Aanpak agressie in het openbaar vervoer

Een geweldsincident in het ov is een ‘High Impact Crime’. Dat is een misdaad die veel indruk maakt op het slachtoffer. Daarom is in het Integraal Actieprogramma Sociale Veiligheid afgesproken dit geweld ook zo aan te pakken.  

Actieprogramma Sociale Veiligheid

Dit programma is in oktober 2016 gestart door het Rijk, vervoerders, vakbonden, politie en decentrale overheden. Zij werken nauw samen om het veiligheidsgevoel te vergroten en het aantal incidenten te verminderen. Bijvoorbeeld door:

  • minder contant geld in de bus (meer pinnen);
  • inzet bodycams;
  • toezichthouders (BOA’s) bij meerdere vervoerders te laten werken;
  • stimuleren van personeel om aangifte te doen bij incidenten.

Maatregelen tegen agressie in de trein

De Rijksoverheid vindt het belangrijk dat personeel en reizigers zich veilig voelen in het openbaar vervoer. Het Rijk, NS, ProRail en de vakbonden spraken de afgelopen jaren daarom maatregelen af om agressie in het ov aan te pakken:

  • Een verdubbeling van het treinpersoneel op risicolijnen en op risicomomenten. Bijvoorbeeld op trajecten waar vaker dan gemiddeld agressie voorkomt.
  • Meer cameratoezicht  op stations, waardoor opsporing en vervolging sneller gaat. Op een aantal stations zijn beeldschermen geplaatst, zodat mensen ook zien dat er camerabewaking is.
  • Cameratoezicht in treinen.
  • Toegangspoortjes die alleen kunnen worden geopend met een ov-chipkaart. Daarmee wordt zwartrijden tegengegaan.
  • Nauwere samenwerking tussen NS en politie.
  • Een tijdelijk stationsverbod voor mensen die herhaaldelijk overlast veroorzaken.
  • Lik op stuk-beleid: overtreders krijgen hun boete sneller.
  • Inzet van flexteams of extra conducteurs op treinen na 22.00 uur.
  • Betere beveiliging van stations. Bijvoorbeeld in de periode kort na het plaatsen van de toegangspoortjes voor de ov-chipkaart.
  • Innovatieve maatregelen zoals een app om snel online boetes te kunnen geven.
  • Concrete maatregelen voor hulpverlening en opvang overlastgevers. Dat gebeurt onder regie van het ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport en het ministerie van Veiligheid en Justitie. Samen met de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG).