarbij open te staan voor een diversiteit aan opvattingen
  • op een eigentijdse manier in te spelen op de functie van de Raad van State in een snel veranderende maatschappelijke en politiek-bestuurlijke omgeving
  • actief bij te dragen aan het publieke debat over rechtsstatelijk relevante onderwerpen
  • draagvlak te creëren, over uitstekende sociale en communicatieve vaardigheden te beschikken, verbindend, besluitvaardig en duidelijk te zijn;

c. moet het gezag hebben om de regering en de Staten-Generaal te adviseren met betrekking tot staatsrechtelijke en staatkundige aangelegenheden; in die zin staat de vice-president boven de partijen en kan de vice-president de inzichten en standpunten van de Raad op gezaghebbende en aansprekende wijze over het voetlicht brengen;

d. moet het vermogen hebben als naaste adviseur van het staatshoofd op te treden;

e. moet inzicht hebben in taak en eigen rol van de bestuursrechtspraak in de democratische rechtsstaat;

f. moet beschikken over een zo gevarieerd mogelijke politieke, bestuurlijke, of maatschappelijke ervaring, bij voorkeur opgedaan in een of meer ambten in het openbaar bestuur, die recht doen aan de rol en positie van de vice-president;

g. moet bij voorkeur als jurist ervaring hebben met en inzicht hebben in vraagstukken op het gebied van het constitutionele recht, de wetgeving en de werking van bestuur en politiek;

h. moet aantoonbare belangstelling hebben voor de positie van de Nederlandse rechtsstaat in een snel veranderende geopolitieke omgeving en ook in de context van de Koninkrijksverhoudingen en van de Europese Unie;

i. moet in staat zijn de Raad als boegbeeld naar buiten toe te vertegenwoordigen.