Afstand en adoptie in Nederland tussen 1956-1984

Tussen 1956 tot 1984 deden vrouwen afstand van hun kind voor adoptie, vaak onder druk. De overheid laat daarom onderzoek doen naar de situaties van afstandsouders, afstandskinderen en adoptiekinderen in die periode. En naar de rol van betrokken organisaties en de sociale omgeving zoals familie en hulpverleners.

Eerder onderzoek Radboud Universiteit: afstaan onder druk

De Radboud Universiteit deed in 2017 al onderzoek naar vrouwen die tussen 1956 en 1984 afstand deden van hun kind voor adoptie. Volgens dit onderzoek gebeurde de afstand vaak onder druk. Vaak omdat de vrouwen niet getrouwd waren. Afstandsmoeders voelden zich onder druk gezet door hun directe omgeving en hulpverleners. Zoals familie, artsen, maatschappelijk werkers en de kerk. Door de afstand werd de band tussen moeder, vader en kind verbroken. Dit zorgde voor veel blijvend verdriet en schaamte bij ouders en kinderen.

Verder onderzoek naar Nederlandse afstandsmoeders door Verwey-Jonker Instituut

De overheid wil meer duidelijkheid over de situaties van de moeders die afstand deden van hun kind tussen 1956 en 1984. En over de situaties van de vaders, kinderen, adoptieouders en de rol van de overheid. Het Verwey-Jonker Instituut doet daarom diepgaand onderzoek in opdracht van het Wetenschappelijk Onderzoek- en Documentatie Centrum (WODC). Het onderzoek loopt tot medio 2021. Dan worden de resultaten bekend gemaakt. 

Het Verwey-Jonker Instituut onderzoekt:

  • Wat was de rol van betrokken organisaties, zoals Fiom en de Raad van de Kinderbescherming?
  • Wat was de rol van de overheid?
  • Wat zijn de ervaringen van de betrokkenen?
  • Wat zijn de gevolgen van de afstand en adoptie voor de afstandsouders en kinderen?
  • Hebben betrokken organisaties of personen iets gedaan wat toen niet volgens de regels was?

De onderzoekers gebruiken voor het onderzoek naar binnenlandse afstand en adoptie meerdere informatiebronnen zoals archieven, documenten en het eerdere onderzoek. Ook de persoonlijke ervaringen van afstandsouders, afstandskinderen en adoptiekinderen worden meegenomen in het onderzoek.  Tot en met 31 juli 2020 konden deze verhalen ten behoeve van het onderzoek worden gedeeld met de onderzoekers via een aanmeldpunt. Die mogelijkheid is er nu niet meer.

Fouten in verwerking gespreksverslagen worden gerepareerd

Bij het opzetten van het Aanmeldpunt Binnenlandse afstand en adoptie zijn fouten gemaakt op het gebied van privacy. Zo is er niet altijd schriftelijke toestemming gevraagd of de gespreksverslagen mochten worden verwerkt en bewaard.

Ook is niet aan alle melders gevraagd om te controleren of het verslag dat van hun gesprek is gemaakt, klopt. Dat zal alsnog gebeuren.  

De Minister voor Rechtsbescherming neemt maatregelen om de gemaakte fouten te herstellen. En om te voorkomen dat deze fouten weer gemaakt worden. Dat staat in de Kamerbrief over herstel fouten Aanmeldpunt Nederlandse Afstand en Adoptie.

De minister heeft een commissie van onafhankelijke deskundigen benoemd (eerder genoemd de ‘deskundige van statuur’). Deze commissie beoordeelt vooraf of de voorgestelde herstelmaatregelen deugen en of de rechten van de aanmelders goed worden beschermd. Pas als deze commissie akkoord geeft, starten de herstelmaatregelen. Dit staat in de Kamerbrief ‘Instelling commissie van onafhankelijk deskundigen’.

Omdat de Minister het belangrijk vindt dat de herstelmaatregelen pas starten als de commissie akkoord geeft, duurt het onderzoek naar afstaan en adoptie langer dan gepland.

Alle mensen die hun verhaal hebben gedaan en hun contactgegevens hebben doorgegeven bij het aanmeldpunt ontvangen eind 2020 een bericht. Hierin wordt uitgelegd hoe de fouten hersteld worden, wat de aanmelders daarvan merken en wanneer de resultaten van het onderzoek naar afstaan en adoptie verwacht worden.

In het document ‘Veelgestelde vragen over Aanmeldpunt afstand en adoptie 1956-1984’ vindt u meer informatie over de herstelprocedure.