Toespraak staatssecretaris Tuinman bij Werkcongres Maatschappelijke Weerbaarheid
Staatssecretaris Tuinman (Defensie) hield op 4 februari 2026 een toespraak over de maatschappelijke weerbaarheid op de Christelijke Hogeschool in Ede.
Dames en heren,
Goed om hier te zijn.
Hier in Ede.
En wat goed dat u vandaag stil staat bij het thema ‘maatschappelijke weerbaarheid’.
En laat ik meteen maar met de deur in huis vallen:
Weerbaarheid groeit niet in Den Haag.
Ze groeit hier.
In wijken.
In scholen.
In organisaties.
Bij mensen die elkaar kennen en verantwoordelijkheid nemen.
Dat is mijn kernboodschap vandaag.
We zien allemaal dat we in een tijd leven waarin veel zekerheden onder druk staan.
Een tijd waarin de wereld harder en onvoorspelbaarder is geworden.
We hebben te maken met een wereldorde die minder voorspelbaar is dan we lange tijd gewend waren.
Oorlog is terug op het Europese continent.
Dreiging komt niet alleen meer van tanks, maar ook van toetsenborden.
Van desinformatie.
Van sabotage.
Van ondermijning van vertrouwen.
Tegelijk leven we in een land waar het soms lijkt alsof er 18 miljoen kenners van de geopolitieke situatie rondlopen.
Aan talkshowtafels, op sociale media, aan de keukentafel.
Analyse en duiding genoeg.
Maar waar het vandaag om gaat, is iets anders.
Het gaat niet om wie het beste kan uitleggen wat er misgaat.
Het gaat om wie voorbereid is als het misgaat.
Om wie kan handelen.
Om wie verantwoordelijkheid neemt.
En daar komt weerbaarheid om de hoek kijken.
De Amerikaanse president Theodore Roosevelt vatte dat ooit kernachtig samen met de woorden:
“Speak softly and carry a big stick; you will go far.”
Die zin gaat niet over spierballen.
Die gaat ook niet over dreigen.
Die gaat over geloofwaardigheid.
Zacht spreken betekent: beheerst blijven, niet overreageren, niet elke prikkel beantwoorden met kabaal.
Maar die zachte toon werkt alleen als je ook daadwerkelijk iets achter de hand hebt.
Iets wat staat.
Iets wat niet bij de eerste tegenwind omvalt.
Dat geldt militair.
Maar dat geldt zeker ook maatschappelijk.
Dát is waar we vandaag over spreken.
En precies daarom is weerbaarheid zo’n breed begrip.
Het gaat niet alleen over Defensie.
Het gaat over de samenleving als geheel.
In de Kamerbrief over weerbaarheid en militaire paraatheid – afgelopen december verstuurd - heeft het kabinet dat ook zo benoemd.
We investeren stevig in militaire capaciteiten en vitale processen.
Maar tegelijkertijd erkennen we dat veiligheid niet maakbaar is vanuit één ministerie.
Weerbaarheid vraagt een samenleving die zelf in beweging komt.
Weerbaarheid groeit van onderop.
De rol van de overheid is dan niet om alles over te nemen, maar om ruimte te maken, te ondersteunen en te versterken wat daar ontstaat.
Want een samenleving die zichzelf kan dragen, maakt ons als land sterker.
En als we het vandaag over weerbaarheid hebben, dan is dat een heel breed begrip.
Ik wil het onderwerp bespreken langs 3 lijnen:
Mentale weerbaarheid. De rol van journalistiek. En de betekenis van onderwijs.
Ik begin bij een aspect dat vaak wordt onderschat, maar dat hier vandaag nadrukkelijk thuishoort: de mentale kant van weerbaarheid.
Waarom wil ik daar als staatssecretaris iets over zeggen?
Omdat het paper dat hier op de CHE is geschreven, Werken aan weerbare praktijken, dat haarscherp blootlegt.
Robert van Putten laat daarin zien dat weerbaarheid niet alleen een kwestie is van structuren, regels en systemen, maar ook van bronnen, vorming en betekenis.
Van hoe mensen omgaan met onzekerheid, met spanning, met morele dilemma’s.
Dat herken ik uit eigen ervaring.
Tijdens mijn uitzendingen in Afghanistan maakte ik situaties mee waarin materieel niet beschikbaar was, verbindingen wegvielen en het opgestelde plan niet werkte.
Wat er toen overbleef, waren mensen.
Mensen die onder druk beslissingen moesten nemen.
Die hun angst moesten beheersen.
Die verantwoordelijkheid namen, niet omdat het in een draaiboek stond, maar omdat niemand anders het kon doen.
Als je kijkt naar crises, naar oorlogen, naar rampen, zie je steeds hetzelfde patroon.
Techniek helpt. Materieel helpt. Plannen helpen.
Maar wanneer het echt spannend wordt, blijft de mens over.
Met zijn overtuigingen. Zijn angsten. Zijn bereidheid om verantwoordelijkheid te dragen.
Dat ontstaat niet vanzelf.
Het vraagt vorming, oefening en een cultuur waarin mensen leren om te handelen wanneer het moeilijk wordt, ook als niemand hen daartoe verplicht.
Juist daar raakt mentale weerbaarheid aan onderwijs, aan leiderschap en aan verhalen die richting geven.
De Amerikaanse historicus Wyck Brooks schreef al tijdens de Eerste Wereldoorlog dat samenlevingen in tijden van verwarring verhalen nodig hebben.
Verhalen die niet alleen verklaren wat er gebeurt, maar die mensen ook laten zien wat zij kunnen dóen.
Verhalen die ordenen, troosten en richting geven.
Zulke verhalen helpen mensen om vol te houden wanneer de druk toeneemt.
Het paper van de CHE stelt daarbij een scherpe vraag.
In veel overheidsstukken spreken we over weerbaarheid in termen van systemen, capaciteit en organisatie.
Maar we staan minder stil bij moraal, zingeving en inspiratie.
Terwijl juist die elementen bepalen hoe mensen handelen onder druk.
Welke waarden hen leiden.
En of zij verantwoordelijkheid durven nemen wanneer het moeilijk wordt.
Dat zijn geen zachte thema’s.
Ze raken aan professionele identiteit.
Aan leiderschap.
Aan goed samenleven in onzekere tijden.
hoe geven we die mentale en morele kant van weerbaarheid een plek?
Ik hoop dat dit congres mogelijk daar een antwoord op kan geven.
En wellicht inspiratie voor verder onderzoek.
Als tweede wil ik het hebben over de journalistiek.
In een weerbare democratie is onafhankelijke journalistiek geen luxe, maar een noodzakelijke voorwaarde.
In tijden van desinformatie en polarisatie bepaalt betrouwbare informatie of mensen zich laten meeslepen, of juist koers houden.
Journalisten kunnen ons helpen met onderscheid te maken tussen feit en ruis.
Ze houden instituties scherp en geven mensen zicht op wat er werkelijk speelt.
Daarmee dragen zij direct bij aan vertrouwen en maatschappelijke stabiliteit.
Dat vraagt vakmanschap.
En dat vakmanschap ontstaat niet vanzelf.
Het wordt gevormd.
In opleidingen waar aandacht is voor professionaliteit, voor ethiek en voor verantwoordelijkheid.
Het is niet voor niets dat de journalistiekopleiding hier aan de CHE hoog aangeschreven staat.
Juist omdat zij journalisten opleidt die begrijpen dat hun werk ertoe doet, midden in de samenleving.
Daarom is het beschermen van onafhankelijke journalistiek geen sectorbelang, maar een publiek belang.
Een samenleving die haar journalisten niet serieus neemt, ondergraaft haar eigen weerbaarheid.
Dan even kort iets over Defensie.
Want geloofwaardige kracht vraagt ook iets van onszelf. En daar werken we hard aan.
De afgelopen jaren is Defensie in hoog tempo gegroeid.
Het budget is gestegen van ongeveer € 13 miljard in 2022 naar bijna € 27 miljard in 2026. We investeren weer fors in materieel, munitie, luchtverdediging, cybercapaciteit en mensen.
Het aantal militairen en reservisten groeit richting de 100.000 en uiteindelijk moeten het er 200.000 worden.
Er wordt vaker, groter en realistischer geoefend, in Nederland en samen met bondgenoten aan de oostflank van de NAVO.
Dat tempo is nodig.
Niet omdat we oorlog zoeken, maar omdat geloofwaardige afschrikking de beste manier is om oorlog te voorkomen.
Maar die militaire versnelling kan alleen effectief zijn als zij wordt gedragen door een samenleving die zelf ook weerbaarder wordt.
Daarom is onderwijs zo belangrijk. En dat is mijn derde en laatste punt.
Weerbaarheid begint niet bij Defensie. Zij begint bij vorming.
Initiatieven als de Nationale Weerbaarheidstraining laten zien hoe dat kan.
De eerste lichting heeft de training onlangs afgerond.
Mensen uit verschillende achtergronden die bewust hebben gekozen om zich voor te bereiden, om te oefenen en om zich te verbinden aan de samenleving.
En het blijft niet bij één keer.
Vervolgtrainingen en blijvende betrokkenheid zorgen ervoor dat dit geen project is, maar een beweging.
Ook in het onderwijs zien we die ontwikkeling.
Defensity College, militaire minors, jongeren die leren studeren en dienen tegelijk.
Onlangs rondde prinses Amalia haar Algemene Militaire Opleiding af.
Dat is natuurlijk een persoonlijk traject, maar het laat iets groters zien.
Dat dienstbaarheid en ontwikkeling samen kunnen gaan.
Dat weerbaarheid iets is van nu.
Ik weet dat dit vragen oproept.
Over de rol van Defensie in het onderwijs.
Over autonomie en grenzen.
Die vragen zijn terecht.
Onderwijs moet vrij en kritisch blijven.
Maar in een wereld waarin veiligheid niet meer vanzelf spreekt, is het logisch dat onderwijsinstellingen, met behoud van hun eigen verantwoordelijkheid, bijdragen aan de weerbaarheidsopgave.
Het gaat niet om militarisering van denken, maar om voorbereiding op verantwoordelijkheid.
Weerbaarheid is als een dijk.
Je bouwt hem niet op het moment dat het water stijgt.
Je onderhoudt hem, elke dag. Met vakmanschap, alertheid en samenwerking.
Defensie bouwt mee. Defensie beschermt. Defensie ondersteunt.
Maar Defensie kan het niet alleen en hoeft dat ook niet.
We hebben een weerbare samenleving nodig om Defensie te steunen.
En we hebben Defensie nodig om een weerbare samenleving te beschermen.
Ik wil afsluiten met een citaat van kerkvader Augustinus dat voor mij veel zegt over deze tijd:
“Klaag niet over de keizer, of over de tijden. Keizers vergaan, tijden gaan ten onder. Maar zeg: ‘Wij zijn de tijden.’ Wees zelf een baken van moed en hoop.”
Dat is geen oproep tot optimisme.
Het is een oproep tot verantwoordelijkheid.
Een verantwoordelijkheid die we samen dragen.
Ik begon met de constatering dat weerbaarheid niet groeit in Den Haag, maar hier.
In organisaties. In gemeenten. In netwerken van mensen die elkaar kennen en vertrouwen.
Daarom wil ik u de volgende opdracht meegeven:
Kijk in uw eigen organisatie, uw gemeente, uw netwerk.
Waar zit een kwetsbaarheid die u kunt versterken?
Welke samenwerking kan steviger worden?
Welke groep staat nog te gemakkelijk aan de kant?
Weerbaarheid ontstaat van onderop.
In kleine keuzes.
In relaties die worden onderhouden.
In mensen die elkaar weten te vinden voordat het misgaat.
En stel uzelf dan deze vraag, niet theoretisch, maar heel praktisch.
Als er morgen iets uitvalt, stroom, data, logistiek of vertrouwen, wie belt u dan als eerste?
En weet die ander dat u gaat bellen?
Als het antwoord op die vraag helder is, zijn we samen weerbaarder dan gisteren.
Dank u wel.