Soorten inkomstenbelasting

U betaalt belasting over uw inkomen uit werk en woning (box 1), over inkomen uit een aanmerkelijk belang in een vennootschap (box 2) en over uw spaargeld en beleggingen (box 3). Sommige uitgaven mag u van dat inkomen aftrekken (aftrekposten). Daarnaast kunt u ook recht hebben op één of meerdere belastingkortingen (heffingskortingen). 

Prinsjesdag 2020: plannen kabinet

In het Belastingplan 2021 staan de voorgenomen wijzigingen vanaf 2021. Het gaat om voorgenomen beleid. Dat betekent dat de Eerste en Tweede Kamer de plannen van het kabinet nog moeten goedkeuren. 

Belasting box 1: werk en woning

U betaalt in box 1 belasting over het belastbare inkomen uit werk en woning.
Inkomsten uit werk zijn bijvoorbeeld:

  • loon, fooien of winst uit onderneming;
  • uitkering, pensioen, lijfrente en alimentatie;
  • buitenlandse inkomsten;
  • inkomsten als freelancer, gastouder, artiest of beroepssporter.

En inkomsten uit uw woning:

  • eigenwoningforfait.

Het tarief voor box 1 is een oplopend tarief met 4 schijven. Wanneer u de AOW-leeftijd bereikt, geldt een aangepast tarief. Vanaf 1 januari 2019 is het gecombineerd tarief in de 1e schijf 36,65% (was 36,55% in 2018). Het tarief in de 2e en 3e schijf van de loon- en inkomstenbelasting is 38,10% (was 40,85%). Het tarief in de 4e schijf is 51,75% (was 51,95%).

Aftrekposten en heffingskortingen

U mag van het inkomen uit werk en woning een aantal kosten aftrekken (persoonsgebonden aftrekposten). De Belastingdienst berekent de belasting over het bedrag dat overblijft. Vervolgens trekt u daar de heffingskortingen af van het berekende belastingbedrag. Het bedrag dat overblijft is de belasting die u betaalt.

Belasting box 2: aanmerkelijk belang

In box 2 betaalt u belasting over uw inkomen uit aanmerkelijk belang. Bezit u minimaal 5% van de aandelen, opties of winstbewijzen van een vennootschap? Of u heeft dit samen met een fiscale partner? Dan heeft u inkomen uit aanmerkelijk belang. Over het inkomen uit aanmerkelijk belang betaalt u 25% belasting. Dit tarief gaat per 1 januari 2020 omhoog naar 26,9%. 

Box 3: sparen en beleggen

Over het inkomen uit uw vermogen betaalt u belasting. Onder vermogen valt bijvoorbeeld spaargeld, aandelen en een 2e woning. Het vermogen is de waarde van alle bezittingen (zoals spaargeld en aandelen) min de schulden. Over een deel daarvan betaalt u geen belasting. Dit is het heffingvrije vermogen.

Het vermogen waarover u geen belasting hoeft te betalen is in 2019 € 30.360. Of € 60.720 als u een fiscaal partner heeft.

Op dit moment staat in de wet dat een deel van het vermogen waar u belasting over betaalt, uit beleggingen bestaat. Ook als dit niet het geval is. En uw geld bijvoorbeeld volledig uit spaargeld bestaat.  

Het kabinet bereidt een wetsvoorstel voor om de belasting op sparen en beleggen te hervormen. Het streven is dat het nieuwe systeem vanaf 1 januari 2022 in gaat. De Belastingdienst stelt de belasting in box 3 dan vast over de werkelijke verhouding tussen:

  • het bedrag aan spaargeld;
  • de hoeveelheid beleggingen die iemand heeft.

Bovendien gaat de Belastingdienst rekenen met een rente die aansluit bij de werkelijke spaarrente.

Belastingplan 2020

In het Belastingplan 2020 komt het kabinet met een aantal plannen om het belastingstelsel te veranderen. Zo zal het kabinet:

  • de tarieven en de belastingschijven voor de inkomstenbelasting terugbrengen. In plaats van 4 belastingschijven zijn er in 2020 nog maar 2 belastingtarieven. Een basistarief van 37,35% en een toptarief van 49,5%. Het toptarief geldt bij een inkomen van meer dan € 68.507.
  • de algemene heffingskorting en de arbeidskorting verhogen. Hierdoor houden mensen meer over en loont het om (meer) te werken.