Toespraak van staatssecretaris Boswijk bij Kooy-symposium
Beste aanwezigen,
In 1936 presenteerde Fokker G-1 in Parijs zijn nieuwste jachtkruiser. Met een snelheid van 450 kilometer per uur was het toestel zijn tijd ver vooruit en maakte het diepe indruk in heel Europa.
Nederland liep voorop. We hadden het talent, de technologie en de ambitie. We waren geen volger, maar een pionier.
Toch bleek enkele jaren later, tijdens de Meidagen, dat dit niet voldoende was. We hadden te weinig toestellen, de innovatie was stilgevallen en cruciale onderdelen kwamen uit het buitenland. De Fokker T 5, ontworpen om 1.000 kilo bommen te dragen, was daar een schrijnend voorbeeld van. Bij het uitbreken van de oorlog waren slechts 2 toestellen uitgerust met een bommenrek, en ook die kwamen uit het buitenland. Toen het erop aankwam, konden we nergens meer op terugvallen.
Wat begon als een technologisch succes, eindigde in strategische kwetsbaarheid. Dat is de les die we moeten trekken: afhankelijkheid is geen probleem, totdat het dat wél is.
En precies daar staan we vandaag.
Europa is nog steeds te afhankelijk van anderen voor onze veiligheid. Voor satellieten, luchtverdediging, transport en andere kritieke technologie.
Dit accepteren is voor mij geen optie. Als we waarde hechten aan onze vrijheid, veiligheid en welvaart, dan moeten we verantwoordelijkheid nemen en ervoor zorgen dat we niet afhankelijk zijn op de momenten dat het er echt toe doet.
Anders riskeren we een wereld waarin het recht van de sterkste geldt en afhankelijkheid wordt uitgebuit.
Dit gaat over soevereiniteit en strategische autonomie. Niet als abstract begrip, maar als harde randvoorwaarde om vrij te blijven.
Tegelijkertijd moeten we realistisch zijn. De wereld van vandaag is niet die van 1936. Geen enkel Europees land kan deze uitdaging nog alleen aan.
De systemen zijn te complex, de investeringen te groot en de afhankelijkheden te verweven.
Autonomie is daarom geen soloproject meer, maar een continue afweging: wat moet je zelf kunnen, waar wil je onafhankelijk zijn en waar werk je samen omdat dat simpelweg sterker is.
Daar ligt onze opdracht. Niet omdat het makkelijk is, maar omdat het noodzakelijk is. Het vraagt van ons dat we sneller zijn dan bureaucratie, creatiever dan beperkingen en ambitieuzer dan pessimisme.
Daarom werken we langs 3 lijnen: sterk, slim en samen.
Onder “sterk” verstaan we het verkleinen van onze kwetsbaarheden, bijvoorbeeld in strategische ketens zoals grondstoffen, productie en munitie. Zo kijken we samen met TNO naar de productie van explosieve stoffen zoals TNT.
Niet alleen als grondstof maar als onderdeel van een bredere keten tot aan het eindproduct. Tegelijkertijd vraagt dit om betere randvoorwaarden: snellere aanbestedingen, betere financiering en langetermijncontracten.
Alleen dan durven bedrijven te investeren en op te schalen. Opschalen vraagt immers niet alleen visie, maar ook vertrouwen en lef. Dit raakt ook aan een bredere ontwikkeling in het opereren van de overheid.
Na jaren waarin Nederland sterk leunde op een meer marktgericht, Angelsaksisch model, bewegen we nu richting een actievere en investerende overheid, die meer aansluit bij het Rijnlandse denken. En die beweging wil ik actief ondersteunen.
In dit model neemt de overheid meer regie.
Niet door alles zelf te doen, maar door samen met kennisinstellingen en het bedrijfsleven op te trekken. Juist bij complexe opgaven, zoals de versterking van Defensie, vraagt dit om langjarige investeringen en echte samenwerking.
Dat betekent ook dat de relatie verandert. Van een klassieke klant-leverancier-verhouding naar een strategisch partnerschap, waarin we samen risico’s dragen en samen waarde creëren.
Dat vraagt om een andere manier van kijken, waarin overheid en bedrijfsleven elkaar niet langer zien als gescheiden werelden, maar als partners met een gedeelde verantwoordelijkheid.
Dat heeft ook gevolgen voor hoe we werken. Meer publiek-private samenwerking, meer gezamenlijke investeringen en meer ruimte voor risicodeling.
Dat brengt risico’s met zich mee. Niet alles zal slagen. Maar vasthouden aan het oude model – met versnippering, kortetermijndenken en minimale risicoacceptatie – is in deze tijd gevaarlijker.
Precies dit is nodig om te komen tot een echte coalition of the doing: een manier van samenwerken waarin we niet blijven hangen in plannen, maar gezamenlijk investeren, risico nemen en vandaag beginnen met uitvoeren.
Alleen door onze krachten te bundelen, kunnen we sneller opschalen, beter innoveren en strategisch weerbaar zijn.
“Slim” betekent dat we scherpe keuzes maken. We kunnen en hoeven niet alles zelf te doen, maar we moeten wel precies weten waar onze kracht ligt.
Nederland heeft een sterke positie op gebieden zoals sensoren, intelligente systemen, ruimtetechnologie, slimme materialen en quantum. Dat zien we terug in concrete innovaties, zoals de onderwatersensoren van Optics11, de onderwaterdrones van Lobster Robotics en de radartechnologie van Robin Radar Systems.
Dit zijn voorbeelden van technologieën die zowel militair als civiel toepasbaar zijn en daarmee niet alleen onze veiligheid versterken, maar ook onze economie.
Maar uiteindelijk draait alles om “samen”. Zonder samenwerking is autonomie in Europa simpelweg niet haalbaar. Het MRTT programma op Vliegbasis Eindhoven, waarin acht landen samen tank en transportcapaciteit organiseren, laat zien hoe gezamenlijke kracht eruit kan zien.
Hetzelfde geldt voor OCCAR, waar landen gezamenlijk materieel inkopen en opschalen. Ook nieuwe ecosystemen, zoals rond de PAMI 1-satelliet, tonen aan hoe Defensie, bedrijven en kennisinstellingen elkaar kunnen versterken.
De oorlog in Oekraïne onderstreept het belang van dit alles. Daar wordt het verschil gemaakt door innovatie, snelheid en samenwerking. Drones spelen een dominante rol en de innovatiecyclus is ongekend kort. Dat dwingt ons om anders te werken en veel nauwer samen te werken met bedrijven en bondgenoten.
Maar samenwerking vraagt ook iets anders van ons. Niet alleen goede intenties, maar ook tempo en daadkracht.
Binnen de NAVO moeten we toe naar meer Europese samenwerking. Niet om ons af te keren van bondgenoten, maar juist om sterker en geloofwaardiger bij te dragen aan het bondgenootschap als geheel.
Tegelijkertijd moeten we erkennen dat goede plannen nog te vaak blijven hangen in ambities, intenties en verklaringen. Daarom moeten we een volgende stap zetten. Van een coalition of the willing naar een coalition of the doing.
Een samenwerking waarin we niet eindeloos bespreken wat er nodig is, maar waarin we vandaag beginnen met wat er mogelijk is. Waarin landen die willen en kunnen, samen optrekken en concrete stappen zetten. Pragmatisch, gericht en met resultaat.
Want veiligheid wordt niet gebouwd op papier, maar in de praktijk. Niet morgen, maar vandaag.
In dat licht zie ik ook een bredere rol voor Defensie.
Mijn belangrijkste opdracht als staatssecretaris is het versterken van onze krijgsmacht en ik realiseer me goed dat dit een grote verantwoordelijkheid is.
Op dit moment is er veel draagvlak voor Defensie, mede door de onrust in de wereld. Maar draagvlak dat alleen voortkomt uit dreiging is niet duurzaam.
Als de wereld morgen rustiger lijkt, mag het gevoel dat een sterke krijgsmacht belangrijk is, niet verdwijnen.
Daarom moeten we Defensie positioneren als een force for good. Een organisatie die niet alleen beschermt en afschrikt, maar ook bijdraagt aan vooruitgang.
Met meer dan 80.000 medewerkers zijn we een van de grootste werkgevers van Nederland. Als we die kracht bewust inzetten, kunnen we innovatie versnellen en nieuwe technologieën door de zogenaamde valley of death helpen.
Dat doen we nu al op kleine schaal, bijvoorbeeld met circulaire toepassingen zoals gerecyclede sportschoenen voor militairen, maar de potentie is veel groter.
Defensie is ook een van de grootste grondbezitters van Nederland en zal de komende jaren een grote rol spelen als opdrachtgever in de bouw. Dat biedt kansen om duurzaamheid en innovatie aan te jagen.
Denk aan kazernes die meer zijn dan alleen een legeringsplaats. Die bijdragen aan energieopwekking en opslag en zo het energienet versterken in plaats van belasten.
Op die manier kan Defensie uitgroeien tot een motor voor innovatie, duurzaamheid en economische ontwikkeling. Tegelijkertijd moeten we de realiteit onder ogen blijven zien.
Vorig jaar haalde een Nederlandse F-35 een Shahed-drone neer boven Polen. Dat is een indrukwekkende prestatie en een bewijs van vakmanschap en professionaliteit. Op het toestel staat inmiddels een killmark van die drone.
Maar dat beeld legt ook een ongemakkelijke waarheid bloot. We zetten een toestel van tientallen miljoenen euro’s in tegen een drone van een paar duizend euro. Dat is geen duurzame balans en geen schaalbare verdediging.
Het laat zien dat het in moderne conflicten niet alleen gaat om de beste technologie, maar ook om snelheid, schaal en kostenbeheersing.
En dat betekent dat wij anders moeten gaan denken en handelen.
Want hoewel we stappen zetten en successen boeken, gaat het nog lang niet goed genoeg. Onze opschaling gaat te langzaam, onze samenwerking is nog te versnipperd en innovaties bereiken te traag de praktijk.
Daarom wil ik afsluiten met waar het volgens mij echt om draait.
De echte innovatie waar wij naar zoeken, is niet de nieuwste drone of het meest geavanceerde radarsysteem. Het gaat niet om 1 nieuw product. De echte innovatie zit in onze manier van samenwerken. In een manier van werken waarin we pragmatisch oplossingen vinden, waarin we ons niet laten beperken door juridische kaders, waarin bureaucratie ons tempo niet bepaalt en pessimisme onze ambitie niet tempert.
Ik ben ervan overtuigd dat in deze zaal alle capaciteiten aanwezig zijn om met de forse investeringen die Defensie doet niet alleen Nederland en onze bondgenoten veiliger te maken, maar ook bij te dragen aan werkgelegenheid en kennisontwikkeling. Maar dat vraagt om opereren vanuit vertrouwen in plaats van wantrouwen, met de durf om te falen en de wil om te leren.
En als staatssecretaris zal ik daarin het voortouw nemen.
Dank u wel.