Begrotingsbeleid Rijksoverheid

Gezonde overheidsfinanciën zijn een noodzakelijke voorwaarde voor de welvaart van Nederland. Het kabinet hanteert een trendmatig begrotingsbeleid. En houdt zich aan de Europese begrotingsafspraken.

Begrotingsoverschot

Het kabinet wil het begrotingsoverschot handhaven. En streeft naar een een begrotingsoverschot in de kabinetsperiode.

Trendmatig begrotingsbeleid

Het kabinet wil het begrotingsoverschot realiseren door zogenoemd trendmatig te begroten. Het kabinet besteedt het belastinggeld doelmatig en blijft voorspelbaar. Op deze manier versterkt de overheid de economische groei.

De uitgangspunten van dit trendmatig begrotingsbeleid zijn wettelijk vastgelegd in de Wet Houdbare Overheidsfinanciën. Ook de Europese begrotingsafspraken zijn daarin verankerd, want daarin staan de grenzen waarbinnen de budgetkeuzes van het kabinet moeten blijven.

Het trendmatig begrotingsbeleid kent 3 basisprincipes:

  1. Uitgaven 

    Het kabinet spreekt bij de start van de regeerperiode af hoeveel het jaarlijks maximaal mag uitgeven. Dat zijn de zogenoemde uitgavenplafonds die het kabinet niet mag overschrijden.
  2. Inkomsten 

    Als het economisch goed gaat, ontvangt de overheid meer belasting dan van tevoren verwacht. Dat noemen we meevallers. Die meevallers gebruikt de overheid niet voor extra uitgaven, maar om de schuld af te lossen. Als het economisch minder gaat, vallen de belastinginkomsten juist tegen. De tegenvallers compenseert de overheid niet door minder uit te geven, maar door de schuld toe te laten nemen. Dit heet automatische stabilisatie.
  3. Besluitvorming op de begroting

    Slechts één keer per jaar besluit het kabinet over de begroting. Dat moment (in het voorjaar) noemen we het hoofdbesluitvormingsmoment. Door één vast moment te nemen, voorkomt het kabinet dat er continu discussies zijn over geld. Bovendien heeft het kabinet op die manier tijd om na te denken over hoe het belastinggeld zo verstandig mogelijk wordt uitgegeven.