De staat draagt als aandeelhouder bij aan de bescherming van de maatschappelijke belangen van staatsdeelnemingen. Ook let de overheid erop dat de staatsdeelneming het maatschappelijke vermogen of kapitaal op een verantwoorde manier beheert.
Staat kan als aandeelhouder invloed uitoefenen
De betrokkenheid van de staat bij de staatsdeelneming komt voort uit het bezit van (een deel van) de aandelen. Aan deze aandelen zijn zeggenschapsrechten verbonden; de aandeelhouder mag tijdens de algemene vergadering van de onderneming zijn stem uitbrengen. Zo kan de staat als aandeelhouder invloed uitoefenen op de toekomstplannen van het bedrijf. De zeggenschap vindt zijn oorsprong in het vennootschapsrecht (boek 2 Burgerlijk Wetboek). Hierin staat beschreven dat aandeelhouders niet gaan over de dagelijkse bedrijfsvoering van deze ondernemingen. Dat geldt dus ook voor de staat als aandeelhouder. De kennis ligt bij de deelneming en moet ook daar worden gebruikt. De aandeelhouder staat daarom bewust op afstand van de onderneming. Dat betekent dat de aandeelhouder en ook het parlement zich moeten houden aan de regels en afspraken van het vennootschapsrecht.
De staat richt zich bij de uitoefening van zijn bevoegdheden op de volgende onderwerpen:
De staat vindt het belangrijk om een actieve, vroegtijdige en nauwe betrokkenheid bij de benoemingen van bestuurders en commissarissen van deelnemingen te hebben. Bestuurders en commissarissen zijn namelijk heel belangrijk voor het functioneren van een onderneming.
Daarnaast vindt de staat vindt het belangrijk dat een raad van bestuur en een raad van commissarissen bestaat uit mensen met verschillende persoonlijke en professionele achtergronden. Dit draagt bij aan de kwaliteit van het besluitvormingsproces en kan een positieve invloed hebben op kansengelijkheid.
Het beloningsbeleid moet een deelneming in staat stellen om geschikte en deskundige bestuurders en commissarissen aan te trekken. Voor het leiden van ondernemingen is specifieke kennis en ervaring over de markt en de economie van belang. Het kabinet vindt een bescheiden beloningsbeleid passend gelet op het deels maatschappelijke karakter van een deelneming en het maatschappelijke kapitaal dat een deelneming beheert.
De staat verwacht van deelnemingen dat zij de verantwoordelijkheid nemen voor mensen, de maatschappij en het milieu, voor zover deze worden beïnvloed door de activiteiten van de deelneming. Deelnemingen moeten een voorbeeldrol vervullen in hun sector als het gaat om maatschappelijk verantwoord ondernemen.
De staat verwacht daarom dat de deelnemingen zich houden aan beleid en wet- en regelgeving op het gebied van MVO. En ook dat de ondernemingen geschikte middelen gebruiken die hen helpen om nog meer en beter maatschappelijk verantwoord te ondernemen. Ook vraagt de staat deelnemingen om MVO-doelstellingen op te stellen op belangrijke thema’s zoals klimaat en mensenrechten. Deze doelstellingen worden zoveel mogelijk gekoppeld aan de Sustainable Development Goals (SDG's), de duurzaamheidsdoelstellingen van de Verenigde Naties. Zo kan men zien hoe deelnemingen bijdragen aan de wereldwijde ontwikkelingsdoelstellingen en Brede Welvaart.
De staat hecht er dus veel waarde aan dat deelnemingen hun activiteiten op maatschappelijk verantwoorde wijze uitvoeren. MVO vormt daarom de basis waarop de staat haar aandeelhoudersbevoegdheden invult (waaronder strategie, investeringen, benoemingen en beloningen).
De staat wil betrokken zijn bij de koers van staatsdeelnemingen om ervoor te zorgen dat de richting die de onderneming kiest, past bij het maatschappelijk belang.
Zodra de onderneming zijn toekomstplannen aanpast (vernieuwt of wijzigt) wil de staat daarbij worden betrokken. Daarom heeft de staat in de interne regels van deelnemingen vastgelegd dat zij om advies wordt gevraagd bij de totstandkoming van de toekomstplannen van de onderneming.
De staat wil bij de aanpassing van de strategie met de deelneming afspraken maken over de doelstellingen en risico’s van brede activiteiten. Dit zijn activiteiten die niet meteen tot de hoofdactiviteiten van de onderneming behoren, zoals bijvoorbeeld buitenlandse activiteiten. De doelstellingen richten zich op een duidelijke bijdrage aan het maatschappelijk belang. De afspraken over de risico’s richten zich op de omvang van de brede activiteiten, in het bijzonder van eventuele buitenlandse activiteiten. Te veel brede activiteiten kunnen namelijk afleiden van de bescherming van het maatschappelijk belang en kunnen een risico vormen voor het voortbestaan van de hoofdactiviteiten.
De staat hecht eraan dat een deelneming voldoende (toegang tot) financiële middelen heeft om haar activiteiten op de korte en lange termijn uit te kunnen voeren. Daarnaast moet een deelneming de financiële waarde behouden die de onderneming voor de staat vertegenwoordigt. Om deze doelen te bereiken is een verstandige (financiële) bedrijfsvoering, voldoende resultaat en een gezonde balans van de deelnemingen heel belangrijk.
De staat verwacht dat de deelneming voldoende geld uittrekt (investeert) om de activiteiten die ondersteunend zijn aan het maatschappelijk belang naar behoren te kunnen uitvoeren en tegelijkertijd zorgt voor het financiële voortbestaan van de onderneming.
De raad van bestuur van de onderneming bepaalt of er moet worden geïnvesteerd in bepaalde activiteiten. Als het bestuur hiervoor een plan heeft dat de aandeelhouder moet goedkeuren, dan wil de aandeelhouder vroegtijdig in het traject worden betrokken om het plan te bespreken.
De aandeelhouder beoordeelt een investering aan de hand van de volgende eisen:
- Maatschappelijk belang;
- Maatschappelijk Verantwoord Ondernemen (MVO);
- Financiële gevolgen;
- Inschatting van de risico’s.