Samenwerking als gezamenlijke opdracht
In dit coalitieakkoord hebben 3 partijen – D66, VVD en CDA – afspraken gemaakt over de maatregelen die nodig zijn om Nederland weer vooruit te krijgen. Dat doen zij in het volle besef dat dit kabinet bredere steun in beide Kamers nodig heeft dan deze 3 partijen kunnen leveren. Het succes van dit kabinet staat of valt met de bereidheid samen te werken met de Tweede en Eerste Kamer, mede-overheden en maatschappelijke organisaties.
We kennen in Nederland geen traditie van minderheidskabinetten. Wat dat betreft bevinden we ons op onontgonnen terrein. Tegelijkertijd is er in andere landen veel ervaring. Hoewel de Nederlandse situatie niet 1 op 1 te vergelijken is met bijvoorbeeld een land als Denemarken, dat een lange traditie van minderheidskabinetten kent, kunnen we daaraan wel lessen ontlenen.
De belangrijkste les is: het (opnieuw) leren van de kunst van het samenwerken en het overleg. In de eerste plaats moeten we de samenwerking tussen regering en maatschappelijke organisaties, ‘de polder’ en mede-overheden in ere herstellen, met respect voor elkaars verschillende rollen en verantwoordelijkheden. De afgelopen jaren is deze samenwerking verslechterd, terwijl we elkaar hard nodig hebben. Een regering kan alleen verstandig beleid maken als ook gesproken is met maatschappelijke organisaties. Daarmee wordt ook uitdrukking gegeven aan onze wens dat dit kabinet luistert naar alle stemmen in de samenleving. Het maatschappelijk middenveld heeft een belangrijke rol tussen regering en alle inwoners van Nederland (ook die niet op D66, VVD en CDA hebben gestemd) en tussen regering en het bedrijfsleven.
Ook de relatie met mede-overheden zal moeten worden hersteld. Goede interbestuurlijke verhoudingen zijn essentieel om de grote maatschappelijke vraagstukken effectief aan te pakken, zoals in het rapport ‘Samen bouwen aan resultaten’ van de Studiegroep Interbestuurlijke Verhoudingen terecht is geschreven. We willen uitvoering geven aan de bouwstenen en adviezen uit dit rapport, zoals het maken van duidelijke afspraken over taken en financiering, het maken van een uitvoeringstoets van het kabinetsbeleid voor de mede-overheden en regelmatig overleg.
In de tweede plaats zal dit kabinet op een andere manier moeten samenwerken met de Tweede en Eerste Kamer. Dat vraagt om een cultuuromslag in de omgang van de individuele leden van het kabinet met de Kamer en van coalitiefracties met andere fracties. Dat vereist van ons de houding om met alle fracties in de Kamers het gesprek te voeren over de vraag wat er nodig is om samen op te trekken. Dat gaat verder dan een praktische uitruil. Het gaat om de vraag wat we willen bereiken en waar we elkaar vinden. Om begrip over en weer voor wat we wel en niet van elkaar kunnen vragen.
We spreken de hoop uit dat fracties op hun beurt bereid zijn de voorstellen van dit kabinet op hun merites te beoordelen. We zoeken gezamenlijke verantwoordelijkheid zonder op ieder dossier in winnaars en verliezers te denken. In de gesprekken die we hebben gevoerd met de fractievoorzitters hebben we bij de meesten de bereidheid gehoord te willen doen wat goed is voor Nederland en dat geeft ons het vertrouwen dat de meeste politici willen bijdragen aan de oplossingen voor de problemen waar ons land voor staat. Het kabinet is primair aan zet om met voorstellen en wetgeving te komen, maar zal steeds de Tweede Kamer uitnodigen, zowel coalitie als oppositie, om in een vroeg stadium mee te denken. Zowel formeel als informeel. Het is denkbaar dat op sommige thema’s akkoorden gesloten worden met het parlement en maatschappelijke partners. Het initiatief daartoe zal door het kabinet genomen worden en alle partijen zullen worden uitgenodigd mee te doen. Tegelijkertijd hoopt dit kabinet te kunnen rekenen op de Tweede Kamer en maatschappelijke partners om Nederland vooruit te brengen. Zo kunnen we langjarige stabiliteit in beleid realiseren.
Bekijk de andere hoofdstukken uit het regeerakkoord.