Op deze pagina staan antwoorden op veelgestelde vragen over het Herdenkingsjaar Slavernijverleden. Het Herdenkingsjaar was van 1 juli 2023 tot en met 1 juli 2024.
Het slavernijverleden is een zeer pijnlijk, belangrijk en tot voor kort onderbelicht onderdeel van onze gedeelde geschiedenis. Vanaf 1 juli 2023 wordt hier in het hele Koninkrijk extra aandacht aan besteed tijdens het Herdenkingsjaar Slavernijverleden.
Het gehele Koninkrijk stil bij het slavernijverleden. Dit gebeurt 150 jaar na de daadwerkelijke afschaffing van de slavernij in de toenmalige Nederlandse koloniën in 1873.
Op de pagina Slavernijverleden Koninkrijk der Nederlanden leest u meer over de geschiedenis.
Het Nationaal Instituut Nederlands Slavernijverleden en Erfenis (NiNsee) organiseert de opening en sluiting van het Herdenkingsjaar Slavernijverleden. De Rijksoverheid subsidieert dit. De officiële opening op 1 juli 2023 tijdens de Nationale Herdenking Slavernijverleden. In aanloop naar de opening organiseerde NiNsee op 2 juni 2023 een symposium.
Daarnaast stelt de Rijksoverheid 2 subsidieregelingen beschikbaar. Deze worden uitgevoerd door het Mondriaan Fonds en het Fonds voor Cultuurparticipatie. De regelingen richten zich op culturele, maatschappelijke en educatieve activiteiten vanuit de samenleving. Iedereen in het hele Koninkrijk kan subsidie aanvragen. Dat is dus inclusief de Caraïbische eilanden Aruba, Bonaire, Curaçao, Saba, Sint Eustatius en Sint Maarten. Via de 2 regelingen kan een grote verscheidenheid aan (culturele) organisaties, gemeenschappen, archieven en individuen activiteiten ontwikkelen. Hiermee kan de slavernij herdacht worden. En de kennis over het slavernijverleden kan gedeeld en vergroot worden.
Het Mondriaanfonds heeft in de eerste ronde aanvragen gehonoreerd. Dit gaat om projecten variërend van film tot symposium, tentoonstelling, podcast en installatiekunst
Ook het Fonds voor Cultuurparticipatie heeft al een aantal aanvragen van initiatiefnemers gehonoreerd.
1 juli 2023 is een zeer belangrijke, symbolische en bekende datum in relatie tot het slavernijverleden. Op 1 juli 1863 werd de slavernij in de voormalige koloniën formeel afgeschaft. Het is ook de datum waarop de Nationale Herdenking Slavernijverleden plaatsvindt.
De Rijksoverheid begrijpt dat voor veel mensen in onze samenleving het Herdenkingsjaar onderdeel is van een bredere roep om erkenning. De organisatie van het Herdenkingsjaar staat los van de afweging of 1 juli een (officiële) nationale feestdag wordt.
In het algemeen geldt dat de Rijksoverheid niet bepaalt of Nederlanders ook op nationale feestdagen vrij zijn. Dit wordt namelijk vastgelegd in Cao’s en/of arbeidscontracten.
Dat kan tijdens het hele Herdenkingsjaar bij het Fonds voor Cultuurparticipatie. Eerder kon dat ook bij het Mondriaan Fonds. Dit fonds is nu gesloten.
Bij het Fonds voor Cultuurparticipatie beoordeelt een commissie de aanvragen. Deze commissie heeft kennis van het slavernijverleden en de betrokken gemeenschappen. Lees welke projecten subsidie ontvangen van het Fonds voor Cultuurparticipatie.
Bij het Mondriaan Fonds beoordeelde een onafhankelijke adviescommissie over aanvragen. Daarbij speelde diversiteit, verspreiding over verschillende regio’s en een eerlijke verdeling tussen verschillende soorten projecten een rol. Lees welke projecten van het Mondriaan Fonds subsidie hebben ontvangen.
Voor de organisatie van het Herdenkingsjaar Slavernijverleden was in eerste instantie € 7 miljoen beschikbaar. Al snel bleek dat er veel aanvragen bij de 2 subsidieregelingen binnenkwamen. Daarom trekt het kabinet € 5,3 miljoen extra uit voor de Herdenkingsjaarsubsidieregelingen.
Het Herdenkingsjaar loopt van 1 juli 2023 tot 1 juli 2024. Na het Herdenkingsjaar is er structureel aandacht voor de herdenking van het slavernijverleden. Zo komt er een onafhankelijk Herdenkingscomité. Dit Herdenkingscomité moet de komende jaren zorgen voor een grootse, waardige herdenking van het slavernijverleden op 1 juli. Samen met het Caribische deel van het Koninkrijk, Suriname en andere landen.
Voor het jaarlijks herdenken maakt het kabinet € 8 miljoen vrij.
Uit onderzoek blijkt dat de meeste Nederlanders onvoldoende kennis hebben van het slavernijverleden. En wat de invloed van deze gedeelde geschiedenis in de levens van de mensen van nu is. De Rijksoverheid wil die kennis vergroten.
In het Herdenkingsjaar ondersteunt de Rijksoverheid maatschappelijke, culturele en educatieve initiatieven uit de samenleving. Dit zijn duurzame initiatieven van of in samenwerking met de verschillende groepen en gemeenschappen met een relatie tot het slavernijverleden.
Al voor de excuses waren de voorbereidingen in volle gang. Wel zijn lessen getrokken uit de aanloop naar de excuses. Deze zijn meegenomen in de verdere vormgeving van de plannen voor het Herdenkingsjaar.
Het Herdenkingsjaar richt zich op de gehele samenleving in het hele koninkrijk.
Het vertrekpunt van het Herdenkingsjaar is het Trans-Atlantische slavernijverleden. Dit betreft dus het slavernijverleden van Suriname en de Caraïbische eilanden Aruba, Bonaire, Curaçao, Saba, Sint Eustatius en Sint Maarten.
Op andere plekken in het Nederlands Koninkrijk was ook sprake van slavernij. Tijdens het Herdenkingsjaar is nadrukkelijk ook ruimte voor onderbelichte onderdelen van het Nederlands slavernijverleden. Denk bijvoorbeeld aan:
- inheemse slavernij;
- slavernij in Azië;
- de periode de contractarbeid in Suriname.
Minister Dijkgraaf van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (OCW) is coördinerend minister van het Herdenkingsjaar Slavernijverleden. Dat betekent dat hij namens het kabinet:
- de samenwerking met het NiNsee heeft ingericht;
- de subsidieregelingen heeft opgesteld;
- de afstemming met de andere bewindspersonen op zich neemt.
Het hele kabinet is verantwoordelijk voor het Herdenkingsjaar. Alle bewindspersonen hebben een rol. Minister Dijkgraaf neemt hierin het initiatief. En zal ook aanwezig zijn bij de opening van het Herdenkingsjaar.
De Rijksoverheid wil dat het Herdenkingsjaar bijdraagt aan:
- structurele aandacht voor ons gedeelde verleden;
- blijvende kennis over het gedeelde verleden;
- erkenning voor ons gedeelde verleden.
De Rijksoverheid hoopt dat dit de samenleving verbindt.