Toespraak minister Rianne Letschert (Onderwijs, Cultuur en Wetenschap) bij het in ontvangst nemen van het advies van de commissie-Asscher over verweesde Joodse roofkunst

Op woensdag 22 april nam minister Rianne Letschert (Onderwijs, Cultuur en Wetenschap) het advies van de commissie-Asscher over verweesde Joodse roofkunst in ontvangst. Bij deze bijeenkomst in het Nationaal Holocaustmuseum in Amsterdam hield ze de volgende toespraak.

Geachte gasten,

Hartelijk dank voor dit adviesrapport. En wat betekenisvol om het op deze plek en in uw gezelschap in ontvangst te mogen nemen.

Vorige week woonde ik aan de overkant, in de Hollandsche Schouwburg, de indrukwekkende herdenking van de Jom Hasjoa bij.

Elke keer krijg ik de koude rillingen als ik het verhaal hoor van deze plek. Waar Joodse mensen werden verzameld voordat ze op transport werden gesteld, het overgrote deel hun dood tegemoet.

Vandaag staren we in dezelfde duistere bron van ontmenselijking en vernietiging. Want ook al waren de nazi’s heus geïnteresseerd in de historische betekenis en economische waarde van de kunst die ze roofden, de plundering van kunst en gebruiksvoorwerpen was ook instrumenteel. Ze diende om Joden en andere vervolgde groepen te ontmenselijken.

Dat ging langs een glijdende schaal: hun bezittingen werden geroofd, hun menselijkheid werd ontkend en uiteindelijk werd ook hun leven afgenomen.

Soms was het enige wat de vernietigingscampagne overleefde, de tastbare objecten waar het vandaag over gaat.
Een schilderij dat ooit in een voorkamer hing.
Het mooie servies dat op vrijdagavond op tafel stond bij het begin van de sabbat.
Een wollen tapijt, misschien ooit gekregen als huwelijksgeschenk.

Getuigen van een ooit alledaags leven.
En nu een aanklacht, een symbool van precies de absolute verdelging van dat alledaagse leven.

De lijntjes die deze objecten verbonden met hun eigenaren zijn effectief doorgesneden. Veel sporen zijn uitgewist. We kunnen dat in ieder geval niet wijten aan een gebrekkig administratief vermogen bij de nazi’s. Het was een moedwillig uitvlakken van levens.
 

De objecten die niet kunnen worden teruggegeven, noemen we verweesd. Maar dat is iets heel anders dan dat ze aan niemand zouden toebehoren. Ik schaar me dan ook in de rij van mijn voorgangers, die zich allemaal op het standpunt hebben gesteld: geroofde kunst die aan Joodse mensen toebehoorde, maar niet aan individuele erfgenamen kan worden teruggegeven, moet terugkeren naar de Joodse gemeenschap. Want de Joodse gemeenschap moet het laatste woord hebben over eigendom en toekomst van de collectie.

Deze voorwerpen spreken een taal. Een taal die zou kunnen verstommen als de voorwerpen in het depot blijven. Maar ook een taal die nieuwe generaties kan aanspreken als de voorwerpen naar buiten worden gebracht. Zo kunnen ze de geschiedenis van de Holocaust levend houden.

Deze verweesde objecten verdienen voogden die zich erover ontfermen. Ze verdienen het om een heel groot publiek te bereiken. Door tentoonstellingen, maar ook bijvoorbeeld door podcasts, documentaires en VR-presentaties.

Als wetenschapper heb ik veel onderzoek gedaan naar rechtsherstel van slachtoffers van grootschalige mensenrechtenschendingen, waaronder de genocide in Rwanda. Ik ben de eerste om te waken voor te gemakkelijke parallellen tussen historische gebeurtenissen. Maar ik heb wel gezien hoe rechtsherstel kan ontstaan door erkenning en restitutie. Wat dat doet voor zowel slachtoffers als de samenleving, die daarna weer door moet. Het blijven herdenken van overledenen is een voorwaarde voor het begin van herstel en voor de blijvende herinnering.

Het onrecht dat de Nederlandse Joden tijdens de Tweede Wereldoorlog is aangedaan, kunnen wij niet ongedaan maken. Maar wij kunnen wél een stap zetten naar een waardige en rechtvaardige bestemming voor wat van hen was.

En zo biedt ook de teruggave van kunst en gebruiksvoorwerpen aan de Joodse gemeenschap enige materiële genoegdoening. Maar vooral is het een erkenning van het leed en het onrecht dat de oorspronkelijke eigenaren en de rechtmatige erfgenamen is aangedaan.

Ik zeg dit terwijl ik erken dat de Nederlandse overheid in de naoorlogse periode ronduit beschamend is opgetreden. Wie het geluk had om naar Nederland terug te keren, werd met koelheid ontvangen. Ook het naoorlogse restitutiebeleid van de Nederlandse regering werd gekenmerkt door een bureaucratische en harteloze aanpak. Burgers die hun eigendommen wilden terugkrijgen ervoeren geen steun, maar drempels. Bevorderen van rechtsherstel heeft veel te lang ontbroken in de omgang van de Staat met het erfgoed. Pas vanaf eind jaren negentig werd voor passend restitutiebeleid in Nederland de basis gelegd.

Er rust nu een grote morele verantwoordelijkheid op de Staat, om rechtvaardig om te gaan met de kunst die van met name Joodse Nederlanders is gestolen in de Tweede Wereldoorlog. Te meer als we de oorspronkelijke eigenaren of hun erven niet meer kunnen vinden.

Ik ben het Centraal Joods Overleg en de commissie onder leiding van Lodewijk Asscher zeer erkentelijk voor het advies dat zij heeft uitgebracht.

Ik dank ook de talloze personen die met de commissie hebben gesproken. Waarmee zij tezamen draagvlak voor het advies hebben gecreëerd.

Binnenkort zal ik het rapport en mijn beleidsreactie daarop delen met de Tweede Kamer. Dat zal vóór de zomer gebeuren. Daar zetten we prioriteit op. Dan zult u van mij horen hoe ik uiting zal geven aan alle aanbevelingen uit het advies, die ik uiterst serieus zal nemen.

Beste mensen,

Met dit advies gaat een nieuwe fase in van het beleid dat mijn voorgangers hebben ingezet en verder gebracht.
De daadwerkelijke overdracht komt nu echt dichterbij.
Iedereen die betrokken is bij het vormgeven van een waardige en rechtvaardige toekomst voor verweesde culturele objecten wens ik dit toe: moge ons werk bijdragen aan de blijvende en liefdevolle herinnering aan hen die met geweld aan de geschiedenis zijn ontrukt.

Dank u wel.