Toespraak staatssecretaris Van Marum bij Najaarsconferentie Centrum Informatiebeveiliging en Privacybescherming
Eddie van Marum hield een toespraak tijdens de Najaarsconferentie Centrum Informatiebeveiliging en Privacybescherming op 13 november 2025.
Goed om vandaag zoveel bestuurders en experts bij elkaar te zien.
Hopelijk zitten jullie een beetje door elkaar heen.
Want volgens het thema van de conferentie zit er een kloof tussen jullie —
tussen uitvoering en bestuur.
En die willen we heel graag verkleinen.
(Dus misschien een beetje naar elkaar toe schuiven)
Zoals jullie weten, kom ik zelf niet uit de digitalisering.
Ik ben bestuurder, maar ook nog steeds een beetje een buitenstaander.
En soms is dat een voordeel.
Want het kan helpen om met wat afstand naar een probleem te kijken.
Natuurlijk ben ik inmiddels goed ingewerkt. Maar ik probeer bewust niet alleen vanuit beleid te denken. Voor mij is de belangrijkste vraag: wat betekent digitalisering voor mensen die onze diensten gebruiken?
In Groningen heb ik gezien wat er kan gebeuren als we als overheid de burger uit het oog verliezen.
Ik heb mensen ontmoet die ’s nachts wakker lagen omdat de overheid ze niet goed beschermde: tegen aardbevingsschade, bureaucratie en systemen die niet deden wat ze beloofden.
Daarom stel ik de mens centraal, ook bij digitalisering.
We mogen niet in onze eigen vakwereld blijven hangen.
We moeten ons verplaatsen in mensen buiten deze zaal:
Bijvoorbeeld in burgers die ons hun persoonlijke gegevens toevertrouwen,
in medewerkers van andere overheidsorganisaties die veilig willen samenwerken,
en in die collega die we niet altijd begrijpen.
Alleen zo kunnen we bruggen slaan,
tussen de overheid en burgers,
maar ook - en dat is het thema van vandaag - tussen bestuurders en experts.
Die samenwerking is cruciaal.
Want digitalisering is een publieke voorziening geworden, net als water, voedsel en onderwijs. Het gaat niet alleen over computers en software, maar ook over bruggen, stoplichten en waterkeringen. Digitalisering zit overal, tot in de haarvaten van de samenleving. Nederlanders moeten erop kunnen vertrouwen dat alles blijft werken.
Helaas is dat niet vanzelfsprekend door maatschappelijke en geopolitieke ontwikkelingen. En helaas hebben veel Nederlanders dat al gemerkt.
Denk maar aan de mensen van wie de persoonlijke gegevens op straat kwamen te liggen door een datalek.
Aan ondernemers die getroffen zijn door cyber-aanvallen.
Of aan ambtenaren die offline moesten werken vanwege een hack.
Het betrouwbaar en veilig houden van onze digitale diensten is onze gezamenlijke verantwoordelijkheid. En om die verantwoordelijkheid te kunnen vervullen, moeten we ons verplaatsen in burgers - én in elkaar.
In de afgelopen maanden ben ik bij veel organisaties langs geweest. En een paar uitdagingen komen steeds terug.
Om te beginnen: we moeten cybersecurity structureel aan de bestuurstafel krijgen. Nog te vaak wordt dit onderwerp gezien als iets voor specialisten.
Voor mensen die verstand hebben van firewalls en encryptie.
Maar die tijd is voorbij. Want stel: de gegevens van burgers komen op straat te liggen,of een cruciale dienst is niet bereikbaar. Wie moet het dan uitleggen?
Juist, de bestuurder.
En natuurlijk hoef je geen techneut te worden.
Je hoeft ook geen boekhouder te zijn om een begroting te begrijpen.
Maar we moeten wel kunnen denken vanuit het perspectief van digitalisering. Dat betekent: weten welke risico’s er spelen,
waar de kwetsbaarheden zitten,
en welke keuzes we maken als het misgaat.
Daarom is het goed dat de nieuwe Cyberbeveiligingswet die verantwoordelijkheden duidelijker belegt. Bestuurders moeten nu trainingen volgen en actief instemmen met de maatregelen die hun organisatie digitaal beveiligen.
Op dit moment hebben bestuurders vaak een te rooskleurig beeld van hun digitale veiligheid.
Ik kan jullie vertellen: de werkelijkheid die onze veiligheidsdiensten schetsen, is vaak een stukje minder positief.
Dat verschil in beleving maakt ons kwetsbaar.
Zeker in de huidige geopolitieke situatie.
En we moeten eerlijk zijn over de oorzaak.
Wie in een organisatie slecht nieuws moet brengen, denkt daar vaak twee keer over na. Want hoe zal de baas reageren?
Daarom is het zo belangrijk om je ook als bestuurder in die medewerker te verplaatsen. In de specialist die een probleem ziet aankomen, maar twijfelt of hij het moet aankaarten.
Of in de collega die wél iets durft te zeggen, maar het gevoel heeft niet gehoord te worden.
We moeten een cultuur creëren waarin waarschuwingssignalen welkom zijn. Waarin mensen zich veilig voelen om te zeggen dat iets niet goed gaat.
Alleen dan zie je problemen op tijd aankomen, en kun je ze samen oplossen.
En dat begint al bij iets simpels zoals: collega’s aanspreken als ze hun toegangspas niet dragen.
Maar een goede samenwerking vraagt natuurlijk om twee partijen.
De bestuurder moet willen luisteren, maar de expert moet het ook zó kunnen uitleggen dat de bestuurder het begrijpt.
Want wat als een ICT’er zegt:‘de Application Delivery Controller bevat kwetsbaarheden gerelateerd aan geheugenoverflow en onjuiste toegangscontroleconfiguraties’
Dan knikt de bestuurder misschien vriendelijk, maar of het echt doordringt?
Ik zal eerlijk zeggen: de eerste keer dat ik het hoorde ging er bij mij niet meteen een lichtje branden.
Maar inmiddels weet ik precies wat er op het spel staat:
dat kwaadwillenden zo’n lek kunnen misbruiken om een systeem plat te leggen.
En dan begrijpt iedereen dat er actie nodig is.
Dat maakt het verschil: niet praten in technische termen, maar wel over wat er kan gebeuren en wat er nodig is. Zo moeten we gesprek we met elkaar aangaan, bestuurders en experts als bondgenoten. Want liever een ongemakkelijk gesprek vandaag, dan een crisis morgen. Dit is ook belangrijk voor de uitvoering van de Nederlandse Digitaliseringsstrategie. De komende maanden gaan we die steeds concreter invullen met de investeringsagenda. Daarvoor is volop samenwerking nodig – tussen overheden, bedrijven en kennisinstellingen, maar ook tussen bestuurders en digitaliseringsexperts.
Tegelijkertijd moeten we eerlijk zijn: met samenwerking alleen komen we er niet. Als we echt stappen willen zetten, dan is er substantieel en structureel méér budget voor digitalisering nodig. Dat vraagt niet alleen om overheidsgeld, maar ook om investeringen van bedrijven die onze publieke waarden delen.
En dan tot slot: er is nu een sterke eenheid tussen alle overheidslagen op het gebied van digitalisering. Iedereen voelt de urgentie van dit onderwerp. Dat merk ik hier vandaag weer.
Maar om dat gevoel verder te brengen, moet digitalisering een stevigere plek krijgen in het bestuur.
Nederland verdient wat mij betreft een minister voor digitalisering. Iemand met doorzettingsmacht. Iemand die dit onderwerp elke dag op het hoogste niveau op de agenda houdt.
Natuurlijk is dat uiteindelijk aan het volgende kabinet, maar ik wil mij er hard voor maken. Want juist op plekken zoals deze wordt duidelijk hoe belangrijk digitalisering is voor goed bestuur.
Daarom ben ik heel blij met deze bijeenkomst. Laten we met elkaar in gesprek gaan en samen de volgende stappen zetten naar een digitaal weerbaarder Nederland. – Dank jullie wel!