Minister Aartsen zet eerste stap om meer nieuwkomers aan het werk te helpen
Te veel statushouders zijn niet aan het werk. In de eerste jaren nadat iemand een status heeft gekregen en moet inburgeren, werkt 75% niet. Minister Thierry Aartsen (Werk en Participatie) zet vol in op een aanpak om hen mee te laten doen op de arbeidsmarkt. Als eerste stap gaan ruim 80 gemeenten zorgen voor startbanen voor statushouders, zo snel mogelijk na vestiging in een gemeente.
Minister Thierry Aartsen (Werk en Participatie): “Als je naar Nederland komt dan ga je aan het werk en leer je de taal. Dat moet het uitgangspunt zijn, maar zo is het nu niet. Het is écht een gemiste kans als we talent onbenut laten. We hebben iedereen keihard nodig op de arbeidsmarkt. Iedereen kan iets en heeft talenten. Door te werken bouw je als nieuwkomer bovendien sneller een zelfstandig bestaan op, leer je de taal en lever je een bijdrage aan onze samenleving. Het is essentieel dat nieuwkomers de kans krijgen én grijpen om snel aan het werk te gaan.”
Slechts een kwart van de statushouders voor wie de inburgeringsplicht geldt, werkt nu tijdens de inburgering. Een groot deel is afhankelijk van een bijstandsuitkering. Terwijl veel nieuwkomers wel kunnen en willen werken. Het kabinet wil daarom dat meer gemeenten aan de slag gaan met startbanen voor statushouders zodra zij komen wonen in de gemeente. Werk en inburgering worden dan gecombineerd. Statushouders doen op die manier sneller mee in onze maatschappij, leren de taal op de werkvloer en helpen bovendien de krapte op de arbeidsmarkt te verminderen.
Proef
Sinds 2023 is in een aantal gemeenten, waaronder Rotterdam, Amsterdam en Eindhoven al ervaring opgedaan met startbanen. Uit een evaluatie van deze proef blijkt dat 44% van de deelnemers aan het werk is gegaan. Slechts een klein deel (10%) viel uit. De proef maakt duidelijk dat het vinden van geschikte werkgevers op dit moment nog een knelpunt vormt bij het aanbieden van deze banen. Een reden daarvoor is dat statushouders vanwege inburgeringslessen vaak beperkt beschikbaar zijn voor werk. Ook de extra begeleiding die nodig is door taalachterstand, culturele verschillen, de zorg voor het gezin en het tekort aan kinderopvang en naschoolse opvang spelen een rol. Daarnaast is voor veel werk, zeker in tekortsectoren, een opleiding nodig.
Deelnemers noemen motivatie, zingeving, sociale contacten en het sneller leren van de taal als belangrijkste redenen om te werken. Extra inkomen wordt minder vaak genoemd. Dit komt omdat veel statushouders door de verplichtingen die horen bij de inburgering aanvankelijk alleen parttime kunnen werken. De financiële prikkel om te werken is dan niet altijd aanwezig. Naarmate statushouders langer in Nederland zijn, breiden zij hun deeltijdbaan vaker uit.
In de proeven is aandacht besteed aan deze knelpunten en zijn enkele werkzame aanpakken gerealiseerd. Zo werden statushouders met extra begeleiding aan een baan geholpen. In de meeste gevallen kregen zij eerst een korte training gericht op werknemersvaardigheden en het oefenen met taal. Ook werd gewerkt met coaches en vaste aanspreekpunten voor werkgevers en statushouders.
Vervolg
Het kabinet wil de komende periode kijken hoe het meer statushouders aan werk kan helpen. Daarbij kijkt het ook hoe de in de proef geconstateerde succesvolle aanpakken door zoveel mogelijk gemeenten toegepast kunnen worden. Minister Aartsen presenteert voor de zomer een nieuwe, brede aanpak over werk voor nieuwkomers.